Het mechanische wonder achter de fonteinen van Versailles

Met behulp van een revolutionair zeventiende-eeuws mechaniek werd water van Parijs naar het koninklijk paleis gepompt.

Friday, August 28, 2020,
Door Ulrike Lemmin-Woolfrey
Het Bassin van Apollo is een van de 55 waterpartijen in de tuinen van het Kasteel ...

Het Bassin van Apollo is een van de 55 waterpartijen in de tuinen van het Kasteel van Versailles, een Werelderfgoed van de UNESCO.

Foto van Berthold Steinhilber, Laif/Redu​x

Maar weinig wereldwonderen spreken zo tot de verbeelding als het Kasteel van Versailles, een uitgestrekt paleiscomplex van sprookjesachtige weelde en ooit een wereld van intriges en schandalen. Hier was het dat aristocraten tijdens de Franse Gouden Eeuw samenzweerden om in de gunst van het hof te komen en waar ze in één dag schatrijk of straatarm konden worden.

Dit jaar is het 250 jaar geleden dat twee van de beroemdste koninklijke bewoners van het paleis, Marie Antoinette enLodewijk XVI, in het huwelijk traden. De pasgetrouwde tieners waren de laatste leden van het Franse koningshuis die door de vergulde zalen van Versailles zouden zwieren. Ze volgden het voorbeeld van Lodewijk XIV, de grootvader van de jonge koning, die Versailles maakte tot het complex dat nog altijd is te bewonderen.

Het Werelderfgoed van de UNESCO omvat de met spiegels en kroonluchters sprankelende Spiegelzaal, het uitbundig gedecoreerde Grand Appartement du Roi en maar liefst 55 fonteinen, waarvan de waterstralen de hemel in schieten en weer neerregenen in vijvers te midden van een uitgestrekt parklandschap. Hoewel het château in de dagen van Lodewijk XIV door de vorsten van de wereld werd benijd, waren de fonteinen van Versailles niet altijd zo spectaculair. Er was een stel Belgische ingenieurs en zeventiende-eeuwse techniek voor nodig om dat te bereiken. Het tweetal bedacht het gewaagde plan om water uit de Seine, vanuit het hartje van Parijs, naar het platteland van Versailles te pompen, over een afstand van een kleine achttien kilometer.

Gedurfde ideeën

Eind zeventiende eeuw dwarsboomde Lodewijk XIV de recalcitrante adel in Parijs door zijn hof en regering te verplaatsen naar een gehucht op het platteland, waar hij het jachthuis van zijn vader ombouwde tot een vorstelijke residentie die paste bij de grandeur van een ‘Zonnekoning’. 

Het probleem was dat het afgelegen Versailles ver van enige waterbron lag. Lodewijk XIV had grote hoeveelheden water nodig voor fonteinen en waterpartijen die destijds niet alleen zeer populair waren maar “ook een politieke rol vervulden, want ze waren in de ogen van bezoekers een uitdrukking van de artistieke vitaliteit, macht en rijkdom van de Franse monarchie,” zegt Benjamin Ringot, medewerker van het onderzoekscentrum van Versailles, het CRCS (Centre de recherche du Château de Versailles).

De langst regerende heerser van Frankrijk was een vernieuwend denker. Hij had de vooruitziende blik om het Canal du Midi te laten aanleggen, een gedurfd plan om de Middellandse Zee met de Atlantische Oceaan te verbinden en zo de piraten die het op vrachtschepen hadden gemunt, te slim af te zijn en de vaartijd tussen beide wateren met weken te bekorten. Als liefhebber van de natuurwetenschappen richtte Lodewijk XIV ook de Académie des sciences en het Observatoire de Paris op. In 1715 organiseerde hij een feest ter gelegenheid van een zonsverduistering, in aanwezigheid van de beroemde astronoom Jacques Cassini.

De ‘Machine de Marly’ werd ontworpen door Arnold de Ville en Rennequin Sualem. Het duurde vier jaar en kostte naar huidige maatstaven 25 miljoen euro om het mechaniek te bouwen.

Foto van Schilderij van Pierre Denis Martin (1723), Getty Images

Voor zijn waterprobleem stelde hij de Belgische ingenieurs Arnold de Ville en Rennequin Sualem aan, die wisten wat er gedaan moest worden: ze bouwden een reusachtig pompstation op de kade van Bougival, een pittoresk dorpje buiten Parijs.

Het plan was om water uit de rivier de Seine over een steile helling naar een viaduct en meerdere reservoirs te pompen, en uiteindelijk niet alleen de fonteinen en waterpartijen van Versailles van water te voorzien, maar ook die van het Château de Marly, een kleiner landgoed in het naburige Marly-le-Roi dat Lodewijk XIV liet bouwen om aan het verstikkende protocol van het hof in Versailles te ontsnappen.

Grootse schaal

Na drie jaar van voorbereidingen werd in 1681 in Bougival begonnen met de bouw van de ‘Machine de Marly’. In de vier jaar die volgden, werkten 1800 ingenieurs, bouwvakkers en timmerlieden aan het project, dat naar huidige maatstaven zo’n 25 miljoen euro kostte. Volgens David Pendery, die in Marly-le-Roi heeft gewoond en al 25 jaar onderzoek doet naar ‘de grote machine’, zou een derde van de totale bouwkosten van Versailles worden besteed aan de aanleg van de tuinen en fonteinen. 

De Seine werd verdeeld in twee beddingen: één voor de scheepvaart en één voor de wateraanvoer naar de machine. Met behulp van veertien hydraulische waterraderen van elk tien meter doorsnede en 251 zuiger- en tredpompen werd het water via een buizenstelsel en nog twee andere pompstations de heuvel op gestuwd. Zo bereikte het water de Tour de Levant, de eerste van de twee torens waartussen het Aquaduct van Louveciennes werd gebouwd.

Het op Romeinse technieken gebaseerde Aqueduc de Louveciennesis een reusachtig bouwwerk van natuur- en baksteen met in totaal 36 bogen. Het aquaduct is een kleine twintig meter hoog en ligt ruim 160 meter boven de Seine. Als de Machine de Marly op vol vermogen werkte, kon het water via het Aqueduc de Louveciennes over een afstand van achthonderd meter worden opgestuwd, waarna het over de rest van het traject door de zwaartekracht verder stroomde.

“De wilskracht van Lodewijk XIV maakte het mogelijk om ideeën ten uitvoer te brengen die destijds nog niet waren overwogen of al sinds de Romeinen in vergetelheid waren geraakt, zoals de technologie van het aquaduct,” schrijft Jean Siaud, historicus en gepensioneerd ingenieur.

Voor de bouw van het volledige systeem waren 850 ton staal en lood, 17.000 ton ijzer, 85.000 ton hout, tien kilometer aan kettingen en 5400 kilo talg (schapen- of rundervet, voor het smeren van de raderwerken) nodig.

Tand des tijds

Maar de kolossale machine had wel zijn gebreken. Door de grote hoeveelheid bewegende onderdelen was het gevaarte zeer luidruchtig, tot verontwaardiging van buren als de madame du Barry, de laatste maîtresse van Lodewijk van Frankrijk, een zoon van Lodewijk XIV, die het lawaai als “hels” omschreef. Honderden arbeiders waren nodig om het mechaniek 24 uur per dag draaiende te houden, wat naar huidige maatstaven ruim 46.000 euro per jaar kostte.

Hoewel het de bedoeling was dat de Machine de Marly op volle toeren bijna vier miljoen liter Seine-water per etmaal zou verplaatsen, werd dat doel nooit helemaal bereikt; het bleef bij een bescheidener drie miljoen liter. Het probleem zat hem in de constructie van het mechaniek zelf, dat geregeld vastliep. Ook werd er te veel water naar de tuinen van het Château de Marly afgeleid, waar de koning weelderige feesten met gasten als de Russische tsaar Peter de Grote organiseerde; Peter was overigens zeer onder de indruk van het pompsysteem.

Ondanks haar tekortkomingen stuwde de Machine de Marly genoeg water naar Versailles om daar 133 jaar lang 2400 fonteinen te voeden, zij het niet met de waterkracht die de fonteinen van nu ten toon spreiden. In 1817 werd het origineel van De Ville en Sualem vervangen door een stoomgemaal, dat in 1859 weer werd omgebouwd tot een hydraulisch systeem. Het moderne (elektrische) achterkleinkind van het mechaniek pompt al sinds het einde van de negentiende eeuw water (niet voor de fonteinen, maar drinkwater voor de streek) op uit de naburige aquifer van Croissy.

Machine als muze

Van de oorspronkelijke Machine de Marly is nog maar weinig over, behalve een pomphuis op het kleine Île aux Bernaches of ‘Ganzeneiland’ in de Seine. Het gebouw waarin het stoomgemaal ooit was ondergebracht, op de Quay Rennequin Sualem, is tegenover het eilandje bewaard gebleven. Het aquaduct staat er nog, samen met een tweetal reservoirs erachter.

Tegenwoordig vormt het aquaduct de ingang van het park waar ooit het Château de Marly stond. In de plaats van het kasteel herbergt het kleine Musée du Domaine Royal een schat aan oorspronkelijke bouwtekeningen, machineonderdelen, etsen en maquettes van de revolutionaire uitvinding van De Ville en Sualem.

De machine zelf leeft voort in een handvol reproducties in email van schilderijen die zijn te bewonderen op de zesenhalve kilometer lange Impressionism Route langs de Quay Rennequin Sualem. Deze werken zijn opgesteld op plekken waar ze door impressionisten als Claude Monet en Camille Pissarro in de openlucht werden geschilderd en bieden een blik op een tijd en een uitvinding die bijna 350 jaar later nog altijd ontzag inboezemt.

Ulrike Lemmin-Woolfrey os freelance reis- en lifestylejournaliste. Ze woont in Parijs. Volg haar reizen op Instagramen Facebook.

Dit artikel werd oorspronkelijk in het Engels gepubliceerd op NationalGeographic.com

Lees meer