Argentinië

De ziel van Argentinië

Voor authentiek Argentinië (en de beste wijn) moet je in het noordwesten zijn. Een rondreis door een uitgestrekt en betoverend landschap. donderdag, 9 november

Door Paul Römer
Foto's Van Raymond Rutting

Het is toeval, ik weet het, maar toch. Drie uur voordat ons het bericht bereikt dat Jorge Videla op 87-jarige leeftijd is overleden in zijn cel, praat ik met Ariel Mosca over de vuile oorlog die de oud-dictator in 1976 in Argentinië ontketende. Mosca, een vriendelijke leraar geschiedenis en aardrijkskunde, ontmoet ik ’s ochtends in Tilcara, een stadje in het uiterste noordwesten van Argentinië. We raken in gesprek en hij stelt voor een wandeling te maken met lama’s; de twee gidsen die ons daarbij zullen begeleiden, rijden nu voor ons in een mintgroene Ford Falcon, op weg naar de bergen waar de dieren op ons staan te wachten. Mosca wijst naar het krakkemikkige voertuig van het duo, bouwjaar 1974. ‘Die auto brengt de junta in herinnering. De geheime dienst van Videla reed rond in precies zo’n auto, met precies die kleur. Duizenden mensen verdwenen in de kofferbak.’ De verontwaardiging is van zijn gezicht af te lezen.

Een van de gidsen en hoeder van de lama’s, Santos Manfredi, van Corsicaanse komaf, lijkt zich van geen kwaad bewust. Vrolijk kletsend maakt hij de excursie tot een plezierige ervaring. We manoevreren met de schuchtere dieren aan de hand – Paco heet ‘mijn’ lama, een nogal achterdochtig beest – tussen honderden cactussen door naar een bergplateau. Hier bevinden zich de resten van Pucará de Juella, een 11de-eeuwse nederzetting van het oude Omaguacavolk. Boven op de berg, pal naast de drooggevallen Juella, geniet ik van het uitzicht én van het geestige idee dat ik in een stil deel van Argentinië een wandeling maak met een aangelijnde lama – tot Manfredi me roept. Hij blijkt aan de rand van een klif, vlak bij de stenen ruïnes, een picknick te hebben uitgestald. Op een tafeltje staan taartjes met wortel en spinazie, chips, -gedroogd fruit en een fles malbec uit de regio. Voordat hij een slok neemt, gooit Manfredi wat van de rode wijn op de grond. ‘Een offer aan Pachamama, moeder natuur,’ verklaart hij. We doen hem na en roepen ‘Salud’. Het leven kan slechter.

Om me heen, zelfs onder mijn voeten, liggen stukjes aardewerk van minstens 800 jaar oud voor het oprapen. Ik pak een rode scherf met wat zwarte verf, volgens Mosca een fragmentje van een Incakom. ‘Argentinië was het laatste gebied waar de Inca’s kwamen,’ vertelt hij. ‘Ze wilden zuidwaarts de Andes veroveren, hebben hier ook tachtig jaar geheerst, maar werden in hun opmars gestopt door de Spanjaarden. Tot die tijd hadden ze veel invloed op de plaatselijke cultuur. De Inca’s waren in de mode, zeg maar. En dus ook de manier waarop ze hun potten en kommen versierden.’

Voldaan dalen we weer af. Manfredi noemt Jujuy de lamaprovincie – ooit kwamen hier duizenden lama’s voor die hoofdzakelijk werden ingezet voor de transport van zout naar de markt. Anders dan de vicuña en guanaco zijn ze gedomesticeerd, en tegenwoordig worden er nog maar enkele tientallen gehouden, waaronder Paco. Dan leest Raymond Rutting, de fotograaf die mij vergezelt, het berichtje van zijn iPhone voor. ‘Videla is dood.’ Er valt even een stilte. Vooral Mosca weet even niet goed hoe te reageren. Als ik hem voorzichtig vraag of hij blij is dat Videla is overleden, zegt hij: ‘Ik ben nooit blij als iemand sterft. Maar ik ben wel gelukkig dat er met zijn dood een definitief eind lijkt te zijn gekomen aan een donker tijdperk in Argentinië, een periode van dood en verderf. Weet je, Pablo, ik heb veel van mijn vrienden verloren. Opeens waren ze weg. Ik mis ze nog steeds.’

In Tilcara, vanwege de vele pre-Inca-opgravingen de archeologische hoofdstad van Argentinië genoemd, zijn we al halverwege onze rondreis door dit land, in mei van dit jaar. Na twee nachtjes Buenos Aires rijd ik samen met Raymond met een huurauto door de provincies Salta, Tucumán en Jujuy, in het noordwesten van Argentinië. Deze route loopt van de stad Salta naar Cafayate, van Cachi naar Tilcara en, straks, van Purmamarca terug naar Salta. Plaatsnamen zeggen nooit zoveel, dat realiseer ik me. Ze beginnen pas te leven op het moment dat je er bent en er de mensen spreekt. Zo vertelde Mosca eerder, tijdens onze picknick, hoe hij jaren geleden Buenos Aires verliet om zich voorgoed in het noordwesten te vestigen. ‘De hoofdstad is mij te Europees. El Norte is authentiek, hier vind je het echte Argentinië.’  En dat is wat ik wil leren kennen.

Om ook maar een fractie van dit immense land te kunnen ontdekken, is er geen keus dan vele kilometers te maken. Om enigszins een beeld te krijgen bij de omvang van Argentinië: het is bijna zeventig keer zo groot als Nederland, of ruim vier keer zo groot als Frankrijk. De provincie Salta, waar we het merendeel van deze tocht verblijven, is alleen al een flink stuk groter dan, zeg, Griekenland. Ik heb voortdurend het idee dat we eindeloos veel land bestrijken, maar op de kaart van Argentinië stelt het allemaal niets voor. Is het dan een straf, hier te toeren? Geenszins! Het landschap is zo gevarieerd en vooral zo ontzagwekkend mooi, de temperatuur is er altijd aangenaam, en ‘vriendelijk’ is een te zwakke uitdrukking voor de manier waarop de inwoners ons hier ontvangen en te woord staan. En rijden over de grotendeels onverharde Ruta 40, met een lengte van ruim 5000 kilometer de langste weg van het land, is een avontuur op zichzelf.

In Salta, hoofdstad van de gelijknamige provincie met ruim 535.000 inwoners, wandelen we op een zondagochtend over Plaza 9 de Julio, een verwijzing naar de dag waarop, in 1816, Argentinië zich na een bloedige, meerjarige strijd losweek van de Spaanse overheerser – die deze plek in 1582 stichtte als een buitenpost tussen Buenos Aires en Lima, Peru. Tegen die tijd hadden de Spanjaarden Argentinië al bijna 70 jaar in handen, en had de katholieke kerk een zwaar stempel gedrukt op het dagelijks leven.

Op het uur klinkt er een soort schoolbel over het plein, afkomstig van de Catedral Basilica de Salta. Voor deze zachtroze, neoclassicistische kathedraal ontmoeten we María Isabel Wrann, een jonge vrouw met Oostenrijks bloed volgens wie alles in de omgeving ‘prachtig’ is. Er bestaat geen betere ambassadeur voor haar woonplaats dan zij. Als we opmerken hoe opvallend druk het binnen- is, zegt ze: ‘Elke zondag is een dag van familie, eten en geloofsbeleving. En ja, we hebben nu paus Franciscus. 70 procent van de Argentijnen is katholiek, maar dat percentage neemt volgens mij dankzij hem snel toe.’ Niet alleen el papa vervult Argentinië met trots. ‘We hebben nu ook een rena en een dios, Máxima en Messi.’ De koningin zal ons nog de hele reis vergezellen.

Het succes van het plein als toeristische attractie is grotendeels te danken aan een collega van mij. Johan Reinhard, onderzoeker van National Geographic, ontdekte in 1999 op de vulkaan Llullaillaco, op de grens met Chili, de mummies van drie Incakinderen. ‘Om deze vondst te kunnen tentoonstellen hielp Reinhard bij de oprichting van het prachtige Museo de Arqueología de Alta Montaña, waar de mummies zijn te bewonderen,’ vertelt Wrann. Vanuit de zon stap ik de donkere ruimte van het museum binnen, rechts van de kathedraal, en sta ik op zeker moment oog in oog met een verschrompeld 15-jarig meisje, dat vermoedelijk 500 jaar eerder werd geofferd om de goden gunstig te stemmen. De drukte van het plein, waar kinderen rennen en ouders gebedjes prevelen, lijkt ver weg.

Als we later die dag vanaf de top van Cerro San Bernando (te bereiken via een kabelbaantje) uitkijken over de stad, vertelt Wrann honderduit. ‘In het prachtige noordwesten zijn de mensen mooier en warmer, omdat het hier mooier en warmer is dan elders in Argentinië,’ zegt ze zonder blikken of blozen. ‘En wie kiest voor een leven aan de voet van de Andes, omringd door wijnvelden, de bron van de lekkerste wijn – die moet wel verstandig zijn. Sí?’

Daar zegt ze wat. Noordwestelijk Argentinië is synoniem met sublieme wijn. Een van de hoogtepunten van deze reis is ongetwijfeld het bezoek aan Cafayate, een lieflijk stadje met minder dan 12.000 inwoners in de hooggelegen Calchaquíes-vallei, aan de voet van de Andes. Cafayate neemt iets minder dan 2 procent van de Argentijnse wijnproductie voor zijn rekening, ook olijven en tabak wordt hier verbouwd. We verblijven er in een romantisch boutique hotel, Patios de Cafayate, op het landgoed van El Esteco, de grootste bodega in de omgeving.

Om er te komen volgden we Ruta 68 door Quebrada de las Conchas, een ruig en kleurrijk steenlandschap dat nergens lijkt te eindigen. Na elke bocht over de weg die deel uitmaakt van de Ruta del Vino, de wijnroute, doemen nieuwe rotsformaties op, in weer andere kleuren, in nog fraaiere vormen, zover het oog reikt. Een onvergetelijk panorama, al was het maar omdat iedereen die erdoorheen rijdt honderden foto’s maakt. De camera kan er geen genoeg van krijgen. Zeker toen de zon langzaam onderging en er een warme gloed over de rode bergen streek, viel mijn mond open van verwondering. En dat gebeurt, moet ik bekennen, niet zo vaak.

Maar goed, de wijn.

Argentinië is de op vier na grootste wijnproducent ter wereld, wat intrigeert. Op El Esteco ontmoeten we de plaatselijke ondernemer Andrés Høy, van oorsprong een Noor, die ons graag van alles vertelt over de wijn uit deze vallei – en die, merk ik aan de manier waarop hij wordt begroet, hier enige status geniet. ‘De wijngebieden in Argentinië beslaan in totaal 230.000 hectare,’ begint hij lustig, ‘en de meeste Argentijnse wijn die jullie in Europa drinken komt uit Mendoza en omgeving, ten zuiden van hier. Bijna driekwart van alle wijn wordt daar gemaakt. Rond Cafayate, waar 340 dagen per jaar de zon schijnt, staat 4000 hectare vol druivenranken. We bottelen alleen hier al zeven miljoen wijnflessen per jaar, waarvan 70 procent voor de export zijn bestemd.’

Na al deze cijfers begint het te duizelen. Ik wil weten wat de Argentijnse wijn nou zo bijzonder maakt. Zoals de shiraz aan Australië doet denken, de sauvignon blanc aan Nieuw-Zeeland en de zinfandel aan Californië, zo wordt Argentinië onmiddellijk ge-associeerd met twee andere variëteiten, de malbec en de torrentés. Hoe onderscheiden deze wijnen zich, vraag ik Høy. Die vraag kan alleen worden beantwoord, zegt hij, als hij ons wat mag schenken. Nou, vooruit dan...

We wandelen over het landgoed van de imposante bodega. De zon straalt, de bergen houden elk wolkje tegen, de zoete geur van druiven hangt in de lucht, zelfs na de oogst, die al in maart start. Geen wonder dat Cafayate ook onder Argentijnen zelf een populaire bestemming is. Vooral in juli, als de winter zorgt voor lagere temperaturen in bijvoorbeeld Buenos Aires, rijden de bussen met (wijn)toeristen af en aan. Maar nu, in het laagseizoen, is er niemand te bekennen. De helft van alle reizigers door Argentinië komt uit het buitenland, met name uit de VS en Frankrijk, maar ook uit Nederland. Zeker de laatste jaren neemt het aantal bezoekers uit ons land toe, het is zelfs de belangrijkste afzetmarkt voor de wijn uit Cafayate – en dat is volgens Høy te danken aan ‘onze... eeh... jullie koningin’. Daar is ze weer.

Høy schenkt in en vertelt terwijl ik proef. ‘Dankzij de hoogte van de wijnvelden – ’s werelds hoogstgelegen wijngaard, El Colomé, iets verderop, bevindt zich op 3111 meter boven zeespiegel – worden de druiven nauwelijks aangetast door insecten of ziekten en is de grond rijk aan mineralen. De torrentés, een lichte witte wijn, aromatisch, bloemig, kent daardoor een droog palet.’

Het verbaast me dat ik ook echt alles proef wat hij noemt. Maar ik heb altijd een voorkeur gehad voor rood en vraag naar de malbec. ‘Ah, de malbec. Ja, de malbec stroomt ons door de aderen. Deze druivensoort, die in 1852 in Argentinië werd geïntroduceerd, levert een van de donkerste rode wijnen die er bestaan, heeft een intens aroma, smaakt wat kruidig en is vooral heel smooth. Probeer de Don David uit 2011 maar eens.’ Ik neem een slok, laat het vocht even in mijn mond tintelen en ja, ben er stellig van overtuigd dat ik zojuist de mooiste wijn ooit heb gedronken. Of droegen het uitzicht over dit landgoed en de gloed van de inmiddels laagstaande- zon op ons gezicht bij aan de sensatie?

Het noorden kent adembenemende rotslandschappen, warme en mooie mensen, en wijn om verliefd op te worden. En, zo merken we later, veel cactussen. Eindeloos veel cactussen. Na Cafayate verbleven we een nacht in het stoffige dorp Cachi, in een boutique hotel waar de chef ons een sappige lamabiefstuk voorschotelde, om vervolgens richting Tilcara te rijden. In -nationaal park Los Cardones, een uitgestrekt woestijnlandschap van 650 vierkante kilometer met een bos van cactussen, cardones, komen we langs Ruta 33 niet alleen een groepje guanaco’s tegen, maar ook Mariano Cozzi. Deze leraar Engels uit Buenos Aires, met Italiaanse voorouders, fietst sinds eind februari in z’n eentje door noordwestelijk Argentinië, zo blijkt als we hem vragen even te stoppen. Op de vraag waarom juist door dit gebied antwoordt hij: ‘De keus was niet zo moeilijk. Dit is het echte Argentinië. De dorpjes die ik tegenkom vormen de ziel van mijn land.’

Die mening is veel Argentijnen toegedaan, merk ik. Authentiek Argentinië: daarvoor moet je in het noordwesten zijn. Dat verwondert me enigszins, gelet op de Europese wortels van alle Argentijnen die ik tot dusver heb ontmoet. De identiteit van dit gebied is gestoeld op vreemde, in het bijzonder Italiaanse en Spaanse invloeden, maar wordt door de inwoners zelf ervaren als een eigen, zich van de rest van Argentinië onderscheidend karakter.

De avond voor we met Santos en zijn lama’s op pad gaan, nuttigen we na de lange, vermoeiende rit uit Cachi een maaltijd in het intieme restaurantje Arumi. Ik vraag naar de plaatselijke specialiteit en bestel locro, een verrukkelijk stoofpotje met mais, bonen, gehakt en aardappelen. We raken aan de praat met Ana Laura Mellado, de jonge en charmante chef met een Italiaanse achtergrond. Ze komt zelf uit Salta, maar vond het daar te druk worden. Samen met vriendin Jimena Rojas, die ons bedient, opende ze een jaar geleden deze eettent. Tussen de gangen door, die we natuurlijk wegspoelen met een malbec uit Cafayate, vertelt ze over dit gebied. ‘Het noordwesten is wat ons tot Argentijnen maakt. De mensen leven er van de aarde, de grond is zo vruchtbaar. Onze muziek en dans, zamba, is zo veel rijker dan elders in het land, zo veel romantischer ook.’ Ze verontschuldigt zich en keert terug met twee bordjes kwarktaart, gemaakt van lokale geitenkaas. ‘Heel zacht van smaak,’ glimlacht Mellado. ‘Zoals alles wat het noordwesten voortbrengt.’

Als we tegen het einde van de reis terugrijden naar Salta, vanwaar we huiswaarts zullen reizen, zien we uren achtereen geen enkel teken van menselijke beschaving – voor een inwoner van een van de dichtbevolktste landen ter wereld nog altijd moeilijk te vatten. We passeren Salinas Grandes, een zoutwoestijn van ruim 8000 vierkante kilometer. We zijn de enigen die uit de auto stappen en een paar honderd meter over de zinderende witte vlakte lopen. Stilte. In de verte doemt de 5560 meter hoge vulkaan Tuzgle op. Ik leg wat zout op mijn tong en realiseer me hoe betoverend en veelzijdig het Argentijnse landschap is.

Vlak bij Salta logeren we twee nachten in Finca Valentina, een oase van groene rust langs een stoffige weg, waar we worden opgepikt door Camila Brandan, een 18-jarige student fysiotherapie, en Mariela Sandoval, haar tante. Met deze fraai uitgedoste gaucha’s vertrekken we te paard naar een lokaal festival, ter ere van de heilige maagd Fatima. Zo’n 150 gaucho’s en gaucha’s – de cowboys van Argentinië – paraderen op hun paard langs een kerkje, waar bovendien enkele dopingen plaatshebben. We zagen eerder deze reis ook al een groepje van zes klassiek geklede mannen en vrouwen, allemaal jonge twintigers, folkloristische dansen opvoeren in een eetcafé. Volgens Brandan is het belangrijk dat de traditie van de gaucho’s voortleeft. ‘Het is wat de familie bindt,’ zegt ze, ‘het is wat Argentinië heeft gemaakt tot wat het is. Als er iets te vieren is, dan doen we dat met passie. Dat hebben jullie toch ook gezien toen Máxima koningin werd?’

De wijn en het natuurschoon wisten me al te overtuigen, maar het zijn toch vooral zulke ontmoetingen – met mensen als Camila en Ana Laura, María en Mariano, Andrés en Ariel – die Argentinië tot een van mijn favoriete bestemmingen hebben gemaakt. Ze houden zielsveel van hun land, hun trots is oprecht, en soms ontroerend. Er bestaat een Argentijns liedje, ‘A Jujuy siempre se vuelve’. Naar Jujuy keer je altijd terug. Wat mij betreft staat die ene provincie voor het hele noordwesten van Argentinië.