Een succes dat knaagt

De uitgestorven bever keerde met hulp van de mens terug in de lage landen. Nu voelt hij zich hier zo thuis dat hij ons voor nieuwe uitdagingen stelt.

In de vroege avond kruipt een bever een oever in de Ooijpolder op om verder te eten aan een recent aangeknaagde wilg. Beverterritoria hebben zich de laatste tijd sterk uitgebreid. Met zijn familie leeft dit exemplaar op zo’n tien meter van enkele dijkwoningen, vlak bij het drukke centrum van Nijmegen.

Foto van Edwin Giesbers
Gepubliceerd 6 okt. 2021 10:36 CEST

Dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd in National Geographic Magazine, editie 10, 2021.

Het was de zomer van 1991. Ik was bijna zes en met mijn ouders op kampeervakantie in Zweden. 

In een Canadese kano peddelden we over het meer, de Övre Gla, en we sliepen op onbewoonde eilandjes. Vooral de avonden waren onvergetelijk. Dan mocht ik, in oranje zwemvest, voor in de kano zitten en gingen we op beversafari. Eén keer zagen we een bever, vanuit de verte. Hij leek nog het meest op een drijvend stuk hout. Misschien was het de spanning van laat opblijven, of de gouden glans van de late avondzon, maar die ene vluchtige ontmoeting voelde magisch.

Ook in Nederland hadden we bevers, vertelde mijn moeder terwijl we terugpeddelden. Een paar jaar eerder, in 1988, waren er 42 uitgezet in de Biesbosch, waarmee er voor het eerst in ruim 160 jaar weer bevers leefden in het land. ‘Misschien kunnen we er eens gaan kijken,’ opperde mijn vader. Aan het einde van de vakantie kreeg ik een sleutelhanger in de vorm van een bever.

Van de beversafari in de Biesbosch is het nooit gekomen. De enige bever die ik in die jaren zag, bevond zich in het natuurhistorisch museum Natura Docet in Denekamp. ‘De laatste bever van Nederland’ was daar opgezet – grijs en mottig, in 1826 doodgeknuppeld bij het dorp Zalk.

Een bever heeft een bijzonder dichte vacht waarmee hij ook onder water warm blijft. Voor de verzorging ervan gaat hij op een oeverrand zitten, zoals hier in de Ooijpolder. Voor dat doel heeft hij aan elke achterpoot een dubbele nagel die hij gebruikt als kam.

Foto van Edwin Giesbers

Bevers waren vroeger geliefd om hun dichte vacht, die tot 23.000 haren per vierkante centimeter heeft. Ook werden ze gegeten. Katholieken mochten op vrijdag alleen vis eten – én bevers, want die hadden schubben op hun staart. Door de jacht werd Castor fiber vanaf de Middeleeuwen steeds zeldzamer in Nederland, tot in 1826 ook die allerlaatste bever zijn laatste adem uitblies.

uim anderhalve eeuw later vroegen natuurbeschermers zich af: zou een soort die zo thuishoorde in het waterrijke Nederland niet kunnen terugkeren? Er was al ervaring opgedaan met herintroductie van het wild zwijn, de ooievaar en de raaf. Ook de bever zou een verrijking zijn.

's Zomers slapen bevers – hier een volwassen dier met ouder jong in de Ooijpolder – vaak bovengronds in een leger, meestal een plek langs een oever met wat vegetatie en houtsnippers.

Foto van Edwin Giesbers

Dertig jaar na de kanotocht in Zweden hangt de beversleutelhanger die ik kreeg nog altijd aan mijn sleutelbos. Ik frunnik eraan wanneer ik op een zonnige zomeravond in een jeep over een hobbelige weg in de Ardennen rijd. Naast me zit natuurgids Jorn Van Den Bogaert, voorzitter van de Beverwerkgroep, vrijwilligers die de verspreiding van bevers in kaart brengen. We zijn op weg naar het beverreservaat bij Chabrehez, dat Van Den Bogaert en andere leden van de werkgroep in 2014 met crowdfunding aankochten.

Inmiddels is de bever niet langer een zeldzame soort, vertelt hij. Integendeel. In Nederland is de populatie gegroeid tot ruim 3500 exemplaren, aldus de laatste schattingen van de Zoogdiervereniging (2019). De bever kwam… en voelde zich thuis. Genoeg bomen, genoeg water. Vanuit de Biesbosch, en later ook Limburg, verspreidde hij zich over een groot deel van Nederland. In alle provincies hebben zich bevers gevestigd, behalve in Noord-Holland (al is hij ook daar gezien). Vooral in het waterrijke zuiden lopen de aantallen snel op: via de waterlopen verspreiden ze zich over het land, op zoek naar geschikte territoria.

Ook in België gedijt de soort goed. Eind jaren negentig werden er 101 bevers uitgezet in de Ardennen. In de Dijlevallei bij Leuven volgden er in 2003 nog eens twintig. Ook kwamen dieren op eigen houtje vanuit Duitsland aanzwemmen. ‘Inmiddels leven er in Wallonië zo’n tweeduizend bevers, in Vlaanderen 450,’ zegt Van Den Bogaert. ‘In totaal zijn er in België nu tweemaal zo veel als er 120 jaar geleden in heel Europa waren.’

Maar nu de bever oprukt, klinkt ook kritiek: hij zou oevers ondergraven, dijken verzwakken, voor wateroverlast zorgen. De bever, binnengehaald als verloren held, lijkt van zijn voetstuk te vallen. Soms wordt hij zelfs afgeschoten, ondanks zijn beschermde Europese status. Om te achterhalen hoe die kentering kon ontstaan, besloot ik tot een hernieuwde ontmoeting met mijn bijzondere jeugdliefde. Een beverbedevaart langs vier van zijn leefgebieden: de Ardennen, Zuid-Limburg, de Ooijpolder en uiteraard de Biesbosch.

Bevers eten onder meer bast van bomen, het liefst van zachte soorten als wilgen (foto) en populieren. Zijn de bomen eenmaal omgevallen, dan nemen de dieren ook grotere takken mee ter versteviging van hun burcht. Deze bever in de Ooijpolder doet zich te goed aan een wilg.

Foto van Edwin Giesbers

'Vorige maand nog hingen er twee bevers opgeknoopt aan een verkeersbord in Houffalize. Eerst doodgeschoten, toen opgehangen. Een signaal van de antibeverlobby.’ Van Den Bogaert schudt moedeloos het hoofd. Felle tegenstanders bevinden zich vooral onder jagers, bosbouwers en boeren. Met hun knaagwerkzaamheden kunnen bevers de inrichting van een gebied immers ingrijpend veranderen. Dat zorgt zowel in België als in Nederland voor frustratie, bijvoorbeeld bij boeren die hun weiland verliezen aan de bevers.

Ik kweek hier gras voor mijn koeien, maar sinds april zetten die drie bevers mijn land onder water,’ aldus André Van Tendeloo in de Vlaamse krant Het Nieuwsblad. De Nederlandse boer Thijs Jan Ebels vertelde aan het Dagblad van het Noorden: ‘Toen ik met een combine bij een sloot over een burcht reed, zakte die helemaal scheef. Het scheelde een haar of de machine was gekanteld.’

ok tuinders ondervinden hinder. De biologische fruitteler Paul Wolters uit Vlodrop (Nederlands-Limburg) vertelt me hoe hij door de jaren heen al honderden fruitbomen heeft verloren aan knaagschade. ‘De kosten worden vergoed door het Faunafonds, maar dat lost het probleem niet op. Ze hadden hierover vóór de herintroductie beter moeten nadenken. Nu hebben we zelf maar schrikdraad geïnstalleerd, dat lijkt wel te helpen.’

Van Den Bogaert ziet in bevers juist een aanwinst. ‘Niet voor niets worden ze ecosysteem-ingenieurs genoemd: ze veranderen de dynamiek van het landschap ingrijpend. Door hun knaag- en bouwwerkzaamheden creëren ze open plekken en waterpoeltjes, die als paaiplaats voor vissen dienen en amfibieën aantrekken. Daardoor doet de zeldzame zwarte ooievaar het hier goed.’

et beverreservaat bij Chabrehez is een bloemrijk, drassig veld omzoomd door bos. We beklimmen via een wankele ladder de uitkijktoren. Die is gemaakt van houten palen, maar loopt volgens Van Den Bogaert niet het risico te worden omgeknaagd – de bevers zullen vers en zacht hout, zoals wilgen, verkiezen boven deze stellage.

Slechts een halve kilometer vanaf zijn woning in Chabrehez, in de Ardennen, beheert natuurgids Jorn Van Den Bogaert een gebied waar al sinds 2003 een beverfamilie woont. Via een uitkijktoren kan hij prima ‘zijn’ bevers in het beverreservaat observeren.

Foto van Edwin Giesbers

De bever is het grootste knaagdier van Europa: ruim een meter lang inclusief de imposante staart, die bij het zwemmen als roer dient. Frequent knagen móét, anders groeien zijn tanden genadeloos door, waardoor hij op den duur niets meer kan eten. Door het ijzerhoudende glazuur zijn bevertanden uitzonderlijk sterk. Bevers gebruiken de bomen die ze ermee vellen deels als voedsel: ze zijn dol op de verse takken en de bast. Maar diezelfde bomen voeren ze via het water aan als bouwmateriaal voor burchten en dammen.

In elke burcht woont één beverfamilie: vader, moeder en twee of drie jongen. Een jaar later helpen de jonkies de eerste weken mee met de verzorging van het nieuwe kroost. ‘Na twee, drie jaar moeten ze op zoek naar een eigen stek; bevers dulden geen soortgenoten in hun burcht.’ Van Den Bogaert wijst naar een opeenstapeling van hout, aan de rand van het reservaat. ‘Die oude burcht is door de bevers net weer in ere hersteld, om woonplek te creëren voor de jongen die het huis uit moeten.’ De meeste bevers worden rond de vijftien jaar oud; een paartje blijft levenslang samen.

De ingang van de burcht ligt voor de veiligheid altijd onder water. Zo kunnen roofdieren geen jonge bevers doden. Om de waterstand hoog genoeg te krijgen, minstens een halve meter, kan het bouwen van een dam uitkomst bieden. ‘In een gebied met veel snelstromend water vind je over het algemeen veel dammen,’ zegt Van Den Bogaert. ‘In de Ardennen hadden we een tijdlang een van de langste van Europa.’ Een bever kan vijftien minuten onder water blijven zonder te ademen. Een huidflap zorgt ervoor dat hij onder water kan knagen zonder water binnen te krijgen. Modder om de dam te versterken wordt getransporteerd tussen voorpoten en kin.

 

Beverkenner en muskusrattenvanger Kees Schep van Waterschap Rivierenland ruikt aan een hoopje vegetatie en modder met castoreum, of ‘bevergeil’, een door bevers uitgescheiden geurstof. Met zulk onderzoek wil de provincie Gelderland een inschatting maken van het aantal beverfamilies in een gebied.

Foto van Edwin Giesbers

Van Den Bogaert vertelt over een huis in de buurt dat niet was aangesloten op de riolering. Het afvalwater kwam in een beek waar bevers woonden. ‘Die hebben de afvoer afgesloten met modder, zodat de bewoners in hun eigen rioolwater waadden.’

We klimmen uit de uitkijkpost en lopen tussen boterbloemen en distels naar een van de poelen. Het begint te schemeren. Weldra zullen de bevers ontwaken, zegt Van Den Bogaert, terwijl hij de infraroodkijker aan zijn oog zet. Turend door de lange, telescoopachtige kijker oogt hij als de kapitein uit een avonturenfilm. ‘Daar! Ik zie wat zwemmen!’ Ik zie alleen rimpelingen. ‘Van deze afstand is moeilijk te zien of het niet een muskusrat is. Die heeft een minder ronde kop.’ Even later is hij zeker: een jonge bever. Hij geeft me zijn kijker, maar het dier is uit beeld verdwenen.

De rest van de avond rijden we langs diverse stroompjes. Overal zien we imposante burchten, maar de bewoners houden zich vakkundig schuil. ‘Vanwege de hitte,’ vermoedt Van Den Bogaert.

Hoe bevers het landschap kunnen veranderen, is ook goed zichtbaar in het dal van de Hemelbeek, bij het Zuid-Limburgse Bunderbos. Hettie Meertens van ARK Natuurontwikkeling wijst naar het waterrijke gebied voor ons. ‘Tot een jaar of dertig geleden was het hier één rechte sloot,’ vertelt ze. In de jaren negentig besloot het waterschap de waterloop te laten meanderen.

Gerard Gerrits van Waterschap Rivierenland maakt de beaver deceiver bij Groesbeek schoon. Deze vinding uit Canada (waar volop bevers voorkomen) bestaat uit een meterslange buis die door de beverdam steekt, zodat het water kan blijven stromen. Hierdoor blijft het waterpeil voor de bever hoog genoeg en ontstaat er ook geen wateroverlast in de omgeving.

Foto van Edwin Giesbers

Het water ging langzamer stromen en het gebied werd aantrekkelijk voor bevers. Door de dammen die ze bouwden, is het hele dal weer zompig geworden. Zoals het was vóór de mens ingreep.’

Ook over de grens in België is de Maasvallei de afgelopen decennia natuurlijker geworden dankzij de bevers. De beverdammen zorgen voor filtering van het water, en voor meer biodiversiteit dankzij de poeltjes met stilstaand water. ’s Winters houden bevers het ijs open voor andere dieren, waaronder de ijsvogel.

De eerste bevers kwamen naar Limburg in de jaren negentig, vanuit de Eifel. ‘Ze zwommen via de Roer naar de Maas,’ zegt Meertens. Rond die tijd werden er ook 33 uitgezet in Noord- en Midden-Limburg, om de genetische diversiteit in Nederland te vergroten. De Biesbosch-populatie groeide gestaag, maar zou zonder aanwas van elders niet toekomstbestendig zijn. Inmiddels is Limburg, met zo’n 1100 individuen, Nederlands beverrijkste provincie. Niet iedereen is daar blij mee. Alleen al in Limburg bedraagt de financiële schade honderdduizenden euro’s per jaar.

In Nederland spelen de waterschappen een voortrekkersrol in het ‘bevermanagement’: zij stellen per provincie protocollen op. Op basis daarvan maken de provinciale faunabeheer-eenheden een meerjarenplan. In Vlaanderen is in 2015 een soortbeschermingsprogramma voor de bever opgesteld, waarin is opgenomen dat waterbeheerders op eigen gezag mogen ingrijpen bij beveroverlast.

Waterschap Limburg bekijkt per situatie wat er kan worden gedaan,’ zegt Meertens. ‘Sommige boeren willen de oeverzone van hun land wel verkopen aan natuurorganisaties. En soms wordt de dam verlaagd.’ Maar in gebieden met intensieve landbouw is dat niet altijd afdoende. ‘Het verhuizen van bevers naar een ander territorium is geen optie, ze dulden geen andere families in de buurt. Alle geschikte territoria in Limburg zitten al vol.’ De omvang van een territorium varieert afhankelijk van het beschikbare voedsel: soms hebben ze aan honderd meter oever genoeg, soms gaat het om meer dan een kilometer.

Elders worden de Limburgse bevers ook niet met open armen ontvangen: in 2018 wilden Britse natuurorganisaties enkele dieren hebben, maar dat plan werd afgeblazen, omdat de parasitaire vossenlintworm voorkomt in Limburg – soms ook bij bevers. En dus is sinds eind 2017 in Limburg afschot van bevers als laatste redmiddel toegestaan. Begin 2018 werden de eerste geschoten. ‘Alleen individuele gevallen,’ zegt Meertens.

Nadat de bever in 1826 in Nederland was uitgestorven, werden er in 1988 weer 42 uitgezet in de Biesbosch. Tegenwoordig organiseert het Biesbosch MuseumEiland bevertochten met een fluisterboot in de avonduren, wanneer de kans op het zien van de schemeractieve dieren het grootst is.

Foto van Edwin Giesbers

Een paar weken later ben ik bij de Waal in Gelderland. Ook hier is de soort talrijk, vertelt muskusrattenvanger Kees Schep van Waterschap Rivierenland. Ziet hij onderweg verse beversporen en nieuwe burchten, dan geeft hij dat door aan de Zoogdiervereniging. Schep is blij met de bevers, juist omdat ze voor afwisseling in het landschap zorgen. ‘Maar bij de dijken zorgen ze soms voor problemen. Als het hoogwater is, klimmen ze eerst in een boom, maar algauw verplaatsen ze zich dan naar een dijk. Ze graven een rustkuil aan de oppervlakte, vergelijkbaar met een hazenleger, of een tunnel ín de dijk. Die verzwakt dan behoorlijk.’ Daarom worden bij hoogwater ’s nachts nu beverpatrouilles gehouden: met een infraroodcamera kijken dijkwachters of er dierlijke activiteit bij de dijken is.

Overdag let Schep vooral op beversporen, zoals hoopjes vegetatie en modder, besprenkeld met castoreum, oftewel ‘bevergeil’ – een vloeistof die bevers afscheiden uit een klier bij hun anus om hun territorium af te bakenen. ‘En verder zijn er natuurlijk vraatsporen en uitwerpselen. De keutels van een bever zien eruit als dennenappeltjes van samengeperst hout.’ 

‘Beverbitterballen’ noemt Elze Polman ze. Als projectleider bij de Zoogdiervereniging werkt ze nauw samen met vrijwilligers die monitoring doen. We treffen elkaar ten zuiden van de Waal, aan de westrand van de Ooijpolder. Dan komt ook enne Ticheler aanlopen. Als coördinator bevermanagement van Waterschap Rivierenland is hij onder meer betrokken bij het beverprotocol voor de provincie Gelderland. Bij ernstige bedreiging van de openbare veiligheid – zoals ondergraven paden of afgedamde watergangen – mag bijvoorbeeld begroeiing worden verwijderd om de plek minder aantrekkelijk te maken. ‘Sinds kort is ook in Gelderland afschot toegestaan, maar daar hebben we nog geen gebruik van gemaakt,’ aldus Ticheler. ‘Sowieso moet je dan ook wat aan het territorium doen, want anders zit er in een mum van tijd een ander paartje.’

Daarnaast worden soms dammen verwijderd. Bij Overasselt, ten zuidwesten van Nijmegen, gebeurt dat zelfs tweemaal per week, zegt Ticheler. ‘Die dam zorgt voor een te grote stijging van het waterpeil in het achterliggende gebied. Maar de bevers bouwen hem in één nacht terug.’ Ook verwijderde het waterschap ooit een dam omdat die een hindernis vormde voor vissen. ‘Aangezien we veel geld investeren in vispassages, is het zuur als die vervolgens geblokkeerd worden…’

Waar mogelijk wordt gekeken naar oplossingen waarbij de dammen intact blijven. Ticheler vertelt over de beaver deceiver bij Groesbeek. ‘Dat is een buis die je in de dam verwerkt, zodat het water nooit te hoog komt te staan. Het is wel zaak om de uiteinden van de buis af te dichten met gaas, want anders stopt de bever ze alsnog vol met modder om het lek te dichten.’ Binnenkort komen er twee beaver deceivers bij Ubbergen. ‘Daar zorgde een beverdam ervoor dat het fietspad langs de Rijksweg blank kwam te staan.’

In het museum zijn de bezoekers vaak vooral onder de indruk van het formaat van de bever. Inmiddels is de populatie in Nationaal Park De Biesbosch gegroeid tot zo’n driehonderd exemplaren.

Foto van Edwin Giesbers

De Zoogdiervereniging was dit jaar een van de oprichters van het Kenniscentrum Bever. ‘Zo willen we kennis uitwisselen over hoe we duurzaam met de bever kunnen samenleven,’ vertelt Polman. Zo’n gedegen langetermijnvisie ontbreekt nu, zegt hij. ‘Dus is het belangrijk om het effect van maatregelen te monitoren.’ De eerste jaren na de beverherintroductie was de aandacht niet zo gevestigd op de gevolgen van de terugkeer, zegt ze. Het succesgevoel overheerste, omdat het was gelukt een in Nederland uitgestorven soort terug te brengen. ‘Misschien onderschatte iedereen hoe snel de opmars van de bever zou gaan.’

Ik denk aan wat Van Den Bogaert me vertelde: dat Nederlanders veel vooruitstrevender zijn in het herintroduceren van soorten dan Vlamingen. ‘Walen zijn er al helemaal niet happig op. Ze vinden dat soorten vanzelf moeten terugkomen, ook als de mens voor uitroeiing heeft gezorgd.’

In Nederland en België zijn we nog aan het uitvogelen hoe we duurzaam met bevers kunnen samenleven. Maar hoe zit dat in Duitsland, waar de bever nooit helemaal is verdwenen? Toen de soort in Nederland en België was uitgestorven, was er nog een restpopulatie aanwezig bij de Elbe in Oost-Duitsland. Vandaag de dag leven in heel Duitsland zo’n veertigduizend bevers.

Ik benader Heribert Hofer, directeur van het Leibniz-Institut für Zoo- und Wildtierforschung in Berlijn. Zijn de Duitsers gewend aan de bever, zo vraag ik hem in een videobelgesprek, of ondervinden zij ook overlast?

Overlast, overlast...’ Hofer glimlacht. ‘Individuele bevers kunnen inderdaad voor overlast zorgen. Maar als je het in breder perspectief plaatst, dan zijn ze zó waardevol voor de natuur. Zodra mensen dat beseffen, hebben ze meestal meer vrede met beverschade. Natuurbeheer is een mix van ecologie en psychologie.’

Hofer vindt de bever een inspiratiebron. ‘Enerzijds kun je zeggen: de schade door bevers kost ons honderden miljoenen euro’s per jaar. Maar op de langere termijn bespáren ze ons wellicht een veelvoud daarvan, omdat ze als ecosysteem-ingenieurs het landschap diverser en klimaatbestendiger maken. Juist Nederlanders zouden de fascinatie van bevers voor water moeten waarderen,’ vindt Hofer. ‘In een droog klimaat kunnen ze helpen met het aanleggen van waterbuffers.’ We moeten niet tegen, maar mét de bever leven, is zijn devies. ‘Wees bereid om de oeverzone met bevers te delen. En richt je op preventieve maatregelen: zet gaas om je fruitbomen heen.’

Sowieso zal beveroverlast in de nabije toekomst afnemen, voorspelt Hofer. ‘Met het oprukken van de wolf vanuit Duitsland krijgen jullie bevers er een natuurlijke vijand bij.’

Bevers, hier in de Ooijpolder, leven in een klein familieverband van ouders, tweejarigen, jaarlingen en jongen. Ze maken gewoonlijk weinig geluid, maar bij een ontmoeting raken ze elkaar met hun neus aan en maken ze zacht kreunende geluiden, ter versterking van de familieband.

Foto van Edwin Giesbers

Daags na het gesprek met Hofer spreek ik Polman weer. Nu in de Biesbosch, het gedroomde bevergebied uit mijn jeugd. Ik ben nerveus: zou ik vanavond eíndelijk weer een bever van dichtbij zien? Voor we aan boord gaan van de fluisterboot, lopen we door het Biesbosch MuseumEiland. Polman wijst op een opgezette bever: ‘Aan hun achterpoot hebben ze een zesde nagel, een kammetje om hun vacht te verzorgen.’ Een bever kan daar uren zoet mee zijn. Door wat castoreum door de vacht te kammen, blijft die goed waterafstotend.

Dan is het tijd om uit te varen. In de verte zwemt een zwaan. Alles is zo vredig, zo verstild, dat we alleen op gedempte toon praten. ‘Bevers zien slecht, maar horen goed,’ zegt Polman. Als er gevaar dreigt, zal een bever met zijn staart luid op het water slaan om soortgenoten te waarschuwen. Nu en dan zien we een beverwissel. ‘Beverglijbanen!’ zegt de kapitein.

Op het achterdek van de boot staan twee kinderen met beverknuffels in hun hand. Ze zijn hooguit een paar jaar ouder dan ik destijds in Zweden was. Hun bevers heten Bevie en Knagie. ‘Ze zijn net wakker, want bevers slapen overdag.’ Dan klinkt er een luide plons. ‘Ik zag hem!’ roept het meisje. ‘Hij zwom hier vlak naast de boot!’ Ze wijst, ik kijk en dan zie ik hem: snel zwemt hij richting oever. Net een drijvend stuk hout. Maar wel het mooiste hout dat ik ooit heb gezien.

Wetenschapsjournalist Gemma Venhuizen en natuurfotograaf Edwin Giesbers maakten eerder samen een reportage voor National Geographic over de opmerkelijke terugloop van het aantal insecten in West-Europa (10-2019).

Dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd in National Geographic Magazine, editie 10, 2021.

Lees meer

Ontdek Nat Geo

  • Dieren
  • Milieu
  • Geschiedenis en Cultuur
  • Wetenschap
  • Reizen
  • Fotografie
  • Ruimte
  • Video

Over ons

Abonnement

  • Abonneren
  • Schrijf je in
  • Shop
  • Disney+

Volg ons

  • Gebruiksvoorwaarden
  • Privacyverklaring
  • Cookiebeleid
Copyright © 1996-2015 National Geographic Society. Copyright © 2015-2017 National Geographic Partners, LLC. Alle rechten voorbehouden.