In 2003 reisde ik voor het Wereld Natuur Fonds naar Kameroen, om verslag te doen van stroperij. Na uren rijden door dichtbegroeide jungle met een patrouille, stuitten we op een man met een zware juten zak op zijn hoofd. Toen hij ons zag, liet hij de zak meteen vallen. Wat eruit rolde, was een grimmige inventaris: stukken van een olifant, afgehakte apenhanden – en een klein, opgerold schubdier.

Een moment van geweld en verwarring

Op dat moment brak er een schietpartij uit met andere stropers. In de chaos kon ik me maar op één ding richten: het kleine dier. Het leefde nog. Zijn ogen knipperden snel, alsof het de dreiging begreep.

Wil je niets missen van onze verhalen? Volg National Geographic op Google Discover en zie onze verhalen vaker terug in je Google-feed!

Ik had hem onder een struik willen leggen, weg van het geweld. Maar het bevel was duidelijk: alles moest worden meegenomen als bewijs.

Een rit die ik niet vergeet

De buit – het bushmeat, inclusief het schubdier – werd op het dak van de wagen geladen. De opgepakte stroper zat achterin, naast mij. Hij droeg al maanden hetzelfde ‘geluksshirt’.

Voor wat frisse lucht hing ik half uit het raam. Terwijl we reden, drupte het bloed van de olifant op mijn arm. De omstandigheden waren rauw en ongemakkelijk, maar mijn gedachten bleven bij dat ene dier.

Bij aankomst in het dorp bleek dat het schubdier de rit niet had overleefd. Tot op de dag van vandaag blijft dat moment me bij. Ik vraag me nog steeds af wat er was gebeurd als ik toen anders had gehandeld – als ik het dier had laten gaan, tegen de instructies in. Sommige ontmoetingen in het veld laten zich niet los. Dit was er één van.

Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!