In de afgelopen jaren werden verschillende studies gepubliceerd met verontrustende bevindingen: uit diverse onderzoeken bleek dat microplastics in veel delen van ons lichaam aanwezig zijn. Ze werden aangetroffen in de hersenen, het bloed, het hart- en vaatstelsel, de lever, de nieren, de maag, de longen, en zelfs in de placenta.

Vooralsnog is niet duidelijk wat de exacte gevolgen hiervan zijn voor onze gezondheid. Daarnaast is er binnen de wetenschap ook nog geen consensus over hoeveel microplastics daadwerkelijk in onze organen zitten en hoe deze deeltjes het betrouwbaarst kunnen worden opgespoord.

Kritiek op spraakmakende microplasticstudies

In nieuwsartikelen en commentaren die in wetenschappelijke tijdschriften zijn gepubliceerd, worden vraagtekens geplaatst bij enkele van de meer spraakmakende onderzoeken waarin de aanwezigheid van microplasticdeeltjes wordt aangetoond.

Sommige critici wijzen op tekortkomingen in de meettechnieken van een onderzoek of interpreteren de resultaten van een studie anders dan de onderzoekers zelf. Deskundigen zeggen dat deze discussies een natuurlijk onderdeel zijn van het wetenschappelijke proces, vooral voor een relatief nieuw vakgebied.

Het vaststellen van de aanwezigheid van microplastics in weefselmonsters uit het menselijk lichaam – en het verkrijgen van meer inzicht in de effecten ervan – is volgens veel deskundigen een urgente kwestie voor de volksgezondheid.

Het is ‘vergelijkbaar met de situatie waarin we ons in de jaren vijftig bevonden met tabak en asbest. We moeten het heel serieus nemen, ook al hebben we nog niet alle antwoorden,’ zegt Philip Landrigan, kinderarts en directeur van het Program for Global Public Health and the Common Good aan het Boston College (VS).

Uitdagingen bij het meten van microplastics in het lichaam

Het is erg ingewikkeld om de aanwezigheid van microplasticdeeltjes in orgaan- of bloedmonsters aan te tonen. Microplasticdeeltjes hebben een diameter van minder dan vijf millimeter, terwijl nanoplastics een diameter van minder dan één micrometer hebben. Met het blote oog zijn ze niet waarneembaar.

Daarnaast wordt onderzoek naar microplastics vaak uitgevoerd in een omgeving waar deze deeltjes zelf ook aanwezig zijn. Microplasticdeeltjes kunnen zweven in de lucht van een laboratorium, in synthetische kleding van wetenschappers of op meetinstrumenten die bij het onderzoek gebruikt worden. Dat zorgt mogelijk voor een vervuiling van de onderzoeksresultaten.

Microplastics in de hersenen

Matthew Campen, toxicoloog aan het College of Pharmacy van de University of New Mexico in Albuquerque, was een van de auteurs van een veelbesproken studie die vorig jaar verscheen in het tijdschrift Nature Medicine. Hij vond microplasticdeeltjes in het menselijk brein.

De kritiek die Campen en zijn coauteurs kregen, zorgde voor een verhit debat. Campen stelt dat een deel van de kritiek afkomstig is van wetenschappers uit andere vakgebieden, die wellicht beperkte ervaring hebben met het omgaan met complexe biologische monsters. Hij geeft echter toe dat de discussie belangrijk is, aangezien de wetenschap zich blijft ontwikkelen en verbeteren.

Andere deskundigen op dit gebied zijn het daarmee eens. ‘Alle wetenschappelijke bevindingen worden door andere wetenschappers in twijfel getrokken en ter discussie gesteld – zo werkt de wetenschap nu eenmaal,’ zegt Megan Wolff, deskundige op het gebied van volksgezondheid en directeur van het Physician and Scientist Network Addressing Plastics and Health (P-SNAP). ‘Het is een zelfcorrigerend systeem.’

Hoe het onderzoek naar microplastics zich ontwikkelt

Een van de meest gangbare manieren waarop wetenschappers microplastics proberen te meten, is door weefselmonsters onder verschillende soorten microscopen te bekijken. Dat heeft echter beperkingen. Zo kunnen vetten er in het lichaam uitzien als polyethyleen, een soort plastic.

Een andere techniek werkt met infraroodspectroscopie. Onderzoekers schijnen infraroodlicht op microplasticdeeltjes om te meten hoe deze het licht absorberen. Vervolgens kijken ze in een database om de chemische verbindingen te identificeren.

Een andere optie is een methode genaamd pyrolyse-gaschromatografie. Hierbij wordt een monster verbrand, waarna het vrijkomende gas wordt onderzocht op de aanwezigheid van bepaalde chemische verbindingen.

Pyrolyse-gaschromatografie-massaspectrometrie (Py-GC-MS) is een vergelijkbare en nauwkeurigere methode en wint aan populariteit in het vakgebied. Bij Py-GC-MS verwarmen onderzoekers een weefselmonster snel, zodat het uiteenvalt in kleinere deeltjes. De gassen die daarbij vrijkomen, worden vervolgens vergeleken met kenmerken die overeenkomen met verschillende soorten plastic.

Maar ook deze methode heeft beperkingen: in een studie uit 2025 werd de doeltreffendheid van Py-GC-MS voor het analyseren van nanoplastische en microplastische deeltjes in menselijk bloed beoordeeld. De onderzoekers concludeerden dat het ‘momenteel geen geschikte analysemethode’ is voor het opsporen van deze deeltjes in bloed.

Elke techniek heeft beperkingen

Elk van deze methoden kent zijn uitdagingen en beperkingen. Daarom pleiten sommige wetenschappers ervoor om verschillende methoden te combineren om de resultaten zo te bevestigen.

Deze aanpak werd toegepast in een studie uit 2024, waarin onderzoekers weefsels analyseerden op de aanwezigheid van micro- en nanoplastics bij mensen die werden behandeld voor slagaderverkalking.

Hiervoor maakten ze gebruik van drie verschillende meettechnieken. De onderzoekers stelden vast dat degenen bij wie deze plasticdeeltjes waren aangetroffen na 34 maanden een hoger risico liepen op een hartinfarct, een beroerte of overlijden door welke oorzaak dan ook, in vergelijking met degenen bij wie geen plasticdeeltjes waren aangetroffen.

Sommige deskundigen, waaronder Landrigan, beschouwen dit als een goed opgezet onderzoek, maar anderen zijn het daar niet mee eens. Zo is Kevin Thomas, directeur van de Queensland Alliance for Environmental Health Sciences aan de University of Queensland in Brisbane, Australië, van mening dat in het onderzoek in feite cholesterol in het weefsel is gemeten, en geen microplastic.

Een blik op de toekomst

‘In ons onderzoeksveld proberen we allemaal de analysemethoden te verbeteren waarmee we microplastics in menselijk weefsel kunnen meten, en streven we ernaar om beter samen te werken,’ zegt Thomas. ‘Een combinatie van technieken zal ons de antwoorden geven waarnaar we op zoek zijn.’

Naast het verbeteren van de onderzoeksmethoden moeten de studies ook antwoord geven op de hamvraag: welke invloed hebben microplastics op onze gezondheid?

‘We weten wat de chemische stoffen in microplastics met ons doen,’ zegt Wolff. ‘Het zijn kankerverwekkende en hormoonontregelende stoffen. In de volksgezondheid is de vraag: wanneer hebben we genoeg bewijs om alarm te slaan en preventieve maatregelen te nemen?’

Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!

Headshot of Willeke van Doorn

Willeke van Doorn studeerde journalistiek, reisde een tijdje de wereld rond en kwam uiteindelijk via de Verenigde Staten, Australië en Nieuw-Zeeland bij de redacties van Quest en National Geographic. Ze is nieuwsgierig naar de wereld, gaat het liefst elke maand even op reis en neemt dan ook altijd haar hardloopschoenen mee.