Een onverwachte koning

Op hun constante zoektocht naar voedsel volgen zo’n 1,3 miljoen gnoes elk jaar het spoor van de regen door de Serengeti en omstreken. De trek voert van de vruchtbare grasvlakten in het zuidoosten naar de bossen en savannen in het noorden.

Toen buitenlandse reizigers door de pandemie wegbleven, daalde de prijs van een safari. Dat bood Kenianen de kans om de trek in de Masai Mara te aanschouwen. ‘Het was fantastisch,’ zegt Charlie Hamilton James. ‘Veel Kenianen hebben de dieren, hun eigen erfgoed, nog nooit gezien.

Foto van Peter Gwin
Gepubliceerd 9 dec. 2021 10:37 CET

Dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd in het National Geographic Magazine, editie 12, 2021.

Het is nog maar net licht in de Masai Mara als ik gehuld in een warme olkarasha, de traditionele manteldeken van de Masai, koffiedrink met de Keniaanse gids Ekai Ekalale. We kijken naar een paar gnoes die voor onze landrover staan te grazen. Ze zijn zo dichtbij dat we ze horen kauwen. Een uur eerder hebben we een aantal leeuwinnen een buffelkalf te pakken zien nemen, dat ze even later afhandig werd gemaakt door een troep hyena’s. Het gebeurde hooguit een kilometer hiervandaan. Deze gnoes hebben het woeste gebrul van de hyena’s ongetwijfeld gehoord, maar lijken zich niet bewust van het mogelijke gevaar.

Ik vraag Ekai of hij gnoes stomme beesten vindt. ‘Geen enkel dier is stom,’ antwoordt hij. ‘Maar sommige dieren zijn slimmer dan andere.’ Toch ben ik niet de eerste die deze vraag opwerpt, zegt hij. Gnoes zijn altijd al een mysterie geweest voor de Masai en andere lokale stammen. Volgens de overlevering is de gnoe geschapen uit restjes van andere dieren. ‘Hij kreeg de kop van een wrattenzwijn, de nek van een buffel, de strepen van een zebra en de staart van een giraffe,’ vertelt Ekai. Er bestaan verschillende versies van deze mythe: in een variant heeft de gnoe de hersenen van een vlo.

Mythe of niet, het is een omschrijving die op het oog aardig klopt. De gnoe lijkt inderdaad een onhandige sul. Hij behoort tot de antilopen, al is hij lang niet zo sierlijk als de impala of zo acrobatisch als de thomsongazelle. Zijn hoorntjes en zijn kraaloogjes lijken veel te petieterig voor zijn lange kop, een effect dat nog wordt versterkt door zijn vlassige baard. Ook in zijn gestel lijken alle verhoudingen zoek, met die vlezige schouderpartij en dat schriele achterlijf, als een gewichtheffer die alleen zijn bovenlichaam heeft getraind. Geen wonder dat hij niet bepaald bekendstaat om zijn elegante pas.

En dan hebben we het nog niet eens gehad over het knullige geluid dat hij maakt, iets tussen balken en blaten in. Daaraan dankt hij zijn naam, die Afrikaanse nomaden hem hebben gegeven.

Op hun jaarlijkse trek steken majestueuze wildebeesten de rivier de Mara over, waar krokodillen onder het wateroppervlak op de loer liggen.
Foto van Federico Veronesi, Minden Pictures

Het is zo’n mal en onooglijk dier dat de Nederlandse kolonisten in Zuid-Afrika het maar hielden op ‘wildebeest’. Dus hoe kreeg de natuur het voor elkaar dit vreemde schepsel voort te brengen?

Om die vraag te beantwoorden, bel ik met Anna Estes. Ze is ecoloog aan het Amerikaanse Carleton College en werkzaam in Tanzania. ‘Ho, stop,’ zegt ze. ‘Geen kwaad woord over de gnoe, dat trekt mijn vader zich persoonlijk aan.’ Estes is de dochter van bioloog Richard Estes, die in zijn boek The Gnu’s World het levensverhaal van de gnoe heeft opgetekend en grappenmakers van repliek diende met tal van tegenargumenten. Richard deed vanaf 1962 als een van de eersten onderzoek naar het gedrag van de witbaardgnoe in de Serengeti. Anna groeide min of meer op in haar vaders gebutste landrover en zag van dichtbij hoe gnoes jongen kregen, met roofdieren voor hun leven vochten en in grote aantallen werden gedood. Richard Estes is inmiddels met pensioen, maar zijn dochter zet zijn onderzoek in de Serengeti voort.

Je moet het zo zien, zegt ze: een van de graadmeters van evolutionair succes is de omvang van een populatie. Volg je dat criterium, dan is de gnoe ineens het succesvolste grote zoogdier in de Serengeti – er lopen minstens 1,3 miljoen exemplaren rond. Ter vergelijking: van de olifant, met zijn veelgeprezen intelligentie en zijn ongeëvenaarde spierkracht, huisvest de Serengeti er maar zo’n 8500. En van de leeuw, nota bene de koning van de savanne genoemd, lopen er niet meer dan drieduizend rond.

De thomsongazelle en de zebra, elk vertegenwoordigd door een paar honderdduizend exemplaren, komen nog het dichtst in de buurt van de gnoe.

En dat succes, zegt Estes, heeft hij juist te danken aan dat rare lijf, dat over een periode van een miljoen jaar is geëvolueerd tot het perfecte vervoermiddel voor het afleggen van enorme afstanden, een lijf dat optimaal gedijt in het unieke Serengeti-ecosysteem. Omdat zijn hoorns zo klein zijn, zeker vergeleken met de joekels van de Afrikaanse buffel, hoeft hij minder gewicht te torsen en raakt hij niet zo gauw verstrikt in dicht struikgewas. Met zijn platte snuit kan hij grazen als een maaimachine. Zijn taps toelopende achterkant stelt hem in staat heel efficiënt te lopen, en doordat zijn enkels veerkrachtig zijn als een springstok, bespaart hij veel energie tijdens zijn lange omzwervingen. Ondanks zijn klunzige uiterlijk haalt hij met gemak snelheden tot tachtig kilometer per uur en is hij hyena’s en leeuwen te snel af. Daarnaast is hij een vakkundig weerman: hij ‘voorspelt’ feilloos waar het gaat regenen en voelt verder goed aan welke kant hij op moet lopen om vers gras te vinden.

Hoe de Serengeti profiteert van een miljoen kilo aan dode gnoes

Maar de knapste aanpassing van de gnoe is toch wel zijn strategie om de volgende generatie ter wereld te brengen. Vanaf eind januari verzamelen kudden zich op de vlakten waar Charlie en ik overheen vlogen, wanneer het gras nog sappig groen is door regen en voedingsstoffen uit de vulkanische aarde. Anders dan veel andere antilopen verbergt de gnoe zijn kroost niet, en de vrouwtjes werpen hun jongen vrijwel tegelijk, in het open veld. In drie weken tijd komen zo’n vijfhonderdduizend gnoekalfjes ter wereld, ongeveer 24.000 per dag. Zeven minuten nadat het is geboren, staat zo’n jonkie al op zijn poten. En binnen 24 uur is hij in staat met zijn moeder mee te lopen.

Leeuwen, hyena’s en andere roofdieren vertonen zich graag op dit jaarlijkse feestmaal. Maar ze verschalken lang niet alle kleintjes. Bovendien zijn de dieren die overleven binnen een paar weken alweer op weg naar hun volgende bestemming, in een kudde die een derde groter is dan voor de geboortegolf.

Nadat ik Anna Estes heb gesproken, ga ik op zoek naar meer voorbeelden van gnoeslimmigheden. Zo ontdek ik dat de vrouwtjes hun jongen altijd midden op de dag werpen. Dat lijkt op het eerste gezicht onveilig, maar is eigenlijk heel verstandig als je weet dat leeuwen en hyena’s vooral in het donker jagen. Daarnaast hebben gnoes geurklieren in hun hoeven die een hormoonspoor achterlaten, waardoor een kudde makkelijker haar weg vindt.

Dan stuit ik op een voorbeeld dat me doet denken aan het mysterie dat ik met Charlie vanuit het vliegtuig heb aanschouwd, met die ene gnoe die tegen de stroom inging. Moeders die hun jong uit het oog verliezen, lopen terug naar het eind van de kudde, waar ook verdwaalde kalfjes instinctief naartoe gaan.

Voor mijn vertrek naar de Serengeti las ik over een jonge ecoloog dankzij wie de wetenschap voorgoed anders naar de gnoe zou kijken. Tony Sinclair groeide op in Tanzania, studeerde zoölogie in Oxford en legde zich daarna ruim tien jaar toe op het tellen van dierenpopulaties in de Serengeti. In april 1982 nam hij op een congres van natuurbeschermers in het Zuid-Afrikaanse Pretoria plaats achter het spreekgestoelte met opzienbarend nieuws: hij had met zijn collega Mike Norton-Griffiths de grootste hoefdierenpopulatie geteld die ooit in kaart was gebracht.

Verloren gnoekalfje ziet auto voor moeder aan

Dat ze de omvang van zo’n grote rondtrekkende kudde nauwkeurig wisten te berekenen, zonder gebruik te maken van satellieten en andere moderne technologie, was al indrukwekkend genoeg. Maar dat uitgerekend de gnoepopulatie inzichtelijk was gemaakt, leidde in wetenschappelijke kringen tot nog meer bewondering.

Sinds het einde van de negentiende eeuw was het aantal gnoes sterk teruggelopen door uitbraken van runderpest. Die ziekte wordt veroorzaakt door een virus dat voor de mens onschadelijk is, maar fataal kan zijn voor koeien en hun in het wild levende familieleden, zoals de Afrikaanse buffel en de gnoe.

Begin jaren zestig kwam er eindelijk een vaccin op de markt en werden uitbraken onder veestapels bedwongen, waardoor ook de gnoe zich razendsnel herstelde. Voor de komst van het vaccin waren er ongeveer 260.000 gnoes in de Serengeti, maar in slechts zeventien jaar, van 1961 tot 1977, vervijfvoudigde de populatie tot ongeveer 1,4 miljoen. Sinclair laat me een zwart-witfoto zien die hij tijdens een van zijn telvluchten maakte. Het hele landschap, zo ver je kunt kijken, is bedekt met een onwaarschijnlijk grote hoeveelheid gnoes.

Maar in Pretoria bleken collega-wetenschappers zijn enthousiasme niet te delen. ‘Mensen zeiden: ‘Zoiets onverantwoords heb ik nog nooit gehoord,’’ vertelt hij als we elkaar spreken via Zoom. ‘We zouden de helft van de populatie moeten ruimen.’

Die mening waren veel wetenschappers toegedaan, zegt Sinclair, en niet alleen in Afrika. De heersende gedachte was dat de populaties wilde dieren in evenwicht moesten worden gehouden. ‘Er moest op de rem worden getrapt,’ zegt hij. ‘Anders zou het gierend uit de klauwen lopen en zouden de dieren de natuur verwoesten.

Sinclair dacht daar het zijne van. ‘Ik besloot op zoek te gaan naar bewijs dat het tegendeel aantoonde.’

Een horde gnoes die door het stoffige heuvellandschap stormt.

Foto van Charlie Hamilton James, National Geographic

Met een aantal collega’s keerde hij terug naar de Serengeti en stelde in de jaren die volgden vast dat er onmiskenbaar veranderingen hadden plaatsgevonden. Ten eerste steeg het aantal roofdieren. Dat was geen verrassing: als er meer prooidieren zijn, valt er voor leeuwen, hyena’s en luipaarden meer te eten. Maar Norton-Griffiths constateerde ook dat er minder branden uitbraken. Dat moest het gevolg zijn van de grotere gnoekudde die het gras korter hield. Door minder en kortere branden kregen bomen meer kans om te groeien. Hele gebieden die bijna een eeuw lang grasland waren geweest, veranderden nu in bossen.

Die bossen trokken insecten en vogels aan, en bladerenetende dieren als giraffen en olifanten. En grotere aantallen gnoes produceerden meer mest, waardoor de bodem vruchtbaarder werd en er meer gras groeide waar gnoes en andere dieren van leefden. De olifantenpopulatie nam sterk toe.

Sinclair stelde vast dat de Serengeti bloeide als nooit tevoren. En dat begon allemaal bij die eenvoudige gnoe. Destijds was ‘sleutelsoort’, een diersoort dat van groot belang is voor de gezondheid van een ecosysteem, nog een vrij nieuw begrip. Alleen enkele roofdieren waren als zodanig aangemerkt. Maar in de Serengeti bleek niet de leeuw koning te zijn, maar juist zijn prooi.

Het klinkt misschien vreemd, zegt Sinclair, maar ‘de Serengeti zoals wij die kennen zou zonder de gnoe niet hebben bestaan’.

“Maar in de Serengeti bleek niet de leeuw koning te zijn, maar juist zijn prooi.”

Als ik door het gebied rijd, ook als er geen gnoe te bekennen is, valt mijn oog geregeld op sporen die hij heeft nagelaten: hoopjes verbleekte ribben, losse wervels, albasten beenderen van de poten, te herkennen aan de schedel met de typische hoorntjes die erbij ligt.

Ik heb me laten vertellen dat een van Sinclairs protegés, Grant Hopcraft, ecoloog aan de University of Glasgow, onderzoek doet naar de resten van gnoes, een soort CSI: Serengeti. Ik besluit hem maar eens te bellen.

Ik was ervan uitgegaan dat dode gnoes meestal het werk zijn van hongerige roofdieren. Maar dat klopt niet, zegt Hopcraft. ‘Mensen denken vaak dat leeuwen, hyena’s of krokodillen de dood van gnoes op hun geweten hebben,’ zegt hij. ‘Maar roofdieren veroorzaken hooguit 25 tot dertig procent van de sterfte onder volwassen gnoes.’ Doodsoorzaak nummer één is honger.

Hopcraft onderzoekt met zijn team de botten van gnoes, vooral de grote dijbeenderen in de achterpoten. ‘We bekijken onder meer het beenmerg,’ zegt hij. Hij legt uit dat daar de laatste vetreserves worden aangetroffen.

Indien er weinig van wordt gevonden, weet Hopcraft dat het dier alle energie uit het onderhuidse vet, het vet rond de organen en soms zelfs uit het spierweefsel heeft verbruikt, om uiteindelijk het noodrantsoen in zijn botten aan te spreken. In dat stadium ‘zijn de dieren, zoals wij dat noemen, een karkas met een hartslag’, zegt hij. Een roofdier mag dan de genadeklap hebben toegebracht, maar dat was alleen mogelijk doordat de prooi zo sterk was verzwakt door honger.

Hopcraft analyseert met zijn team ook haren uit de staart van gnoes. Een dertig centimeter lange haar vertelt het verhaal van de laatste anderhalf jaar uit het leven van een dier. De onderzoekers snijden een haar in stukjes van twee weken en halen een schat aan informatie uit de isotopen en hormonen die erin zitten. ‘Het is alsof het dier een dagboek bijhoudt,’ zegt Hopcraft. ‘‘Ik ben drachtig. Ik heb honger. Ik heb stress. Ik heb hier gegeten. Ik heb dit gegeten.’ Al die informatie krijg je.’.

Een aantal gieren doet zich tegoed aan een gnoe. Deze ecologische vuilnismannen ruimen dode dieren sneller op dan andere aaseters, wat de verspreiding van ziekten onder mensen en andere dieren beperkt. Rondtrekkende kudden worden omgeven door miljarden vliegen. Ze leven van kadavers en leggen er hun eitjes in.

Foto van National Geographic

En wat onthullen die gnoedagboeken? Vooral dat de dieren permanent rammelen van de honger, zeker de vrouwtjes. ‘Een vrouwtje verkeert bijna haar hele leven op het randje van de hongerdood,’ zegt Hopcraft. ‘En dat komt doordat ze continu bezig is met de voortplanting.’

Hij legt uit dat de vrouwtjes het hele jaar door óf drachtig zijn óf een kalf zogen. En gedurende vier maanden, tijdens de trek van juni tot september, zelfs allebei tegelijk. Dat vergt ongelooflijk veel energie. ‘Daardoor zijn ze maar met één ding bezig: zo veel mogelijk en zo voedzaam mogelijk gras binnenkrijgen, totdat het op is.’ En vervolgens moeten ze inschatten waar het gaat regenen, een kilometer of zes lopen naar de volgende graasplek en daar eten wat er te eten valt – in een concurrentieslag met de miljoen andere gnoes die precies hetzelfde doen. ‘Dat is de motor achter de gnoetrek.

Met de gnoe in gedachten die Charlie twee keer achter elkaar de levensgevaarlijke oversteek door de Mara had zien maken, vraag ik Hopcraft of honger de reden kan zijn geweest van de wanhoopsdaad van het dier. ‘Zeker,’ zegt hij. ‘Hun gedrag wordt mede bepaald door de angst voor roofdieren, maar honger is hun belangrijkste drijfveer.’

Jaren geleden ging ik eens mee op een goedkope safari vanuit Nairobi. Binnen een uur stonden we midden in een kudde gnoes, met de skyline van de stad nog op de achtergrond. We hoorden hun constante geknor en roken de indringende geur van gnoemest. De gids vertelde dat deze kudde van zo’n twintigduizend dieren naar de aangrenzende Athi-Kapitivlakte zou trekken om later weer terug te keren. Het was een miniatuurversie van de grote trek door de Serengeti en de Masai Mara.

Als ik mijn verhaal aan Joseph Ogutu vertel, knikt hij mismoedig. Het is al laat in Nairobi wanneer ik hem spreek via Zoom, en hij schuift zijn bril omhoog om de vermoeidheid uit zijn ogen te wrijven. Ogutu, geboren en getogen in het westen van Kenia, is statisticus aan de Universiteit van Hohenheim in Stuttgart. Zijn specialiteit: wilde dieren in Kenia tellen en in kaart brengen hoe de populaties zich in de loop der jaren ontwikkelen.

“Het is net alsof het dier een dagboek bijhoudt. 'Ik ben drachtig. Ik heb Honger. Ik heb stress. Ik heb hier gegeten. Ik heb dit gegeten.' ”

door Ecoloog Grant Hopcraft

Het verhaal van de kudde van de Athi-Kaputi kent hij maar al te goed. Kort na de eeuwwisseling begon hij aan zijn project om de Keniaanse overheidsgegevens over de gnoe te herstructureren. ‘De overheid had goed werk verricht,’ zegt hij. Maar de gegevens werden bewaard op oude computers, floppydisks, harde schijven en in dossierkasten waarvan de sleutels zoek waren.

Toen hij uiteindelijk alle informatie bijeen had gebracht, zag hij de contouren van een alarmerende boodschap: de trek was een stille dood gestorven. De kudde was van zo’n dertigduizend dieren halverwege de jaren zeventig geslonken tot nog geen drieduizend in 2014. De oorzaken waren terug te voeren op verschillende veranderingen waaraan de mens schuldig was geweest, zoals de onstuimige groei van Nairobi, het toenemende aantal omheiningen rond boerderijen en de uitbreiding van het spoornetwerk. De gnoes werden hierdoor dusdanig in hun bewegingsvrijheid beperkt dat ze niet langer genoeg gras konden vinden om de populatie op peil te houden. De dieren die wel wisten te overleven, hadden de trek maar helemaal opgegeven.

Inmiddels wordt ook de migratie in de Masai Mara door dit soort obstakels bemoeilijkt, zegt Ogutu. Er komen steeds meer schaapsen geitenkudden, meer hekken in Masaidorpen, en boeren gebruiken steeds meer water. Daarbij neemt het aantal gnoes dat naar Kenia trekt steeds verder af, zegt Ogutu. ‘En de dieren die nog wel komen, blijven vaak anderhalve maand per jaar korter dan voorheen.’

Wanneer ze helemaal wegblijven, zal dat dramatische gevolgen hebben voor het ecosysteem. En ook voor de Keniaanse economie, want het spektakel in de Masai Mara trekt jaarlijks duizenden toeristen.

Ik vraag Ogutu of het tij nog te keren is. ‘De gegevens die ik onder ogen heb gezien en de prognoses voor de toekomst geven weinig aanleiding tot optimisme,’ zegt hij. ‘Tenzij we grond voor de gnoes kunnen reserveren en die voor eeuwig weten te beschermen.'

Tijdens hun trek door het Nationaal Park Masai Mara springen blauwe gnoes (Connochaetes taurinus) in de rivier de Mara.
Foto van Suzie Eszterhas, National Geographic

Op een van mijn laatste dagen in de Masai Mara rijd ik met Charlie en Ekai over de savanne. Plotseling zien we een jonge gnoe moederziel alleen over de weg rennen. Hij lijkt niet achterna te worden gezeten, maar gaat er in z’n eentje als een haas vandoor – vrij uitzonderlijk gedrag voor een gnoe. We halen hem bij en blijven een tijdje naast hem rijden. De gnoe negeert ons volledig en blijft met zijn kraaloogjes strak vooruitkijken. Waar gaat dit beestje naartoe? En wat gaat er in dat koppie om? Terwijl we het dier volgen, krijg ik de gedachte dat het slecht met hem zal aflopen maar niet uit mijn hoofd. Of dat klopt? Daar kan ik nu alleen naar gissen.

Peter Gwin werkt al sinds 2003 voor het Magazine en is medepresentator van de podcast Overheard at National Geographic.

Dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd in het National Geographic Magazine, editie 12, 2021.

Lees meer

Dit vindt u misschien ook interessant

Dieren
Pandagekte: een korte geschiedenis
Dieren
Hello, Goodbye: dieren op Schiphol
Dieren
Waarom hebben deze apen een groot kleurig achterste?
Dieren
Nog nooit zagen we de kop van een tyrannosaurus zo goed
Dieren
Hackende stropers: de gevaren van het tracken van wildlife

Ontdek Nat Geo

  • Dieren
  • Milieu
  • Geschiedenis en Cultuur
  • Wetenschap
  • Reizen
  • Fotografie
  • Ruimte
  • Video

Over ons

Abonnement

  • Abonneren
  • Schrijf je in
  • Shop
  • Disney+

Volg ons

Copyright © 1996-2015 National Geographic Society. Copyright © 2015-2021 National Geographic Partners, LLC. Alle rechten voorbehouden.