China

China: Op zoek naar de panda

Een avontuurlijke fotoreis langs China’s rijke cultuur en ongerepte natuur in de provincies Shaanxi en Sichuan. donderdag, 9 november

Door Paul Römer

‘Zie je dat?’ Parkwachter Jack Zhang gebaart ons te stoppen. Ik kijk in de richting van zijn linkerarm, die wijst naar een punt achter de bamboestruiken. Daar, tussen de takken door, zie ik een groot lichtharig dier. Een reuzenpanda?

Mijn hart klopt in mijn keel. Kan het waar zijn dat we nu al, anderhalve dag na aankomst, de panda waarnemen? We hebben pas zo’n drie uur gelopen door natuurreservaat Changqing, in het hart van China.

Het dier beweegt, maar door de compacte vegetatie is het nog altijd niet te herkennen. Het is een spannend moment tijdens deze pittige wandeling. Zodra ik een stukje verder loop, sta ik oog in oog met een takin of rundergems, een hoefdier zo groot als een koe dat volgens Zhang levensgevaarlijk kan zijn en waarvan er in dit gebied circa 400 voorkomen. Vorig jaar zijn vier streekbewoners in de bergen aangevallen door een takin, vertelt hij, allemaal met fatale afloop. ‘Maak geen onverwachte bewegingen!’ fluistert hij dwingend. De takin heeft ons natuurlijk al lang opgemerkt, lijkt even onze kant op te komen maar schuifelt dan van ons vandaan. Binnen twintig seconden is hij volledig opgegaan in dit besneeuwde berglandschap.

Ik kijk onmiddellijk naar mijn reispartner, fotograaf Jan Vermeer. Want terwijl ik met  bonzend hart een glimp probeerde op te vangen van deze takin, toverde Vermeer zijn fotoapparatuur tevoorschijn, draaide geluidloos maar razendsnel zijn 500mm objectief op zijn camera, richtte deze op het enorme beest en drukte enkele keren af. En? Voor een perfecte opname was de ontmoeting met Budorcas taxicolor te vluchtig, de begroeiing te dicht, zo blijkt – al kijkt het dier ons op de foto strak aan.

Vermeer en ik zijn in China op een avontuurlijke fotoreis. Het is de bedoeling dat hij later dit jaar, en begin 2012, een vergelijkbare tocht maakt als persoonlijk begeleider van een groepje vrijetijdsfotografen die graag mooie verre bestemmingen in beeld brengen. Hij verzorgt dan, zou je kunnen zeggen, een workshop natuur- en reisfotografie op locatie. Die locatie is vandaag dus Changqing, een van negentien beschermde, aaneengesloten natuurparken in het Qinlinggebergte, in de provincie Shaanxi. Behalve wij is hier niemand. Zonder toestemming van de plaatselijke autoriteiten kom je het natuurgebied eenvoudigweg niet binnen – iedere bezoeker heeft een vergunning van de parkwachters nodig, dus ook wij. Om ons heen torenen grillige pieken hoog uit boven de witte bomen, stroompjes smeltwater zorgen voor de enige klanken in dit afgelegen, in deze periode van het jaar mistige gebied. Het is de hotspot voor de panda, China’s trots en nationale schat. ‘Dit is een droom voor iedere fotograaf,’ zegt Vermeer opgewonden. ‘Zo dicht bij deze beschermde diersoort.’

Op de bijna 300 vierkante kilometer die Changqing groot is, zeg maar de oppervlakte van Vlieland, leven naar schatting 100 exemplaren. In de periode januarimaart, als de temperatuur overdag soms ver onder nul reikt, daalt de panda af naar de warmere valleien, toch nog altijd 1800 meter hoog, om zich daar tegoed te doen aan de alom aanwezige bamboe. Waar we ook kijken, overal groeien bamboestruiken. Er komt geen eind aan. De gebroken takjes die Zhang ons af en toe laat zien duiden erop dat er onlangs door panda’s aan geknaagd is. Maar het overtuigendste bewijs dat de dieren in de buurt zijn geweest, vormen de pootafdrukken diep in de sneeuw. Een machtig gezicht. Ik begrijp de woorden van Zhang nu wat beter. ’s Ochtends, terwijl ik van alles kreeg uitgelegd over het gedrag van de panda, vroeg ik hem wat dit dier en het gebied voor hem betekenen. ‘Ik voel me één met de panda,’ antwoordde hij. ‘Hier, tussen de bamboe en in de bergen, ben ik thuis.’

Hoewel we na ongeveer 17 kilometer lopen en zoeken helaas geen panda zijn tegengekomen, prijzen we ons aan het einde van de dag gelukkig met de waarneming van de takin en, eerder vandaag, van drie gouden stompneusaapjes. De aapjes, met oranje kop en lachwekkende platte blauwe neus, sprongen niet ver van ons vandaan krijsend van boomtop naar boomtop, geleidelijk uit beeld. Na elke beweging zwiepten de kale takken terug, wat eengeluid voortbracht alsof iemand uit alle macht twee houten stokken tegen elkaar aan sloeg. In deze imposante stilte zorgden de dieren voor enig rumoer: niet eerder koesterde ik zo veel sympathie voor een stel apen. 

Wie Changqing bezoekt, zal verblijven in het nabijgelegen Huayang, een 2000 jaar oud stadje dat zijn oorsprong vindt in de Qing- en Han-dynastieën en dat in 2010 grondig is gerestaureerd. Verspreid door China kom je zulke dorpen vaker tegen. Toeristen, ook die uit China zelf, betalen een toegangsbewijs om er überhaupt te mogen rondlopen, waardoor het iets wegheeft van een pretpark. Er rijden zelfs treintjes rond. Toch doet die benaming geen recht aan de authenticiteit van de huizen en straten, de winkeltjes en restaurants – en niet in de laatste plaats aan de mensen die er gewoon wonen en werken. Het historische karakter van Huayang wordt nog eens benadrukt door het gebrek aan auto’s. De inwoners wandelen of fietsen. De twee jeeps waarmee Zhang en zijn team van parkwachters en onderzoekers ons rondrijden, zijn hier een bezienswaardigheid. 

China is, zoals vaker beschreven, een land met twee gezichten. Het arme platteland, waartoe ook dit gebied gerekend kan worden, staat in schril contrast met de moderne, ontwikkelde steden. Lopen vrouwen in de landerijen nog vaak op blote voeten, in de stad haasten ze zich naar hun werk op Prada’s. Zoals in Xi’an, onze volgende halte en de hoofdstad van Shaanxi. Brede boulevards, waar de aanblik van honderdduizenden mensen je soms de adem beneemt, worden opgelicht door reusachtige reclameborden. Starbucks, McDonald’s en Kentucky Fried Chicken verleiden ons met hun bekende logo’s. Het verschil met de stilte in bamboeland, waar ik een dag eerder nog een takin en goudaapjes in het vizier had, is zo wezenlijk dat het moeilijk is te bevatten dat we in hetzelfde land zijn.

Het maakt deze reis juist zo boeiend. Weliswaar is de zoektocht naar de panda in zijn natuurlijke leefomgeving een onmisbaar onderdeel van deze tocht, het gaat hier om een fotografiereis die voor de deelnemer een album met afwisselend beeld moet opleveren. Vandaar ook dat deze trip de reiziger niet uitsluitend langs China’s flora en fauna voert, maar ook langs miljoenensteden als Chengdu en Xi’an. ‘De monumentale, rustige natuur wordt afgewisseld door kleurrijke, drukke steden,’ legt Jan Vermeer uit. ‘Het is heerlijk om dan met een camera je gang te gaan en een mooi visueel verhaal te vertellen.’

Xi’an, met naar schatting zeven miljoen inwoners, staat vooral bekend om zijn vele universiteiten (er wonen één miljoen studenten) en zware industrie. Rolls-Royce en Boeing hebben hier productielijnen in gebruik genomen. Aan de zoom van de stad wordt vanalles verbouwd, vooral fruit. Een kwart van de appelsap die wereldwijd wordt geproduceerd, komt hier vandaan. Maar behalve vruchtbare akkers, immense fabrieken en levendige straten bevindt zich hier vóór alles het beroemde terracottaleger. Ooit ontworpen om het mausoleum van China’s eerste keizer Qin Shi Huangdi (259-210 v.Chr.) te bewaken, vormen de duizenden krijgers dé grote attractie van Xi’an. 

In de taxi ernaartoe spreken we met chauffeur Cheng Wei, die zijn wagen behendig langs duizenden auto’s, fietsers en voetgangers manoevreert. Zodra hij doorheeft dat we uit Europa komen, vraagt hij ons – nee, smeekt hij ons – een misverstand uit de wereld te helpen. ‘Ooit is er door een westerse fotograaf een foto gemaakt van een Chinese vrouw met een chirurgisch kapje voor haar mond,’ vertelt hij in redelijk Engels. ‘Ze zou het dragen vanwege de smog. Onzin! De luchtvervuiling interesseert ons geen zier. We dragen die mondkapjes alleen maar omdat het ’s winters zo koud is.’

Net als de smog, die het hele jaar door als een zware deken over de stad ligt, zijn de mondkapjes niet uit het straatbeeld verdwenen. Sterker, als ik naar buiten kijk, ontdek ik allerlei modieuze varianten, zelfs met design print. Zo zie ik bij een stoplicht dan toch mijn eerste ‘panda’: een meisje met op haar hoofd een pandamuts, inclusief opstaande oortjes, en een mondkapje waarop de snuit is afgebeeld. Het is niet de laatste keer tijdens deze reis dat ik de panda op straat zie opduiken. China’s troeteldier geeft acte de présence in winkeltjes, restaurants en hotels, zij het in de vorm van petjes, handschoenen, beeldjes en T-shirts. De panda is werkelijk overal...

Sissi Cheng, de gids die ons naar het museum rond het terracottaleger begeleidt, bevestigt het verhaal van de chauffeur en voegt eraan toe dat de kou in deze contreien niet alleen met mondkapjes wordt bestreden. ‘Het eten in Shaanxi is very, very spicy, juist om de natte en barre omstandigheden het hoofd te bieden. In warmere gebieden is het eten een stuk minder heet. Ook in ons dieet zoeken we naar een balans. Yin en yang.’

Die avond waag ik mij in een restaurantje in de moslimwijk van Xi’an, om de hoek van het vermaarde Bell Tower Hotel in het centrum, aan enkele streekgerechten met rund- en varkensvlees en veel groenten. Het is heerlijk, maar ja, ook heet, heel heet. Het zweet breekt me uit. Rijst biedt soelaas, en ook met een lokaal biertje blus ik graag het vuur in mijn mond. Mogelijk verklaart dit waarom ik op deze reis geregeld in mijn winterjas en met handschoenen aan in een restaurant zit te eten. Nergens is een verwarming geïnstalleerd. Die is met dit menu helemaal niet nodig! Volgens Cheng ‘is stoken eenvoudigweg te duur’. De meeste eetgelegenheden en winkels hebben niet eens een deur, de eigenaars en klanten zitten in dikke lagen kleding rond een vuurkorfje aan de stoep, soms in een tuinstoel. Loop je er langs, wees dan wel alert op de klodders speeksel die met regelmaat naar buiten worden geschoten...

Jan Vermeer zoekt al die tijd naar mooie plaatjes. Sommige mensen op straat schieten weg als ze zijn camera zien, maar daar neemt hij vaak geen genoegen mee. ‘Mensen fotograferen is voor veel fotografen altijd een beetje eng. Ik zal nooit plotseling voor iemand opduiken met een camera voor mijn gezicht. Contact maken is in China best lastig, omdat veel mensen de Engelse taal niet machtig zijn. Maar met gebaren en lachen kom je een heel eind. Vaak beginnen mensen er dan ook de lol van in te zien en maken ze geen bezwaar. Zag je die vrouw die probeerde te vertellen dat ze er niet mooi uitzag en wilde doorlopen? Met mijn handen probeerde ik duidelijk te maken dat ze juist prachtig was.’

Anders dan in de zomerperiode is het museumpark rond het terracottaleger – gelegen bij de berg Li, net buiten het hedendaagse Xi’an – nu nagenoeg leeg. We lopen naar de plek waar in 1974 twee boeren nietsvermoedend een put groeven en op een bijzondere, naar later bleek 2000 jaar oude scherf stuitten. Het was de start van een opgravings- en restauratieproject waarover National Geographic Magazine vaak heeft bericht en waarvan het einde nog altijd niet in zicht is. Boven de kuilen die zich openbaarden is nu een gigantische hal gebouwd. 

De deuren gaan open, en opeens kijk ik uit over een massa van honderden terracottakrijgers, allemaal met een persoonlijke gezichtsuitdrukking, opgesteld in zes meter brede gangen, in rijen van vier en klaar voor de strijd. ‘Niemand komt aan onze broodheer!’ lijken ze uit te dragen. Hun geestelijk vader wordt door Chinezen geëerd en verketterd. Qin Shi Huangdi verenigde het land en introduceerde één geschreven taal, maar hij was ook een wrede heerser die er niet voor terugdeinsde zijn mensen te folteren en te executeren.

Onder de bruin-grijze tinten van het leger zie ik soms een veeg geel of een vlekje paars. ‘Paars was in die tijd een extreem dure want kunstmatige kleur,’ vertelt onze gids Bruce Bai in vlekkeloos Engels met een Amerikaans accent. ‘Je had er zeeschelpen voor nodig die van ver moesten komen. Het is de eerste archeologische vondst van paars.’ Wat een overrompelende indruk moet dat hebben gemaakt: al die krijgers, uitgedost met felkleurige uitrusting en stuk voor stuk groter dan de gemiddelde Chinees om de mensen angst in te boezemen, die je strijdlustig aanstaren. Bai, die hier al honderden keren is geweest, zal nauwelijks nog onder de indruk zijn, vermoed ik. Maar, zegt hij desgevraagd: ‘Every time it’s like I am looking at my old brothers.’

Wat een contrast: ver weg van de drukte in miljoenenstad Xi’an bewonder ik de 32 meter brede Nuorilangwaterval, een van de bezienswaardigheden in Jiuzhaivallei Nationaal Park, ook wel Jiuzhaigou genoemd. Dit 720 vierkante kilometer grote natuurreservaat – in het noordwesten van de provincie Sichuan, tegen de oostgrens van het Tibetaans Hoogland – biedt bescherming aan zeldzame planten en dieren. 90 procent van alle in China voorkomende soorten zijn hier te vinden. Met talloze, door calcietafzettingen turquoise gekleurde meren en watervallen met lyrische namen als Parelstrandwaterval, Vijfbloemenmeer en Pijlbamboewaterval is dit werelderfgoed de parel van de Chinese natuur. Het is volledig toegerust voor de twee miljoen bezoekers die er jaarlijks op afkomen: overal langs het water zijn planken wandelpaden aangelegd, en restaurants en (schone) toiletten maken dit tot een uiterst aangename ervaring. Ook leven er takins en goudaapjes op de steile hellingen met esdoorns, zilversparren en bamboe. En de panda? Door houtkap, die dit gebied kaalplukte voor het een beschermde status kreeg, was het dier goeddeels verdreven naar andere gebieden. Er zijn inmiddels weer enkele exemplaren waargenomen, maar niet door mij. Nou vooruit, het lacht me toe vanaf plakkaten in het park en in het toeristenwinkeltje bij de ingang. 

Terwijl ik Jan Vermeer naar een punt zie klimmen vanwaar hij de bevroren waterval bijna volledig kan fotograferen, vraag ik Jack Li waar die namen van de watervallen en meren vandaan komen. ‘Ze vinden hun oorsprong in de geesten die er volgens de boeddhistische Tibetanen bezit van hebben genomen.’ Li, een praatgrage en gedreven veertiger, is hoofd van de Jiuzhaigou Nature Protection Association en staat aan de wieg van het ecotoerisme in dit gebied. Met groepjes outdoorliefhebbers verlaat hij de gebaande paden in Jiuzhaigou, zegt hij, om te kamperen in de ongerepte stukken en te informeren over de plaatselijke flora en fauna. ‘Ik hoop zo mijn klanten respect voor de natuur, ónze natuur bij te brengen.’ 

Vermeer keert even later tevreden terug. ‘Fotografen vinden dit heerlijk. Soms reis ik met mensen die de mooiste ijsdetails weten te vangen. Die ontleden dat ijs op zo’n manier dat ik me soms afvraag waar ík al die tijd was.’ Jiuzhaigou, gaat hij verder, zal voor veel reizigers het hoogtepunt van de trip zijn. ‘Het landschap is fenomenaal. Bergen en helblauwe meren met bijzondere planten- en diersoorten leveren bijzonder materiaal op. In mijn landschapsfoto’s zoek ik altijd dat ene detail dat de aandacht trekt. Een bamboetak met de hoge bergen op de achtergrond geeft je een sense of place, maar dat ene vogeltje maakt het beeld.’

Het natuurreservaat ligt op 45 minuten vliegen van Chengdu, onze volgende en laatste verblijfplaats. Deze voormalige hoofdstad van China, en nu hoofdstad van Sichuan, staat internationaal in de schaduw van Beijing en Shanghai, maar is met zijn meer dan 11 miljoen inwoners (!) een minstens zo overweldigende metropool. Duizenden voetgangers en fietsers, die werkelijk levensgevaarlijke toeren uithalen om een rotonde over te steken, stromen me tegemoet. En wat zo mooi is: niemand stoort zich aan niemand. Dat het druk is, is een gegeven. Ik heb me in een stuk of wat taxi’s laten vervoeren, en iedere chauffeur gebruikt zijn claxon elke 20 seconden, schat ik zo. Niet om geërgerd te reageren op een situatie, maar gewoon, als communicatiemiddel. ‘Let even op,’ toeteren ze, ‘ik ben er ook.’ 

Op straat komen we verroeste bakfietsen tegen, die links en rechts worden ingehaald door glimmende BMW’s. Maar nergens is de botsing tussen traditie en vernieuwing zo zichtbaar als in de wijk Qingyang, waar ons hotel staat. Achter de klassieke, ook hier weer open en daardoor ijskoude winkeltjes – die met het oog op China’s nieuwjaar, het Lentefeest, uitbundig zijn versierd – doemen kolossale wolkenkrabbers op. Zo staat hier de West Pearl Tower, een modern gevaarte van 339 meter hoog. Dát, kan ik concluderen, maakt deze fotografiereis zo aantrekkelijk. ‘Van arm tot rijk, van natuur tot cultuur: de visuele variatie is enorm en kan een prachtig beeldverhaal opleveren,’ beaamt fotograaf Vermeer.

Chengdu biedt de laatste mogelijkheid een levende panda te zien. Even buiten het centrum, en eenvoudig te breiken met openbaar vervoer en taxi, ligt het gerenommeerde Chengdu Research Base of Giant Panda Breeding – een 92 hectare groot park waar onderzoek wordt gedaan en waar de dieren worden gefokt. Op het moment dat wij er zijn, telt de populatie in het centrum 53 panda’s (en 22 rode panda’s). Zodra ik de toegangspoorten doorloop, waan ik mij in een heus bamboebos. Nee, niet zo ongerept als Changqing, waar ik deze reis begon, want de fraai aangelegde paden, de busjes met vele bezoekers en de politiesirene in de verte nemen die illusie algauw weg, maar het centrum heeft de natuurlijke leefomgeving van de panda zo goed mogelijk nagebootst. Ook Vermeer is meteen in zijn element, zie ik. Hij gaat me voor naar de omheinde verblijfplaatsen. Dan eindelijk, op de dag voor vertrek, zie ik een panda. En nog één, en dan nog één. Ze eten, spelen, rusten, klimmen. Vermeer drukt honderden keren af. ‘Wat een einde. We hebben de dieren niet in hun eigen omgeving gezien, wat jammer is, maar ja: de natuur laat zich niet regisseren en panda’s verschijnen niet op afroep. Maar deze fotosessie, die prachtige close-upsmogelijk maakt, is een uitstekend alternatief.’

Als we na enkele uren besluiten te vertrekken, kijk ik nog één keer om naar zo’n wit-zwarte lobbes, die bamboetakken afbreekt alsof het eetstokjes zijn. Ik ben blij dat ik toch nog een exemplaar met eigen ogen heb gezien, en neem tevreden afscheid van het land van rochelen, rijst en de reuzenpanda.