Voor zeeschildpadden ogen weinig leefgebieden perfecter dan het kristalheldere water rondom de Enewetak-atol, middenin de Indische Oceaan. Maar schijn bedriegt. Want achter dit schildpaddenwalhalla schuilt een schokkende realiteit: de dieren bevatten radioactieve straling.
En ze zijn niet de enige. Nieuw onderzoek toont aan hoe overal ter wereld dieren de dupe zijn van onze vroegere en hedendaagse nucleaire activiteiten.
‘Laat het een waarschuwing zijn voor de mensheid,’ stelt Georg Steinhauser, atoomdeskundige aan de Technische Universiteit van Wenen. ‘De natuur vergeet niet.’
1. Zeeschildpadden in de Indische Oceaan
Na de Tweede Wereldoorlog besloot de VS het Enewetak-atol te gebruiken voor kernproeven. Tussen 1948 en 1958 werd hier maar liefst 43 keer een kernwapen tot ontploffing gebracht. Het nucleaire afval werd grotendeels opgeruimd en opgeslagen in een gigantische betonnen tombe. Maar het kwaad was al geschied.
Cyler Conrad, onderzoeker aan de Pacific Northwest National Laboratory, ziet dat zeeschildpadden rondom de atol met de gevolgen kampen. ‘Zie schildpadden als zwemmende jaarringen: in de verschillende laagjes van hun schild zit letterlijk straling opgeslagen.’
Waarschijnlijk krijgen zeeschildpadden, die wel honderd jaar oud kunnen worden, de straling binnen via de sterk vervuilde zeebodem en het eten van besmette algen en zeewier. ‘En omdat de tombe lekt, komt er nog altijd radioactief afval vrij in het gebied,’ aldus Conrad.
2. Everzwijnen in Duitsland
In het Beierse Woud, Oost-Duitsland, struinen talloze rotten (zo noem je een groep everzwijnen) radioactieve everzwijnen rond. Decennialang leek de verklaring ervan een no-brainer: de kernramp van Tsjernobyl in 1986, zo’n vijftienhonderd kilometer verderop.
Tot recent onderzoek aantoonde dat ruim zestig procent van deze besmettingen niet terug te voeren is tot de grootste kernramp in onze geschiedenis. De boosdoeners blijken ook hier decennialange kernproeven, uitgevoerd van Siberië tot aan de Stille Oceaan, waarvan wind en regen het nucleaire afval elders over de planeet verspreiden.
Hoe de wilde zwijnen in de loop er tijd besmet zijn geraakt? Door het eten van hun favoriete kostje: truffels. Die absorberen grote hoeveelheden straling uit de grond. Op de tong van de wilde zwijnen vond Steinhauser een stralingsniveau terug van vijftienduizend becquerel – veel hoger dan de Europese norm van zeshonderd becquerel per kilogram vlees.
3. Rendieren in Noorwegen
Ook andere delen van Europa kampen nog altijd met de onzichtbare gevolgen van onze nucleaire activiteiten. ‘Vooral het radioactieve cesium vormt een probleem,’ aldus Steinhauser.
Neem Noorwegen, waar het Tsjernobyl-cesium door regenbuien letterlijk uit de lucht is komen vallen. Dit radioactieve afval werd opgenomen door paddenstoelen en korstmossen en vervolgens verorberd door kuddes rendieren. In de dagen na de ramp bevatte rendiervlees soms een stralingsniveau van meer dan honderdduizend becquerel per kilogram.
Tegenwoordig is het overgrote deel van het besmette korstmos weggegraasd, waardoor de radioactiviteit bij de meeste Noorse rendieren weer onder de Europese veiligheidsnorm ligt. Maar in ‘goede’ jaren waarin wilde paddenstoelen welig tieren, zien wetenschappers meteen een piek in het stralingsniveau bij rendieren.
‘Op die manier wordt radioactief afval uit Tsjernobyl vanuit de bodem ook bijna dertig jaar later nog overgebracht op paddenstoelen, dieren en uiteindelijk mensen,’ stelt Steinhauser.
4. Makaken in Japan
Een stuk recenter dan de kernramp van Tsjernobyl is die van Fukushima, Japan, in 2011. Onderzoekers stelden vast dat het cesiumgehalte van de makaken die leven in het rampgebied sindsdien is gestegen tot wel 13.500 per kilogram. Ongekend hoog.
Evenals de Noorse everzwijnen krijgen de Japanse makaken de straling binnen via voeding. Op hun menu staan boomschors, paddenstoelen en bamboescheuten – hapjes die eveneens radioactief cesium opnemen vanuit de bodem.
Shin-Ichi Hayama, professor aan de Nippon Veterinary and Life Science University, suggereert dat de makaken die geboren zijn na de kernramp mogelijk langzamer groeien en kleinere hoofden hebben.











