Het domein van de wolf

Duizenden jaren lang deelde de mens in West-Europa zijn leefgebied met de wolf, tot deze einde 19de eeuw uit onze contreien werd verdreven. Nu is hij terug.

Published 5 feb. 2021 11:25 CET
Een roedel wolven baant zich een weg door een dikke sneeuw-laag in het Beierse Woud nabij ...

Een roedel wolven baant zich een weg door een dikke sneeuw-laag in het Beierse Woud nabij de grens met Tsjechië. Behalve wolven komen in het berggebied ook lynxen en wilde katten voor.

Foto van Marielle van Uitert

Dit artikel verscheen in de 1e editie van National Geographic Magazine 2021

Voorjaar 2016.

Diep weggestopt in een hol in de bossen van de Duitse deelstaat Brandenburg, ruim zeshonderd kilometer van de Nederlandse grens, wordt een wolvenwelpje geboren. Met haar broertjes en zusjes ligt ze de eerste vijftien dagen van haar leven doof en blind in het hol. Terwijl ze wordt gevoed door haar moeder, houdt vader vossen, dassen en ander mogelijk gevaar op veilige afstand. Na twee weken opent de welp haar ogen en zet ze de eerste stapjes in de buitenwereld. Wanneer haar ouders terugkomen van een jachtpartij, krijgt ze voorgekauwde stukken ree of zwijn te eten. Een paar maanden later mag ze mee op jacht. Ze leert hoe ze reeën moet besluipen, in stilte in een hinderlaag moet wachten en een keelbeet moet toedienen. Anderhalf jaar later verlaat ze haar familie en gaat ze op zoek naar een eigen plek. Honderden kilometers legt ze af, vooral ’s nachts, door de deelstaten Saksen, Saksen-Anhalt en Nedersaksen, waarna ze de provincie Drenthe binnenkomt. Onderweg jaagt ze op reeën en hazen. Zonder jachtervaring en onbekend met het gebied neemt ze soms haar toevlucht tot schapen. Op de Veluwe komt haar zwerftocht tot een eind. Ze jaagt met succes op edelherten, die drie keer zo zwaar zijn als zijzelf. Wanneer ze in februari 2019 meer dan een halfjaar op de Veluwe verblijft, is wolvin GW998f de eerste officieel in Nederland gevestigde wolf in 150 jaar.

In de hete zomer van 2020 drinken welpen de laatste restjes van een plas water in de Lausitz, een regio in de deelstaat Brandenburg. Hier, niet ver van de Poolse grens, werden twintig jaar geleden de eerste wolven in Duitsland gesignaleerd. Inmiddels hebben zich 128 roedels in het land gevestigd.

Foto van Marielle van Uitert

Voorjaar 2020.

Op de Noord-Veluwe krijgen de bomen langzaam een groene kleur, overal weerklinkt vogelgekwetter. Met Mirte Kruit, boswachter bij Natuurmonumenten, wandel ik door het mulle zand langs de grens van het territorium waar GW998f dit jaar haar tweede nest jongen kreeg. Sinds de eerste geruchten over de terugkeer van de wolf in Nederland is Kruit betrokken bij de monitoring.

‘Ik voel een speciale band met de wolf,’ vertelt Kruit. ‘Vooral met de veerkracht van de natuur waar hij voor staat.’

Door de geschiedenis heen is de wolf vaak als boodschapper van de goden gezien. De oude Grieken en Germanen associeerden de wolf vooral met eigenschappen als moed, kracht en snelheid, en ook inheemse volken in Noord-Amerika zagen hem als een sterk spiritueel dier. Tegelijk is hij vaak verketterd. Fabels en sprookjes bezorgen de ‘boze’ wolf al eeuwenlang een slechte naam, en aanvallen op landbouwhuisdieren en ziekten als hondsdolheid hebben hem er in Nederland en België niet geliefder op gemaakt.

Eind negentiende eeuw werd de wolf in heel West-Europa uitgeroeid en trok hij zich terug in de uitgestrekte bossen van Roemenië en Polen. Die situatie veranderde na 1979. Op de Conventie van Bern werd de wolf dat jaar tot beschermde soort verklaard; sinds 1992 zijn alle EU-lidstaten krachtens een aanvullende habitatrichtlijn verplicht om wolven te beschermen, een rustige plek te bieden waar ze zich kunnen voortplanten en een jachtverbod in te stellen. Vanaf dat moment waagde de wolf zich langzaam maar zeker uit de veilige beschutting van de Oost-Europese bossen en begon hij zijn opmars naar het Westen.

‘De terugkeer van de wolf is een feit,’ zegt Kruit. ‘Daar kun je op tegen zijn of je kunt het fantastisch vinden, maar dat verandert niets aan het gegeven.’

In het LeibnizInstitut für Zoo- und Wildtierforschung (IZW) in Berlijn kan in veel gevallen door weefselonderzoek de doodsoorzaak van een dier worden vastgesteld. Deze bij een aanrijding in Nedersaksen gedode wolf wordt eerst onder een CT-scanner gelegd, daarna meet assistent lijkschouwing Zoltan Mezö de tanden op. Het gebit, de maaginhoud en de weefselopbouw leveren informatie op over de leefwijze en de gezondheid van zowel een individuele wolf als de roedel waarvan hij deel uitmaakte.

Foto van Marielle van Uitert

Het is vooral zaak om onrust en incidenten die ontstaan door de aanwezigheid van de wolf zo veel mogelijk te beperken, vindt ze, en dat begint met goede informatievoorziening en monitoring. Kruit is behalve boswachter ook coördinator van het Wolvenmeldpunt op de Noord-Veluwe. Een groep getrainde vrijwilligers verzamelt DNA-gegevens uit keutels, haren en prooiresten, en over de hele Veluwe hangen op strategische plekken cameravallen om de wolven in beeld te krijgen.

De veluwe is ook mijn leefgebied. Ik woon er, maak er dagelijks wandelingen en zie er de seizoenen aan me voorbijtrekken. Hoewel wetenschappers het aantal wolven in Nederland inmiddels op tien tot vijftien schatten, waaronder een roedel op de Noord-Veluwe en een wolvin op de Midden-Veluwe, heb ik ze nog niet met eigen ogen mogen zien. De wolf weet zich goed verborgen te houden. Maar hoe klein de kans op een ontmoeting ook is, de gemoederen rondom het dier lopen hoog op. Volgens sommigen is het een bloeddorstig monster, anderen zien hem als een gids die ons iets komt vertellen. Het beeld dat mensen van de natuur hebben, lijkt soms tweeledig: de ene groep beschouwt de natuur als iets gevaarlijks waar je ver vandaan moet blijven, de andere juist als iets puurs en onschuldigs. Zouden wolven ons kunnen leren de balans weer te vinden?

Aan de rand van het zandpad wijst Mirte Kruit op een langgerekte, harige sliert: een wolvendrol. Ik zie stukjes wit bot, gewikkeld in een dichte kluwen van zwart haar. ‘Het lijkt erop dat deze wolf een zwijn heeft weten te bemachtigen,’ glimlacht Kruit. Een wolf bakent de rand van zijn territorium af met urine, keutels en krabsporen. Volgens de boswachter is het juist in deze grenszone, waar wolven uit verschillende gebieden kunnen passeren, interessant om te weten wat de wolvenactiviteit is. Een DNAmonster van deze keutel gaat dan ook naar Wageningen voor onderzoek.

In het LeibnizInstitut für Zoo- und Wildtierforschung (IZW) in Berlijn kan in veel gevallen door weefselonderzoek de doodsoorzaak van een dier worden vastgesteld. Deze bij een aanrijding in Nedersaksen gedode wolf wordt eerst onder een CT-scanner gelegd, daarna meet assistent lijkschouwing Zoltan Mezö de tanden op. Het gebit, de maaginhoud en de weefselopbouw leveren informatie op over de leefwijze en de gezondheid van zowel een individuele wolf als de roedel waarvan hij deel uitmaakte.

Foto van Marielle van Uitert

In de snijkamer van de Wageningen University & Research (WUR) opent ecoloog Hugh Jansman de deur van een koelcel. Prompt komt ons de scherpe geur van bevroren vlees tegemoet. Daarna zie ik tientallen in plastic zakken verpakte dode dieren. Uit een van de zakken steekt de gele klauw van een zeearend, in een andere herken ik de staart van een otter. In de laboratoria van de WUR komen alle DNAmonsters van in Nederland levende wolven binnen voor analyse. Dat geldt ook voor het DNA dat wordt gevonden op doodgebeten schapen. Wanneer een boer een dood schaap in zijn weide vindt, schakelt hij een taxateur in van de overheidsorganisatie BIJ12. Deze stuurt foto’s rond die worden beoordeeld door experts.

Als de foto’s niet kunnen uitsluiten dat een wolf de boosdoener is geweest, wordt er DNA afgenomen.

Hugh Jansman kan op basis van de gemaakte beelden vaak al een reële inschatting maken: ‘Een wolf gaat in de meeste gevallen voor een keelbeet en bijt daarna de ribbenkast door. Een vos of hond is meestal niet in staat om botten door te knagen,’ vertelt hij. Uit onderzoek in de provincies Limburg en Drenthe blijkt dat in Nederland jaarlijks ten minste vierduizend schapen door honden en vossen worden gedood. Wolven waren in 2019 verantwoordelijk voor maar een fractie daarvan: 119 schapen vielen hun ten prooi.

Als projectleider van het wolvenonderzoek houdt Jansman zich bezig met genetische monitoring en verricht hij sectie als er ergens een dode wolf wordt gevonden. De dieren interesseren hem mateloos, en hij is dagelijks in een wolventerritorium te vinden. ‘De wolf houdt ons een spiegel voor,’ zegt hij, ‘de sociale structuren lijken op die van de mens.’ Het ouderpaar investeert veel in de opvoeding van de jongen, die op hun beurt meehelpen met het grootbrengen van de broertjes en zusjes, vertelt hij. Sommige jongen blijven vier of vijf jaar bij hun ouders, maar er zijn er ook die in hun eerste jaar al vertrekken, afhankelijk van het voedselaanbod en de bezetting van leefgebieden: als in alle geschikte gebieden in de omgeving wolvenroedels voorkomen, zullen jonge dieren langer bij hun ouderlijke groep blijven. Ook als het gaat om leiderschap, hebben wolven ons volgens Jansman iets te leren: niet zozeer de sterkste wolf is de baas, maar de wolf die het best samenwerkt en conflicten oplost. ‘Wolven worden vaak neergezet als agressief, maar eigenlijk zijn ze onderling erg vreedzaam.’

Dankzij nauwe samenwerking tussen onderzoeksinstituten in Duitsland, Denemarken, Polen en de Benelux is een omvangrijke databank ontstaan met wolven-DNA. Mocht er een wolf in Nederland opduiken waarvan het DNA niet is geregistreerd, dan is uit de databank meestal af te leiden waar de ouders vandaan komen. Tot voor kort waren alle wolven in Nederland en België te herleiden tot populaties uit Duitsland en Polen. Maar een paar maanden geleden zagen Jansman en zijn collega’s een bijzonder DNA-type opduiken: de wolf die zich onlangs in Brabant vestigde, bleek een alpiene wolf, afkomstig uit de Frans-Italiaanse Alpen.

‘Dat was voor ons onderzoek een heel bijzonder moment,’ zegt Jansman. Voor de populatie wolven in Nederland is nieuw bloed een belangrijke aanwinst, zegt hij, want een grotere genetische variatie betekent meer vitaliteit onder de dieren.

Hebben de reuzenwolven uit Game of Thrones echt bestaan?
Reuzenwolven (dire wolves) leefden ongeveer 300.000 jaar geleden op aarde, maar dankzij fossielen - en Game of Thrones - leeft hun legende voort.

In Sasso Marconi, een gemeente in de bergen ten zuiden van Bologna (Italië), heeft Elisa Berti dagelijks te maken met wolven uit deze alpiene populatie. Door de ontvolking van het platteland wisten de dieren er relatief eenvoudig te overleven en hebben ze zich de afgelopen decennia kunnen vermeerderen. In 1989 openden Berti’s ouders er het Centro Tutela e Ricerca Fauna Esotica e Selvatica – Monte Adone, een opvangcentrum voor zowel exotische huisdieren als wilde diersoorten, waaronder wolven. Volgens Berti, inmiddels hoofd van de opvang, groeit het aantal wolven in het berggebied nog altijd en verspreiden ze zich verder over West-Europa. Zo leven er in België inmiddels drie alpiene wolven, en zijn ze ook gesignaleerd in Duitsland.

Wanneer ik Berti op een zondagochtend via een videoverbinding spreek, heeft ze haar werkkleding nog aan en komt ze net uit het wolvenverblijf waar een jonge wolf werd geopereerd. Enthousiast vertelt ze dat wolven een speciale plek in de opvang innemen: ‘Door hun enorme intelligentie en grote aanpassingsvermogen zijn ze zich bewust van hun omgeving en weten ze dat wij er zijn om ze te helpen.’ In tegenstelling tot bijvoorbeeld een gewonde ree wacht een wolf geduldig op zijn beurt, en een muilkorf is vaak niet nodig.

In 2012 werd het opvangcentrum plotseling beroemd toen het team van Monte Adone een wolf uit het ijswater van de bergrivier Limentra redde. Het dier had 35 kogels in zijn nog onvolwassen lijf, was verlamd en buiten bewustzijn. Als laatste redmiddel gaf Berti succesvol mond-op-mondbeademing – een video daarvan ging de wereld over. Sindsdien krijgt ze verzoeken uit heel Italië en ver daarbuiten om wolven op te vangen en medisch te onderzoeken. In Nederland is het nog niet nodig geweest een gewonde wolf op te vangen, en is er ook nog geen protocol voor. Mocht er een ziek of aangereden dier worden gevonden, dan moet deze worden behandeld op een geschikte plek. Het reddingsteam van Monte Adone daarentegen treft regelmatig zulke wolven aan in een hondenasiel.

In een koelcel van het Leibniz-Institut für Zoo- und Wildtierforschung (IZW) worden de lichaamsresten van dood gevonden wolven opgeslagen. Na uitvoerig onderzoek worden de karkassen teruggestuurd naar de deelstaten van herkomst.

Foto van Marielle van Uitert

Dat is volgens Berti niet alleen stressvol voor de dieren, het maakt een succesvolle uitzetting in het wild lastig. Het opvangcentrum heeft daarom een wolvenprogramma ontwikkeld en de verblijven aangepast. Gewonde dieren worden hier in alle rust behandeld en voorbereid op een terugkeer in het wild.

Van de 53 wolven die Monte Adone sinds 2012 heeft opgevangen, zijn er 37 weer uitgezet – helaas niet altijd met goede afloop. Neem Geronimo. Hij kwam als een paar maanden oude welp ernstig verzwakt en ziek het centrum binnen. Zijn roedel zwierf rond bij de boerderijen en at van dood achtergelaten boerderijdieren en kattenvoer. Het welpje liep hierdoor een ernstige infectieziekte op. Hoewel de behandeling bij Monte Adone goed aansloeg en Geronimo zich na zijn uitzetting weer bij zijn roedel aansloot, wist hij niet te overleven. Wolven zijn van nature bang voor mensen en zullen ze in principe mijden. Maar Geronimo had geleerd dat hij in de buurt van boerderijen voedsel kon vinden. Drie weken na zijn vrijlating werd hij dood gevonden, zijn lichaam doorzeefd met hagel.

Met het opvangen en uitzetten van gewonde wolven is in Nederland en België nog geen ervaring opgedaan. Maar het verhaal van Geronimo bewijst dat het voeren van wilde dieren zoals wolven grote gevolgen kan hebben. Ze gaan niet meer zelf op zoek naar voedsel en kunnen ziekten oplopen. Mocht er hier een wolf zijn die wordt gevoerd en daardoor zijn natuurlijke schuwheid verliest, dan geldt deze als probleemwolf, vertelt WUR-ecoloog Hugh Jansman. In het uiterste geval moet het dier dan zelfs worden afgeschoten.

Maar ook ‘gewone’ wolven lopen een grote kans om te worden geschoten, zij het om andere redenen. ‘Sommige jagers en boeren zien wolven duidelijk liever gaan dan komen,’ zegt Jansman. ‘Daarom houden we er rekening mee dat illegaal afschot mede bepalend is voor hun overlevingskansen.’ In 2015 werden er in Duitsland bijvoorbeeld veertien dode wolven gevonden, waarvan er vijf illegaal waren geschoten. De werkelijke cijfers liggen waarschijnlijk hoger, aangezien lang niet alle dode wolven worden gevonden.

Het is volgens Jansman niet alleen verboden om een wolf te schieten, het risico op probleemwolven wordt er alleen maar groter door. ‘We zien in andere landen dat roedels uit elkaar vallen wanneer een leider sterft,’ zegt hij. ‘Een leider weet bijvoorbeeld uit ervaring dat schapen achter een stroomdraad moeten worden genegeerd. Deze ervaring geeft hij aan zijn roedel door.’ Juist omdat wolven elkaar binnen een roedel nodig hebben en hun jachttechnieken op elkaar overdragen, kunnen de overgebleven wolven stuurloos raken en probleemwolven worden, aldus Jansman. ‘Je schiet dan dus letterlijk het doel voorbij.’

Dat Nederlandse dierenhouders bang zijn voor de komst van de wolf, is niet vreemd. In gebieden waar veehouderij een belangrijk bestaansmiddel is, overheerst een gevoel van angst bij berichten over doodgebeten schapen. De terugkeer van de wolf brengt voor sommige boeren extra zorgen met zich mee.

Anderzijds vergoedt de overheid de schade die ontstaat door wolven en geven sommige provincies subsidies voor beschermingsmaatregelen, zoals speciale wolfwerende hekken. Nu de wolf dankzij zijn beschermde status niet meer acuut met uitsterven wordt bedreigd, is de volgende stap om hem te laten integreren. De wolf is in Nederland en België een onderdeel van het landschap geworden, en als we zijn beschermde status serieus nemen, dan zullen we dat moeten accepteren. Inclusief de problemen die zijn aanwezigheid soms met zich meebrengt.

Elisa Berti, directeur van wolvenopvangcentrum Monte Adone bij Bologna, haalt de jonge wolf Geronimo op om hem te voorzien van een halsband met zender. Voor elk dier maakt Luigi Molinari van het Wolf Apennine Center een halsband op maat die flexibel is en oprekt naarmate het dier groeit. Na verloop van tijd valt de band vanzelf af.

Foto van Marielle van Uitert

Midden in een uitgestrekt veengebied in de Duitse deelstaat Nedersaksen ontmoet ik Erwin van Maanen, bioloog en ecoloog bij onderzoeksbureau EcoNatura. In OostEuropa en in de Kaukasus was hij betrokken bij beschermingsprojecten van grote roofdieren, waaronder wolven. ‘Het bijzondere aan de wolf is dat hij hoe dan ook zijn eigen weg weet te vinden,’ vertelt hij. ‘Of het nu wildernis of cultuurlandschap is, zolang er plekken zijn met voldoende rust en voldoende voedsel, kan hij zich er vestigen.’ Van Maanen legt uit hoe wolven een regulerende rol in het landschap kunnen vervullen. ‘Ze jagen op jonge en op zwakke dieren,’ vertelt hij. ‘Dankzij hun uitzonderlijk goede reukvermogen komen ze snel zieke prooidieren op het spoor.’ Daarmee blijven de sterke, gezonde dieren over om zich voort te planten.

De aanwezigheid van de wolf heeft ook gevolgen voor de flora. Wanneer we langs een kabbelend beekje lopen waar jonge boompjes en struikjes ontspruiten, vertelt Van Maanen over de ‘ecologie van de angst’: herten en reeën zijn oplettender en blijven minder lang op één plek in gebieden waar ook een groot roofdier als een wolf zit. Hierdoor krijgen bomen en struiken de kans om te groeien en neemt heel de biodiversiteit toe, zegt de bioloog. ‘Niet voor niets bestaat in Polen en Rusland al eeuwenlang het gezegde: ‘Waar de wolf jaagt, daar groeit het woud.’’

Wandelend door het veengebied wijst hij op grote pootafdrukken in het zand: wolvensporen. Ik kijk om me heen, ik voel een vlaag van opwinding. Misschien kan ik nu, na maanden speuren, eindelijk een glimp van een echte wilde wolf opvangen. Van Maanen glimlacht om mijn nieuwsgierigheid. ‘Een wolf moet je niet willen zien, hij ziet jou.’ De ecoloog plaatst regelmatig cameravallen en is tevreden als hij een wolf weet vast te leggen, maar interessanter vindt hij hoe het dier zich gedraagt in het landschap en de gevolgen die dat heeft voor het ecosysteem. De voetafdrukken, geluiden, keutels en prooiresten die hij registreert tijdens zijn veldwerk, geven daarvan een steeds duidelijker beeld. ‘De grote vraag is: hoe gaan de populaties wolven zichzelf reguleren? Wat gebeurt er als alle geschikte gebieden bezet zijn?’

In de Lage Landen hebben we al ruim anderhalve eeuw niet meer samengeleefd met de wolf, dus de toekomst moet uitwijzen hoe de dieren zich zullen handhaven in een wereld die sindsdien alleen maar drukker en voller is geworden. Duidelijk is dat de wolf niet per se ongerepte natuur of pure wildernis nodig heeft om te overleven, maar dat ook cultuurlandschappen onder bepaalde omstandigheden kunnen volstaan. Zo blijkt onder meer in Duitsland, waar de eerste wolf zich in 2000 vestigde en er inmiddels 128 roedels zijn.

Na de Conventie van Bern en de val van de Muur kregen wolven vrije doortocht en vonden ze in bossen, op militaire oefenterreinen, maar ook in industriële gebieden voedsel en rust om zich voort te planten. Het onderzoek naar wolven wordt in Duitsland uitgevoerd door het Leibniz-Institut für Zoo- und Wildtierforschung (IZW) in Berlijn. ‘Dode wolven uit alle deelstaten komen bij ons binnen en ondergaan onderzoek op basis van menselijke forensische geneeskunde,’ zegt IZW-directeur Heribert Hofer. Ze krijgen een CT-scan, bloed- en maagonderzoek en worden gecontroleerd op virussen en bacteriën.

Hofer vertelt dat de angst voor de wolf onder de Duitse bevolking sinds de komst van het dier geleidelijk is afgenomen. Toen twintig jaar geleden de eerste wolven zich vestigden in de oostelijke regio Lausitz, tegen de Poolse grens, waren mensen bang om alleen het bos in te gaan. ‘Inmiddels gaan mensen zonder problemen op zondagmiddag met het hele gezin paddenstoelen plukken in het bos, zonder vrees voor een confrontatie met een wolf.’

Een dode welp die is aangereden in de bergen bij Bologna wordt in wolvenopvangcentrum Monte Adone door Elisa Berti en Luigi Molinario onderzocht.

Foto van Marielle van Uitert

Toch heerst er ook in Duitsland onvrede, vooral onder veehouders en jagers. Schapenhouders proberen met stroomdraden en kuddebewakingshonden wolven van hun dieren weg te houden, maar volgens Hofer gebeurt dit nog niet voldoende. ‘Boeren moeten preventief maatregelen nemen om aanvallen te voorkomen,’ zegt hij. Uit Duits onderzoek blijkt dat bij voldoende wolfwerende maatregelen het aantal schapenbeten afvlakt, ook als het aantal wolven groeit. Tegelijk is ook duidelijk dat nooit álle aanvallen kunnen worden voorkomen. Waar de wolf samenleeft met mensen, levert dat soms conflicten op.

Hofer woonde 33 jaar in Tanzania, waar hij vooral onderzoek deed naar het beheer van roofdieren. Op plekken waar deze nooit zijn weggeweest, is hun aanwezigheid volgens hem veel minder controversieel. ‘In Roemenië leven mensen dagelijks met beren en wolven, in Tanzania is de bevolking vertrouwd met hyena’s en leeuwen.’ Dierenhouders, aldus Hofer, weten daar dat ze hun kudden goed moeten beschermen tegen roofdieren, maar ook dat er een reëel risico bestaat dat ze soms een dier verliezen. ‘Zoals een boer ook jaarlijks dieren kwijtraakt aan ziekten of infecties.’

In West-Europa daarentegen luidt een veelgehoord argument dat wolven hier niet meer horen, dat er geen ruimte voor ze is. Ze worden gezien als indringers die ongevraagd onze goed georganiseerde cultuurlandschappen binnenvallen. De terugkeer van de wolf dwingt ons ook om na te denken over onze eigen positie in de natuur. Mensen zien natuur en cultuur als twee gescheiden werelden, die elkaar niet mogen overlappen. De wolf laat ons zien dat we niet alles om ons heen kunnen controleren en voorspellen.

Het dier legt volgens Hofer nog een onderliggend punt bloot, namelijk de kloof tussen stad en de buitengebieden. ‘In Duitsland is een oude strijd opgelaaid tussen mensen op het platteland, die het gevoel hebben dat Europa niet naar hun zorgen luistert, en stedelingen, die veelal het beleid bepalen.’ Om ook op de lange termijn voldoende draagvlak voor de aanwezigheid van de wolf te creëren, is het volgens Hofer van belang dat de argumenten en zorgen van de buitengebieden serieus worden genomen. ‘De mensen hebben het gevoel dat ze niet meer zelf beslissen wat er op hun land gebeurt.’

Op de Noord-Veluwe nabij Elspeet heeft schaapsherder Daphne van Zomeren haar kudde bijeengebracht binnen een wolf - werende omheining van vrijwilligersorga - nisatie Wolf-Fencing Nederland. Vijf tot zes stroomdraden – met een spanning van minimaal 4500 volt – moeten de dieren bij het vee uit de buurt houden.

Foto van Marielle van Uitert

Om boeren te helpen hun schapen te beschermen, richtte biologiedocent Jeannet Hulshof de stichting Wolf-Fencing Nederland op. In haar oude woonboerderij aan de rand van het bos in het Groningse Midwolda, legt Hulshof uit dat de provincie Gelderland boeren subsidie geeft voor de aanleg van stroomdraden om zo hun vee veilig te houden. ‘Natuurlijk is het voor iedere schapenboer vreselijk als je schapen dood in je weiland vindt,’ zegt ze. ‘Maar de wet draagt boeren ook op om het vee dat ze houden zelf te beschermen tegen roofdieren.’

Om de wolf te ontmoedigen schapen aan te vallen, is geen metershoog ijzeren hek vereist, maar volstaan vijf of zes stroomdraden waarbij de laagste twintig centimeter boven de grond wordt geplaatst en de hoogste op 1,20 meter. Hoewel een wolf gemakkelijk daaroverheen kan springen, zal hij er in eerste instantie voor kiezen onder een draad door te gaan, aldus Hulshof. Krijgt hij hierbij een stroomstoot, dan zal hij schapen associëren met pijn en voortaan liever bij hen uit de buurt blijven.

Wolf-Fencing plaatst de hekken met een groep vrijwilligers, en tot nu toe blijkt dit ook in Nederland effectief: bij schapenhouders op de Veluwe waar wolfwerende hekken zijn geplaatst, worden door cameravallen regelmatig wolven vastgelegd, maar er heeft nog geen enkele aanval plaatsgevonden. Hulshof benadrukt dat het vooral om zwerfwolven gaat, meestal jonge dieren die op zoek zijn naar een eigen territorium en voor een schaap kiezen als snelle snack tussendoor. Om die reden is het volgens haar belangrijk dat boeren preventief hekken plaatsen om te voorkomen dat een wolf leert dat schapen een makkelijke prooi zijn en zich tot een probleemwolf ontwikkelt, zoals Geronimo.

Wolf-Fencing hoopt met het beschermen van de schapen ook het maatschappelijk draagvlak voor de wolf te vergroten. Immers, als de boeren niets meer te duchten hebben van de wolf, wie zijn dan nog zijn tegenstanders?

In Culemborg, ten zuidoosten van Utrecht, vergreep wolf GW1554m zich afgelopen voorjaar aan vijftien schapen die niet waren beschermd door een wolfwerende omheining. Dierenarts Michiel Sturkenboom van Dierenzorggroep Lek en Linge maakt zich klaar voor euthanasie van enkele zwaargewonde dieren.

Foto van Marielle van Uitert

De wolf bracht mij de afgelopen maanden in contact met wetenschappers, natuurbeschermers en idealisten. Maar één partij heb ik nog niet gesproken: de jager. Ikzelf heb een belangrijke overeenkomst met de wolf, ik ben namelijk ook een jager. Regelmatig hoor ik mijn medejagers zeggen dat roofdieren als de wolf hier niet thuishoren omdat er voor hen in ons cultuurlandschap te weinig wild voedsel zou zijn. Is dat ook zo?

‘Wolven laten de restanten van hun prooi in het veld liggen,’ zegt Cees de Jong, faunabeheerder van Staatsbosbeheer op de Veluwe. We zitten naast elkaar op onze knieën in het zand en kijken uit over een uitgestrekte zandvlakte op de Midden-Veluwe. Het is oktober en de hertenbronst is in volle gang. Het oorverdovende geluid van burlende herten, geweien die tegen elkaar slaan, jaarlingen die van een veilige afstand geschrokken maar nieuwsgierig toekijken. Als faunabeheerder is De Jong in zijn gebied verantwoordelijk voor het jaarlijkse afschot van vijfhonderd zwijnen en tweehonderd herten om het ecosysteem in evenwicht te houden. Met de komst van de wolf heeft hij er hulp bijgekregen.

Naar verwachting zullen herten en andere hoefdieren in Nederland mettertijd grotere roedels vormen om beschutting te vinden bij elkaar. Voorlopig merkt De Jong in hun gedrag nog geen veranderingen. Maar een opvallende constatering is dat de moeflon van de NoordVeluwe is verdwenen. Deze uitheemse schapensoort neemt in de bergachtige gebieden waar hij vandaan komt bij gevaar zijn toevlucht tot moeilijk begaanbare rotsen. Bij gebrek daaraan op de Veluwe vrezen experts dat de moeflons een gemakkelijke prooi zijn geweest voor de zich vestigende wolven.

Van wolvenprooien als de moeflons worden de resten verorberd door raven, zwijnen, vossen en dassen. Daar profiteert ook het bodemleven op de Veluwe van, legt De Jong uit: de mineraalarme grond neemt de voedingsstoffen dankbaar op. In tegenstelling tot veel ander jagers, ziet hij de wolf niet als een concurrent. ‘Ook al jagen we op dezelfde dieren, dit hoeft niet te betekenen dat er minder wild is.’

Het is volgens de faunabeheerder te gemakkelijk om de schuld van veranderingen af te schuiven op de wolf. Uiteindelijk zorgt de mens voor de meeste verstoring, zegt hij. ‘Kijk naar het kappen van bossen, voetgangers die zich buiten de paden begeven of laagvliegende helikopters tijdens militaire oefeningen.’

Wanneer ik uitkijk over de zandvlakte, de herten voor me zie staan en luister naar hun indrukwekkende geburl, bedenk ik me dat zij hun leefgebied nu moeten delen met een nieuwe jager. In de wereld buiten de Veluwe vinden soms hoog oplaaiende debatten plaats. Maar hier, in het domein van de wolf, is dat van geen belang. Het mythische dier heeft veel gedaanten: zoals de wetenschap hem beschrijft, zoals de boer hem ziet of zoals de idealist hem verbeeldt. Ze vinden hun oorsprong vooral in ons mensen – in onze belangen, gedachten, opvoeding en overtuigingen. Maar debat of geen debat, wolven nemen simpelweg de ruimte in die ze krijgen en passen zich aan de nieuwe omstandigheden aan.

De laatste maanden zijn mijn wandelingen over de Veluwe veranderd. Ik ben gespitst op grijsbruine schimmen tussen de bomen, tuur nieuwsgierig over de vlakten en speur de grond af op zoek naar wolvensporen. De wetenschap dat de wolf hier ronddwaalt, zijn jongen voedt en met zijn familie op herten, reeën en zwijnen jaagt, geeft mijn dwaaltochten een extra dimensie. Maar steeds wanneer ik denk er een te zien en vergeefs probeer een glimp van het dier op te vangen, weerklinken in mijn hoofd de woorden van bioloog Erwin van Maanen: ‘Een wolf moet je niet willen zien, hij ziet jou.’

Wolf en hond hebben 99,6 procent van hun DNA gemeen. In het Wolf Science Center (WSC) in het Oostenrijkse Ernstbrunn wordt onderzocht hoe de wolf zich in veertienduizend jaar tijd heeft geëvolueerd tot hond en welke eigenschappen daarbij zijn behouden. Daartoe houdt het WSC een groep honden en wolven onder dezelfde omstandigheden en voert het experimenten uit om te kijken hoe ze verschillen in samenwerking, hormoonhuishouding en gedrag. Hier dient alfawolf Kaspar een menselijk gezicht op een touchscreen aan te raken met zijn neus. Het WSC stelde onder meer vast dat wolven goed samenwerken om een probleem op te lossen als daar voedsel tegenover staat, terwijl honden wachten op hulp van de mens. Een waarschijnlijke verklaring is dat samenwerking voor wolven, anders dan voor honden, van levensbelang is.

Foto van Marielle van Uitert

Documentair fotograaf Marielle van Uitert reisde voor dit verhaal gedurende ruim een jaar door Europa. Freelance journalist Marijke Ottema schreef eerder voor National Geographic over onder meer het nut van voedselbossen (3-2020) en jagers in België en Nederland (12-2017).

Lees meer

Ontdek Nat Geo

  • Dieren
  • Milieu
  • Geschiedenis en Cultuur
  • Wetenschap
  • Reizen
  • Fotografie
  • Ruimte
  • Video

Over ons

Abonnement

  • Abonneren
  • Schrijf je in
  • Shop
  • Disney+

Volg ons

  • Gebruiksvoorwaarden
  • Privacyverklaring
  • Cookiebeleid
Copyright © 1996-2015 National Geographic Society. Copyright © 2015-2017 National Geographic Partners, LLC. Alle rechten voorbehouden.