Bhutan

Betoverend Bhutan

In 2012 stuurden we op verzoek van onze lezers een fotograaf en journalist naar Bhutan. Daar zagen ze uitgestrekte berglandschappen en historische tempels, maar ook hoe zelfs in dit afgesloten land traditie en vernieuwing hand in hand gaan. donderdag, 9 november 2017

Door Eric van den Berg
Foto's Van Robin Utrecht

In Bhutan fluistert de wind overal. Door de takken en naalden van de cipressen op de flanken van de hoge bergen. Tussen de spijlen van de bruggen over de valleien van  Thimphu en Paro. Langs de rode gewaden van de monniken op de binnenplaats van hun klooster.

De wind fluistert, praat en zingt. De wind waait door de witte vlaggen die zijn gegroepeerd bij huizen, op bergen en zomaar op plaatsen waar iemand is overleden. Het zijn er altijd 108 bij elkaar, naar het heilige getal uit het boeddhisme, langwerpig op ranke masten. De 108 vlaggen herdenken de overledenen, de wind blaast hun gedachtenis over het land. Als de vlaggen zijn verteerd of stukgeregend, dan is het goed – dan zijn de dierbaren gereinigd van hun zonden, hebben de geesten hun rust gevonden.

Bhutan, dat verstopte koninkrijkje midden in de Himalaya, hangt vol met vlaggen. Niet enkel de lange witte, ook slingers met blauwe, groene, rode, gele en witte vlaggetjes, die kruisingen, bruggen, huizen, of eigenlijk alles kunnen versieren. Ze hangen op plaatsen waar geluk nodig is, ze vieren de blijdschap, de schoonheid, de verjaardag van de koning, of de heilige die hier op de rug van een tijgerin is geland op een berg.

Dat is de mystiek en magie van Bhutan. In dit land, waarvan de Tibetaanse naam ‘Land van de Donderdraak’ heet, heeft alles een verhaal en een verleden. Wie Bhutan wil leren kennen, wat nu kan omdat het land zich meer en meer openstelt voor toeristen en buitenlandse bedrijven, gaat erin mee.

De rest van de wereld kent Bhutan, een tikje groter dan Nederland maar met slechts 700.000 inwoners, doorgaans vooral vanwege twee triviaweetjes. Het nationale voetbalelftal speelde in 2002 in ‘De Andere Finale’, een wedstrijd tussen de twee laagstgeplaatste landen op de wereldranglijst (in de hoofdstad Thim-phu werd Montserrat verslagen met 4-0). En: in Bhutan schijnen de gelukkigste mensen ter wereld te wonen. Dat zal niemand werkelijk kunnen bewijzen, en het lijkt hoogstonwaarschijnlijk, maar in elk geval berekent de overheid het Bruto Nationaal Geluk, wat een van de vorige koningen belangrijker vond dan een keihard economisch cijfer als het Bruto Nationaal Product.

Je zou zomaar kunnen denken dat Bhutan buiten de echte wereld staat en nog in een andere tijd leeft. De tv is er immers pas in 1999 geïntroduceerd, het land kreeg in 2011 zijn eerste roltrap in het winkelcentrum Shearea Square in Thimphu – toch zo’n 115 jaar na de allereerste in Coney Island, New York. Maar Bhutan is elke dag een beetje meer van nu.

‘De kinderen leren allemaal Engels,’ zegt Thrishna Rasaily, een 28-jarige lerares op de Druk School, de eerste privéschool van het land. ‘Soms kunnen ze de juiste woorden in het Dzongkha [de officiële taal van Bhutan] niet eens vinden.’

‘Het is drukker in de stad. Soms staat er een file hier in Thim-phu. Dat is compleet nieuw,’ zegt haar vijf jaar oudere zus Sabitra Mothey, lerares op de Chang Rigphel Lower Secondary School in de hoofdstad. ‘De ontwikkelingen gaan zó snel,’ verzucht ze.

Iedere Bhutanees wil tegenwoordig een auto. Boeren verkopen er soms een stuk land voor. Thimphu, een stad die een beetje doet denken aan een Zwitsers bergdorp, kreeg een paar jaar geleden een verkeerslicht op een kruising, als vervanging voor de agent die met handschoenen aan de auto’s dirigeerde. Maar de ‘Vierde Koning’, de vorige, vond dat toch te onpersoonlijk. Nu staat de agent er weer, en de auto’s stoppen als hij dat zegt.

Bhutan is nog steeds Bhutan. Als de koning geen verkeerslicht wil, zal hij wel gelijk hebben, want hij is een goed man. De liefde en het respect voor de Wangchuck-dynastie, die nu ruim een eeuw zetelt in Bhutan, zijn onmetelijk groot. Sabitra: ‘De huidige koning, de Vijfde Koning, is jong. Hij is echt geïnteresseerd in mensen. Hij is veel moderner dan zijn vader.’

Jigme Khesar Namgyel Wangchuck is nog maar 32 jaar. Hij zit zelfs al wat jaren op de troon. Zijn vader Jigme Singye Wangchuck kondigde in 2006 aan dat hij vrijwillig afstand zou doen van de troon: hij vond dat het tijd was voor vernieuwing. Bhutan zou eindelijk een parlementaire democratie worden, en zijn zoon, die heeft gestudeerd in de VS en een masters politicologie heeft behaald aan Oxford, zou de weg leiden. Dat gebeurde. De nieuwe koning reisde het hele land af, ging soms van deur tot deur. De allereerste verkiezingen werden gehouden in maart 2008, en toen bleek meteen dat de liefde voor de monarchen niet was verdampt: de koningsgezinde DPT (zeg maar de Bhutan Harmonie Partij) veroverde 45 van de 47 zetels. In november van datzelfde jaar werd Bhutan formeel een constitutionele monarchie. De Vierde Koning kon zijn zoon toen kronen tot de Vijfde Koning.

Nu hangen in winkels en restaurantjes posters van de jonge koning naast posters van David Beckham. Al op het internationale vliegveld van Paro verwelkomt Jigme Khesar de bezoekers vanaf een megaposter, samen met zijn jonge bruid: vorig jaar trouwde hij met de 21-jarige studente Jetsun, het ‘gewone’ meisje dat nu koningin is. 

De liefde voor alle vijf de koningen is overal. In portretten boven de taxfreeshop, op buttons die mensen dragen op hun gho, het traditionele gewaad van de man, op kalenders die je in de souvenirwinkel kunt kopen. En in optima forma: de National Memorial Chorten, het heilige boeddhistische bouwwerk dat een van de koninginnen voor haar overleden man liet maken. Het monument uit 1974, een witte stoepa in Tibetaanse stijl, zo hoog als een kerktoren, eert de Derde Koning Jigme Dorji Wangchuck (1928-1972), de ‘vader van het moderne Bhutan’. Hij was de eerste die Bhutan uit zijn isolement hielp, hij was de eerste die de grenzen opende, zij het voorzichtig, hij stond erop dat iedereen een behoorlijke scholing kreeg. De Bhutanezen eren hem nog dagelijks. Ze lopen rondjes rond het monument – met de klok mee, volgens de traditie van het boeddhisme. Ze bidden terwijl ze de 108 kralen van hun kralensnoer verder schuiven. Ze praten er, ze roddelen er, ze geven de blinde bedelaar aan de poort wat geld en de honderden duiven wat voer. Veel ouderen en zieken komen er al ’s morgens vroeg om aan een mani dungkhor te draaien, een bidwiel. Voor boeddhisten is dat hetzelfde als mantra’s reciteren: de draaiende wielen, met hun versierde tonnen erop waarin opgerolde gebeden zitten, bidden zelf.

Bhutan is ook wat je niet hoort en niet ziet. Van een dzong zou je als westerling kunnen zeggen dat het zo’n karakteristiek gebouw is – wit gepleisterd, met roodbruine daken en fijnbewerkte houten deuren en kozijnen – waarin regeringsfunctionarissen én monniken al eeuwen naast elkaar plaatsnemen. De twee machten wonen hier samen, komen elkaar tegen op de binnenplaatsen of in de tempel. Elk district heeft er een.

Maar zo beknopt zal een Bhutanees het niet snel samenvatten. Ga er even voor zitten: de dzong van de stad Punakha bijvoorbeeld, een van de oudste en indrukwekkendste complexen, is

te danken aan een profetie van Goeroe Rinpoche, ook wel ‘de tweede Boeddha’ genoemd, de boeddha die in de achtste eeuw verscheen als een 8-jarige jongen op een bed van drijvende lotusbloemen. Hij voorzag dat een jongeman met de naam Namgyal zou arriveren op een heuvel die lijkt op een slapende olifant en er een paleis op zou bouwen. Dat bleek de boeddhistische lama Zhabdrung Ngawang Namgyal, de spiritueel leider die de Bhutanezen zou verenigen. Hij bouwde inderdaad de dzong in 1637.

Het is er sereen mooi. De dzong zie je ineens op de rug van een lichtgrijze olifant liggen. De bergtoppen, vele meer dan zeven kilometer hoog, zijn de machtige wakers. De wegen kronkelen van vallei naar vallei, tussen al het groen van de cipressen door. De afstanden tussen de dorpen en steden druk je hier uit in uren, niet in kilometers. De hemel is blauw als nergens anders. Bhutan is een land van gezonde berglucht, van andere kleuren, en bovenal van paleizen, tempels en kloosters zoals je ze nooit eerder hebt gezien. Drie heiligdommen op een dag bezoeken, het is geen uitzondering – de gids slaat het liefst geen enkele over. Het is soms een spoedcursus Bhutaans boeddhisme. Beetje bij beetje gaat het je raken. Weer zie je witte vlaggen wapperen, 108 in getal. Hier en daar hoor je het lichte gekraak van de draaiende houten bidwielen. Hun belletjes klinken als wiegeliedjes. 

Bhutan is niet enkel in en in boeddhistisch, Bhutan is trots op alles wat Bhutan heeft gevormd. Dat mag niet verloren gaan, waarschuwt de koning. Buitenlandse toeristen zijn dan ook zeker welkom, maar niet allemaal tegelijk. Het land heeft daartoe een dagelijks tarief ingevoerd: een toerist moet minimaal 250 dollar per dag besteden – aan hotel, binnenlands vervoer, gids en eten. Dat is makkelijk in de gaten te houden, want de toerist moet de reis boeken bij een geregistreerd reisagentschap, en heeft twee voordelen. Een derde van het bedrag gaat direct naar een fonds voor sociaal-economische ontwikkeling, en Bhutan wordt niet overlopen door toeristen en zal zijn unieke karakter niet verliezen. De totale verwestering blijft buiten de poort.

Dat is het idee. Of eigenlijk: dat wás het idee. Het Westen is gearriveerd, en ook het Verre Oosten, dat is vanaf hier immers niet heel ver. ‘Korea is helemaal in, vooral de kapsels,’ zegt Tashi Namgey (28) in het cafeetje Harmony in het centrum van Paro, waar hij luncht met zijn vrouw Sonam en hun tweejarige dochtertje. Het komt door de buitenlanders die hier op vakantie zijn, maar nog meer door de tv. ‘Ikzelf kijk naar films uit Bollywood, maar de jongeren zijn vooral gek op Koreaanse series, en ze willen dan de kleren dragen die ze zien.’

De jongens en meisjes strijken hun haren glad opzij, net als in de soap, in dansclub Amnesia wordt ‘Rolling in the Deep’ van Adele in de mix gegooid, kleuters kijken naar Disney Channel. Maar ook in het ooit minder aardse leven zijn nieuwe tijden aangebroken: de jonge monnik op het bergpad naar de Tango Goemba, een afgelegen 15de-eeuws klooster, babbelt met zijn vrienden door zijn Samsung mobieltje, en de Je Khenpo, de hoofdmonnik die staatsrechtelijk gezien op gelijke hoogte staat met de koning, rijdt rond in een Toyota Land Cruiser TX (met chauffeur).

Nieuwe tijden. Of gewoon vooruitgang. Bhutan kan zichzelf gelukkig noemen, maar het is ook gewoon een arm land. Daar waar de geasfalteerde wegen nog niet reiken, heerst er armoede. Straatvegers en schoonmakers verdienen 150 ngultrum per dag, iets meer dan twee euro – goed voor een paar kilo appels of rijst. Daar waar de wegen verhard zijn, is meer economische ontwikkeling, zijn de scholen of universiteiten. Er is internet. Winkels verkopen er cd’s met rap en r&b en UGGs.

Bhutan kan niet alles zomaar bijbenen. De portieken van winkelstraten zijn vaak vuil, het aantal werklozen in de stad neemt toe, en de jongeren kunnen niet alle verleidingen weerstaan.

‘Bhutanezen zijn meer bezig met geld verdienen,’ zegt onderwijzeres Sabitra. ‘Ouders hebben minder tijd voor hun kinderen. Ze geven hen geld mee, en dan gaan ze naar een café om drank te kopen of drugs. Ook dat hoort kennelijk bij vooruitgang. Daar moeten we goed op letten. De koning waarschuwt er ook steeds voor.’ Bhutanezen geloven soms zelfs niet wat er in een paar jaar kan veranderen – het meeste ten goede, een klein beetje ten slechte. Haba Dulepa, de 50-jarige eigenaar van het Harmony-restaurantje die desnoods een pizza bij de buren gaat halen als zijn klant geen zin heeft in zijn dumplings, ziet de openstelling van zijn land als een verrijking. ‘Ik kom nu toeristen tegen uit alle landen. Ik leer Engels, niet alleen om een taal te leren, maar ook om andere culturen te kunnen begrijpen.’

Kleine kinderen op straat kijken verbaasd op naar die lange mensen met een fotocamera, en ze zeggen ‘hello’ en dan ‘kuzuzangpo la’ (hoe gaat het met u?). Anders dan de volwassenen, die afstand houden en pas loskomen als de toerist het initiatief neemt. Bhutanezen klampen je niet aan op straat, ze klampen niemand aan op straat – daar is alles privé. Openlijke intimiteiten, een kus of een aanraking zul je er al helemaal niet zien.

De Bhutanezen leren de toeristen toch kennen. Het restaurant Orchid, een van de vele buffetrestaurants waarnaar de gidsen hun gasten leiden, bieden toeristenvarianten van de lokale gerechten. De ema datschi (chilipepers met kaas) is er nog steeds scherp, maar de inwoners zelf vinden het maar een flauwe hap zo. Een paar restaurantjes verkopen zelfs op dinsdag bier aan toeristen, meestal de lokale Druk 11.000, wat uitzonderlijk is, want in Bhutan is dinsdag de ‘dry day’. Op deze dag geen alcohol in publieke gelegenheden. Over genotsmiddelen gesproken: roken is ten strengste verboden, sigaretten mogen er (formeel) niet eens worden gekocht. Maar je ziet mannen roken in een enkele bar, en anders gaan ze wel naar de wc. Wie op straat wordt betrapt, ook de toerist, riskeert een celstraf. Ook hierin lijkt echter rek te zitten: vorig jaar verleende de koning gratie aan zestien rokers. Als ze het voortaan maar thuis doen.

Traditioneel en nieuw coëxisteren. Jongens in een shirt van de populairste muziekzender Kuzoo FM (The Voice of the Youth), spelen snooker in een bar in de stad, maar spelen op een weilandje bij het dorp Yoelsepang een spelletje khuru, een eeuwenoud dartspel: wie het paaltje over zo’n 35 meter raakt, krijgt twee punten. Het is de ‘goedkope’ variant van de nationale sport boogschieten. De mannen kunnen daar hele vrije dagen mee vullen, meestal met glimmende hitech bogen. Ze schieten hun pijlen om de beurt, en kauwen doma, een mengsel van betelnoot, betelnootblad en limoen. De vrouwen kijken langs de kant toe, serveren thee, zingen en dansen. Vroeger, toen alle bogen nog van hout waren, was de prijs voor het winnende dorp niks materieels: de winnaars wonnen voorspoed en zouden gevrijwaard blijven van ziekten. Tegenwoordig mogen ze de ‘pot’ verdelen.

Bhutan verandert maar gaat ook door met Bhutan te zijn. Biddende monniken bidden door als er een toerist een tempel betreedt. In het Chimi Lhakang-klooster, op de weg tussen Thimphu en Punakha, zal de oudste monnik indien gewenst ook zijn zegening geven. Wat voor toeristen een attractie op zichzelf is, want hij doet dat met een heilige houten penis op je hoofd, maar voor de boeddhist is het een serieuze zaak. Het zit zo: dit is de tempel die is gewijd aan de ‘Goddelijke Gek’, de lama Drukpa Kunley (1455-1529). Hij was een zonderling die gek was op vrouwen en drank. Hij maakte seksueel getinte verzen en toespelingen en schaamde zich kennelijk niet voor zijn penis. Zijn tempel is de Tempel van de Vruchtbaarheid geworden. Stelletjes die vrezen geen kinderen te kunnen krijgen, komen speciaal naar deze tempel om te bidden en te offeren. Als de monnik hen op het hoofd raakt met de heilige reproductie van de beroemde fallus, betekent dat echt iets. Ze wensen met hun ogen dicht een kind, vele jongens zijn zo Kunley gaan heten.

De toerist koopt in de souvenirwinkel in het dorp een mini-penis voor een paar euro, de Bhutanees gaat naar huis vol hoop. Want er zijn een paar plekken die zo heilig zijn dat wat je daar wenst sowieso uitkomt. In Bhutan is zo’n uitspraak altijd waar.

De ultieme heilige locatie is Taktsang, een klooster dat is gebouwd tegen een klif op 900 meter boven de Parovallei. Precies daar is goeroe Rinpoche, de ‘waardevolle meester’, ergens in de achtste eeuw op de rug van een vliegende tijgerin aangekomen om er een plaatselijke duivel te verdrijven. Het complex heeft nu de bijnaam Tiger’s Nest. De goeroe heeft er drie maanden in een diepe grot gemediteerd. In die diepte gooien Bhutanezen wat geld, bij zijn altaar staan de offers die de mensen brengen, variërend van trossen bananen en blikken melk tot repen chocolade en bussen Pringles.

Niets heiligers bestaat er, ook al is het klooster in 1998 bijna geheel afgebrand en daarna compleet herbouwd – de vlam van de rituele boterlampen hebben wel vaker fatale branden veroorzaakt in dzongs, tempels en kloosters.

De tocht naar boven is een heuse pelgrimage. Minimaal eens in je leven doe je deze fikse wandeling, desnoods in de brandende zon. Halverwege kun je nog aan een groot bidwiel draaien, en dan stap je gesterkt weer door. Hoe dichter bij het klooster, hoe meer gekleurde vlaggetjes over en langs het pad.

Complete families gaan gezamenlijk de berg op. Iedereen is blij en vriendelijk. Ze zijn ook trots dat buitenlanders ook deze bijzondere plek bezoeken. Ze knikken, ze glimlachen. Ze vertellen dat ze hier nu voor de tweede keer zijn, of voor de derde keer. Vrouwen dragen kindjes op hun rug, dat brengt extra voorspoed.

Zo kun je dan ineens ‘Hello! How are you?’ achter je horen roepen. Een jongetje, hij heet Dhendip, en hij loopt mee naar boven. Dhendip is 10 jaar, zit in klas 6, en is hier samen met zijn vader, moeder, oom en grote neef Tshering. Hij vraagt: ‘Is dit jouw eerste keer?’

‘Ja. Het is prachtig. En jij?’
‘Eerste keer. Vind je het niet zwaar?’
‘Nee hoor. Soms een beetje. Maar het is toch mooi daarboven?’
‘Héél mooi.’
‘Jij loopt ook best snel naar boven!’
‘Is jouw land mooier dan Bhutan?’
‘Nou, Nederland is veel platter.’
‘Raar hoor...’
‘Wat bedoel je?’
‘Waarom willen mensen altijd hierheen komen? Mensen uit Bhutan willen juist altijd liever naar andere landen.’

Het jongetje verwacht geen antwoord. Hij zegt: ‘Zie ik je zo boven nog?’ En hij huppelt door. Het antwoord was geweest: vanwege deze momenten van betovering. Zolang Bhutan doorgaat met Bhutan te zijn.

Lees meer