Toen de Batavia in oktober 1628 samen met zeven andere VOC-schepen vertrok vanaf Texel, kon niemand vermoeden hoe bloederig de reis zou aflopen. De vloot was op weg naar Kasteel Batavia in Nederlands-Indië toen op de Batavia muiterijplannen werden gesmeed. Het leidde tot een schipbreuk en de moord op zo’n 120 opvarenden. Nieuw onderzoek naar een ogenschijnlijk onopvallend deel van de lading – de zandstenen blokken – werpt nieuw licht op de geschiedenis. De bevindingen werden deze week gepubliceerd in Journal of Archaeological Science: Reports.

Een lading zandstenen op de Batavia

Vanaf 1619 begon de VOC met de bouw van een koloniaal fort op het eiland Java: Kasteel Batavia. De vesting zou dienen als bestuurlijk centrum van de VOC in Azië en als residentie van de gouverneur-generaal.

Het fort werd continu uitgebreid en er waren plannen voor de bouw van nieuwe poorten. Hiervoor waren grote zandstenen blokken uit Europa nodig. Het gloednieuwe schip de Batavia kreeg de opdracht ze te vervoeren.

De blokken werden uiteindelijk nooit verwerkt in de geplande poorten van Kasteel Batavia. In plaats daarvan liggen ze al vierhonderd jaar op de bodem van de zee, voor de westkust van Australië. Het wrak van de Batavia trekt al decennia de aandacht van archeologen en andere onderzoekers, niet in de laatste plaats vanwege de bloedige geschiedenis van het schip.

Nieuw onderzoek onthult de herkomst van de zandstenen

Een nieuwe studie van een internationaal onderzoeksteam richtte zich op de herkomst van de zandstenen blokken. De onderzoekers hoopten dat de stenen iets konden onthullen over de transportnetwerken van de VOC. Daar bleken ze gelijk in te hebben.

Uit een grondige analyse van microscopisch kleine mineralen in de zandstenen konden de onderzoekers afleiden dat de stenen uit minstens twee verschillende groeven afkomstig waren: die van Bentheim en Obernkirchen, allebei in het huidige Duitsland. De locaties liggen op ongeveer 140 kilometer van elkaar.

de zandstenen blokken van de batavia
WA Museum
De blokken zandsteen in de Batavia, gefotografeerd in 1973.

‘De stenen zijn op een later moment samengevoegd tot een enkele lading,’ vertelt Anthony Clarke van de Australische Curtin University. Dit gebeurde waarschijnlijk in een VOC-hub in Amsterdam. Van daaruit werden de stenen aan boord van de Batavia geladen. ‘Ze werden de halve wereld rondgestuurd via een bijzonder goed georganiseerde toeleveringsketen.’

Die informatie is nieuw, want lange tijd werd gedacht dat de stenen uit dezelfde steengroeve kwamen. Dat dit niet zo is, wijst erop dat de logistieke keten van de VOC complexer was dan gedacht. Toch haalden de stenen nooit hun geplande eindbestemming. Dat had alles te maken met de bemanning van het schip waarmee ze werden vervoerd.

Hoe een muiterij leidde tot een schipbreuk

Aan het hoofd van de Batavia stond opperkoopman François Pelsaert. Hij had zich tijdens een eerdere reis niet geliefd gemaakt bij kapitein Adriaen Jakobsz, waardoor de verhoudingen tussen beiden gespannen waren toen zij elkaar wederom troffen op de Batavia. Samen moesten zij ruim driehonderd bemanningsleden en passagiers – plus een waardevolle lading van goud, zilver en zandstenen – veilig naar Kasteel Batavia vervoeren.

Aan boord was ook onderkoopman Jeronimus Cornelisz, een apotheker die onlangs zijn zaak was kwijtgeraakt en zijn heil had gezocht bij de VOC. Hij raakte bevriend met Jakobsz en de twee besloten andere bemanningsleden te ronselen voor de kaping van het schip. Met de gouden en zilveren munten zouden ze een nieuw leven kunnen opbouwen in een vreemde haven.

Maar nog voor ze hun plan tot uitvoering konden brengen, liep de Batavia op 4 juni 1629 op een koraalrif voor de westkust van Australië, ver weg van de originele route. Sommige historici vermoeden dat kapitein Jakobsz bewust van de route was afgeweken om aan het oog van de rest van de vloot te ontsnappen – een kans die zich voordeed doordat Pelsaert tijdens de reis ziek op bed kwam te liggen.

Bij de ramp verdronken veertig mensen, maar de rest van de bemanning wist het onbewoonde Beaconeiland te bereiken. Pelsaert, die niets afwist van de muiterijplannen, stapte met kapitein Jakobsz en nog een paar bemanningsleden in een sloep om hulp te halen in Nederlands-Indië. Cornelisz kreeg het gezag over de achterblijvers. Dat zou een dodelijke keuze blijken.

Hoe de schipbreuk uitmondde in een bloedbad

Omdat Cornelisz bang was dat Pelsaert in de sloep lucht zou krijgen van de geplande muiterij – en hem dan zeker de doodstraf wachtte – besloot hij Beaconeiland volledig onder zijn heerschappij te krijgen. Mocht er een hulpschip uit Java arriveren, dan zou hij het schip kapen en ermee vluchten, was zijn plan. Iedereen die hij als potentiële tegenstander zag, liet hij door zijn aanhangers op gruwelijke wijze vermoorden.

Cornelisz ontketende een maandenlange terreur op het eiland, die aan 120 bemanningsleden en passagiers het leven kostte. Wonderbaarlijk genoeg wisten Pelsaert en zijn mannen hun tocht in de sloep naar Nederlands-Indië te overleven. Hij keerde in september 1629 terug op het VOC-schip Saerdam en wist Cornelisz gevangen te nemen, te berechten en op te hangen voor zijn wandaden.

In 1963 werd het wrak van de Batavia ontdekt door kreeftvisser Dave Johnson. Enige tijd later werden ook menselijke overblijfselen gevonden op Beaconeiland, de slachtoffers van Cornelisz.

Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!

Headshot of Roeliene Bos

Roeliene werkt als editor voor National Geographic. Daarnaast levert ze als wetenschapsjournalist bijdragen aan onder meer Quest en KIJK Magazine. Ze is dol op reizen, godsdienstgeschiedenis en een stevige wandeling.