Een speeltuin was ooit allesbehalve een plek waar kinderen zomaar konden ravotten. Toen in 1880 de eerste Nederlandse speeltuin opende, moesten kinderen toegang verdienen, netjes in de rij wachten en zich aan een streng reglement houden. De nieuwe speelplek moest kinderen beschermen tegen de steeds drukkere straten, maar had nóg een doel: voorkomen dat ze in de kroeg, het gokspel of zelfs de criminaliteit zouden belanden.

Het initiatief voor de eerste speeltuin

De komst van de speeltuin naar Nederland was onderdeel van een internationale trend. Het eerste Nederlandse initiatief kwam van ondernemer Nicolaas Tetterode, die tijdens een bezoek aan de Duitse stad Koblenz een kinderspeeltuin had gezien.

Tetterode zag daarin een oplossing voor de onveilige omgeving waarin Nederlandse stadskinderen speelden. In de negentiende eeuw groeiden de steden sneller dan ooit tevoren, en raakten de buurten steeds meer dichtbevolkt. De kinderen die hier op straten speelde werden constant voorbijgereden door paarden en karren, en speelden bovendien gevaarlijk dicht in de buurt van de grachten en bouwplaatsen.

Maar naast mogelijke ongelukken zag Tetterode hier nog een ander gevaar in: kinderen die op straat opgroeiden, zouden volgens hem gemakkelijker in de criminaliteit belanden. Het straatleven zou hen ‘naar de kroeg jagen en het verderfelijk dobbelspel aanmoedigen’.

Een eigen speelplaats voor kinderen moest daar verandering in brengen. Daar konden ze niet alleen veilig spelen, maar ook wennen aan wat Tetterode ‘orde en gepast genot’ noemde. De speeltuin kreeg daarmee vanaf het begin ook een opvoedkundige rol.

De eerste speeltuin van Nederland

Tetterodes plannen kregen al snel veel steun. In 1880 opende de eerste speeltuin van Nederland aan het Tweede Weteringplantsoen in Amsterdam, gefinancierd door welgestelde Amsterdammers. Deze was 50 bij 70 meter en beschikte over klimladders, schommels, een vrij speelveld, wippen, een draaimolen én kegelbanen.

een tekening van de speeltuin aan het tweede weteringplantsoen in amsterdam
Stadsarchief Amsterdam
Een tekening van de speeltuin aan het Tweede Weteringplantsoen in Amsterdam.

De kinderen van Amsterdam stonden te popelen om al deze nieuwe toestellen uit te proberen, maar toegang was niet vanzelfsprekend. Hoewel de speelplaats gratis was, bepaalden lokale scholen wie naar binnen mocht. Zij konden kaartjes uitdelen aan kinderen van wie zij vonden dat ze het verdienden om de speelplaats te bezoeken.

Wil je niets missen? Volg National Geographic op Google Discover en voeg National Geographic toe als voorkeursbron om onze verhalen vaker te zien in je Google-feed!

De uitverkoren kinderen moesten zich vervolgens bij de ingang in rijen opstellen, waarbij meisjes en jongens van elkaar werden gescheiden. Voordat zij naar binnen mochten, werd het reglement voorgelezen.

Daarin werd duidelijk wat allemaal verboden was: geen stenen gooien, geen andere kinderen hinderen, geen planten beschadigen en geen ongepast taalgebruik. Daarna werden de kinderen toegelaten, en kon het spelen pas echt beginnen.

De speeltuin wordt een succes

Ondanks al deze regels was er een enorme belangstelling voor de eerste speeltuin. Volgens het Algemeen Handelsblad kwamen er tussen 8 en 31 mei 10.560 kinderen op het Tweede Weteringplantsoen af.

Maar er klonk ook tegengeluid. Hoewel een veilige plek voor kinderen om te kunnen spelen door veel volwassenen werd toegejuicht, riep de aanpak van Tetterode weerstand op. Zo vroeg Tetterode in het Nieuwsblad voor den Boekhandel om boekjes die hij als prijs kon uitdelen aan kinderen die de speeltuin bezochten.

kinderen spelen in de eerste speeltuin van nederland
Stadsarchief Amsterdam
Kinderen konden gratis gebruikmaken van de speeltuin, maar toegang was niet voor iedereen vanzelfsprekend.
kinderen spelen in de eerste speeltuin van nederland
Stadsarchief Amsterdam
Schommels, wippen, klimladders en een draaimolen behoorden tot de attracties van de eerste speeltuin.

Niet iedereen vond dat een goed idee; spelen moest volgens critici geen activiteit worden waar een beloning aan gekoppeld werd. Het Rotterdamsch Nieuwsblad schreef: ‘Laat de kinderen toch niet spelen om boekjes! Loof vooral geen prijzen uit voor hen die ’t zoetst en ’t liefst zijn [...].’

De kritiek hield de opmars van de speeltuin niet tegen. Binnen een jaar opende een tweede speeltuin aan de Marnixstraat en rond de eeuwwisseling verschenen op meer plekken in Amsterdam nieuwe speelterreinen.

De Nederlandse speeltuinbeweging

Een belangrijke omslag volgde in 1902, met de opening van de Oosterspeeltuin aan de Czaar Peterstraat. Deze was niet opgericht door welgestelde burgers, zoals daarvoor gebruikelijk was, maar op initiatief van scheepstimmerman Uilke Klaren en bewoners uit de buurt zelf.

Het bleek het begin van de Nederlandse speeltuinbeweging: in steeds meer arbeidersbuurten richtten mensen bewonersverenigingen op om zelf speelplekken voor hun kinderen te beheren.

kinderen klimmen op een klimrek in de eerste speeltuin in amsterdam
Stadsarchief Amsterdam
Voor Tetterode moest de speeltuin niet alleen vermaak bieden, maar kinderen ook laten wennen aan ‘orde en gepast genot’.

Daarmee veranderde ook het karakter van de speeltuin. Bij Tetterode was de speelplaats nog vooral een manier om kinderen onder toezicht van de straat te houden, maar uiteindelijk werd het een voorziening die door buurtbewoners zelf werd georganiseerd. In 1931 werden de verschillende verenigingen uiteindelijk landelijk verenigd in de Nederlandse Unie van Speeltuinorganisaties (NUSO).

Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!

Headshot of Jim Pouli
Jim Pouli
Editor

Jim is editor voor National Geographic. Hij studeerde sociale geografie, en specialiseerde zich in duurzaamheid en groene steden. Schrijven is zijn passie; hij ziet in elk verhaal – hoe klein ook – een kans om de wereld beter te begrijpen. In zijn vrije tijd bezoekt hij graag concerten en filmhuizen, of gaat hij hardlopen.