China

Poëtisch Hangzhou

Talloze Chinese schrijvers lieten zich in Hangzhou verleiden door de sublieme tuinarchitectuur en romantiek van het Westelijke Meer. donderdag, 9 november

Door Daan Vermeer

Een jolleman vaart me, wrikkend met een peddel, in zijn houten boot over het Westelijke Meer van Hangzhou. Met elke wrik, glijden we verder af van de miljoenenstad en komen we dichterbij de treurwilgen die de andere drie zijden van het meer sieren.

Op het tafeltje voor me deinzen theenaalden in het dampende water van mijn theeglas. Een schaaltje met balletjes van plakrijst en sesamzaad staat ernaast. ‘Deze thee groeit aan de zuidkant van het meer,’ vertelt de bootsman me. ‘En die hapjes, die aten mijn ouders vroeger al. Het zijn traditionele snacks.’ Snoepend van de balletjes varen we onder stenen boogbruggen door, langs lotusbloemen en waterlelies. ‘Die hadden al lang moet  loeien. Maar de natuur is even in de war,’ grapt de man achter op de sampan. Dat geldt ook voor de zon, die heeft vandaag wat moeite door te breken. Nevel blijft hangen, wat weer zorgt voor een zekere mystiek.

Vanaf een paviljoen, aan de andere zijde van de vijver waarover we varen, klinkt een dwarsfluit. De man die het instrument bespeelt, doet dat zó beheerst, dat het ritme een soort symbiose vormt met de omgeving. Een troep zwanen, wat koikarpers en een halve fata morgana verder, leggen we aan bij de steiger van mijn hotel. ‘Welkom in Hangzhou’, klinkt het trots.

Elke reisgids vertelt me hetzelfde: dé bezienswaardigheid van Hangzhou, een stad met 9 miljoen inwoners op een uurtje treinen van Shanghai, is de ‘Gebroken brug met dralende sneeuw’. Maar die brug is niet de aanleiding van mijn reis. Mijn Chinese schoonfamilie zweert bij het Westelijke Meer. Toen het verderop gelegen Shanghai niets dan een vissersdorp was, stond het meer van Hangzhou al bol van de tuinarchitectuur. Talloze boeken, gedichten, TV-shows en schilderijen zijn opgedragen aan de waterstad en Chinezen zijn er daarom aan verknocht. ‘Als kinderen keken we naar het verfilmde sprookje van het meer, dat ’s zomers op TV werd uitgezonden.’ vertelt mijn schoonzus. 'We groeiden op met de verhalen over Hangzhou, de plek waar je oud China kunt aanraken. Voor Chinezen is het meer van Hangzhou zo bekend als Venetië voor jullie is, het is er hemels.”

Na de afgelopen reizen de muur, het terracottaleger en wereldsteden gezien te hebben, luister ik eindelijk naar mijn famile, hopende op liefde op het eerste gezicht.

Op een van de leenfietsen, die op elke straathoek klaarstaan, fiets ik langs de waterkant en zoek ik naar de boogbrug. Ik doorkruis de tuinen, pal aan het water, waar fanatiek gedanst, gezongen, gediscussieerd en gekaart wordt. Dat de brug, anders dan de naam doet vermoeden, geenszins is ingestort, besef ik wanneer ik hordes mensen in de weer zie met hun camera’s en telefoons. Bruggen waar ik langs fietste hadden versierde balustrades of een paviljoen, maar Hangzhou's bekendste boogbrug is kaal. Dat er toch volop geposeerd en gefotografeerd wordt, fascineert me.

Het paviljoen ernaast, met kruldak en glimmende dakpannetjes, spreekt meer tot mijn verbeelding. Hier gaan opa’s en oma’s swingend de vloer over. Ik raak aan de praat met de bejaarde heer Mà. Hij bedient niet alleen de met klassiekers gevulde MP3-speler, hij danst zelf ook graag. ‘Al 25 jaar kom ik hier dagelijks,’ vertelt hij, ‘vooral in het weekend komen de mensen hier om te ballroomdansen. Op de Chinese manier, natuurlijk!’

Zijn antwoord op mijn vraag naar de mooiste plek van Hangzhou, kan niet diplomatieker: ‘Alles is mooi hier. Een betere plek om je pensioen door te brengen, bestaat echt niet!’ Voorzichtig vraag ik hem naar de gebroken brug. ‘Die is nooit kapot geweest. Het is een beroemde locatie, het bekendste Chinese volksverhaal speelt zich hier af,’ legt hij uit. Veel tijd om me daar over te vertellen, heeft hij niet: ‘Sorry, de muziek is bijna afgelopen, ik moet weer aan het werk’.

Geïntrigeerd door de mensen op de brug, bezoek ik een boekhandel. Een bundel met volksverhalen neem ik mee terug naar het water. Wandelend over de dijk passeer ik perzikbomen, treurwilgen en bankjes met uitzicht over het water, een uitgelezen plek om te beginnen in mijn net gekochte boek. Van de ‘Chinese versie van Romeo & Julia’ had ik wel eens gehoord, maar van de ‘Legende van witte slang’ niet. En dat blijkt het verhaal te zijn waar het in Hangzhou om draait.

Talloze malen is het verhaal van de Witte Slangenvrouw verfilmd en opgevoerd in theaters en opera's. En welke versie je ook ziet of leest, die kapotte brug staat altijd centraal. Daar leefde ooit een schildpad en een witte slang met magische krachten. Op een dag verscheen de slang als bloedmooie vrouw en vond haar liefde, op de brug. De jaloerse schildpad kon het niet aanzien en veranderde in een monnik Fa Hai, eveneens met bijzondere krachten. Uit jaloezie nam hij de slangenvrouw gevangen in zijn bedelnap, die hij verstopte onder de toenmalige Leifengpagode, aan de zuidkant van het meer. De pagode en de brug, waar je dus zo maar de liefde van je leven tegen het lijf zou kunnen lopen, zijn daarom de must sees hier. Hoe de brug aan z'n misleidende naam is gekomen, dat is een ander volksverhaal.

Chinezen slenteren in drommen langs mijn bankje. Ze lijken namelijk allemaal oog te hebben voor dezelfde dingen, niemand die even het gebaande pad verlaat. Hoewel ik ze fascinerend vind, merkt niemand de vliegeraars op die hier staan. Naast mijn bankje staat bijvoorbeeld een oudere man, zo blij als een kind, met witte handschoenen en een wiel om zijn nek om het vliegertouw op te winden. ‘Pas toen ik met pensioen ging, drie jaar geleden, ben ik hiermee begonnen,’ vertelt hij mij trots. ‘Op dit wiel zit twee kilometer aan draad, dus met goede wind zie ik mijn eigen vlieger amper.’ Vandaar ook zijn zonnebril én de handremmen aan het wiel. Vliegeren is hier geen sinecure.

Ik laat het boek in mijn tas glijden en wandel verder over de dijk, de Baai Di, naar het maanpaviljoen. In het theehuis raak ik aan de praat met de serveerster. Ze vertelt me dat deze plek, net als de gebroken brug, een van de tien bekendste plekken is rondom het meer: ‘Bij volle maan is het hier een komen en gaan van mensen. Ze eten Chinese wolhandkrabben en drinken daarna groene thee, met traditionele maancake.’

De volgende dag ontmoet ik studenten Huimin en Shiming. In een land waar Engels verder van de mensen staat dan de maan, is het een zegen dat zij zich hebben verdiept in zowel Engels als in Chinese volksverhalen. Een tot nu toe verborgen wereld gaat voor me open wanneer zij me er, bij de Leifengpagode, over vertellen.

‘Deze toren is gebouwd door de keizer, om zijn zieke concubine beter te maken.’ vertelt Huimin. ‘Dat is niet waar!’ zo valt Shiming haar in de rede, ‘hij werd gebouwd als dank dat zijn favoriete vrouw uiteindelijk zwanger werd. En dat was rond 1200 na Christus.’ Schijnbaar is het sprookje zó vaak doorverteld dat er inmiddels talloze versies van bestaan. Huimin: ‘Chinezen zijn zo meegaand in het sprookje van de Witte Slang, dat ze maar moeilijk het verschil tussen fabel en feit konden bevatten.’ De bakstenen van de pagode waren dan ook het souvenir bij een bezoek aan Hangzhou. ‘Die werden gewoon uit de muur getikt en wel in zulke grote aantallen, dat de pagode in 1924 instortte,’ vertelt Shiming.

Het sprookje werd nieuw leven ingeblazen in 2002. En wel met een nieuwe pagode, dit keer gemaakt van staal. We nemen de lift naar boven en zien, op de eerste van de vier etages, verschillende passages van het sprookje van de Witte Slang, uitgesneden in wandpanelen. Vanaf de bovenste verdieping kijken we uit over het decor van de volksverhalen, zij het nog altijd bedekt met een sluier van mist.

Een dag later fiets ik zuidwaarts. Na nog geen half uur sta ik er versteld van hoe snel het landschap hier verandert. Want zoals de rijstvelden zuidelijk China bekleden, zo bedekken in Longjing de felgroene theestruiken de heuvels. De naam Longjing is Chinees voor drakenput, een naam die refereert naar, jawel, een mythisch verhaal over China's fijnste thee dat zich afspeelt rondom de voormalige Hu Gong-tempel.

Echt gewerkt wordt er vandaag niet. Slechts in het voorjaar bedwingen de dorpelingen met hun rieten manden de hellingen. Alleen dan is de smaak van de nog opgerolde theebladeren perfect. Toch loopt meneer Wáng vandaag eenzaam langs zijn struiken.

Daar heeft hij er zo'n 600 van, vertelt hij. ‘Kijk hier, nog een rups’, roept hij wat geïrriteerd, waarop hij het beestje van een blad haalt. ‘Per jaar lever ik zo'n 50 kilo droge thee. En die moet perfect zijn.’ Vorig jaar kreeg hij 50.000 yuan (€6000) voor zijn oogst en omdat hij dit jaar geen yuan minder wil krijgen, haalt hij een voor een de rupsen van de struiken af.

Het dorp Longjing, onder aan de heuvels, zou zo maar eens de plek op aarde kunnen zijn met de meeste theehuizen per vierkante kilometer. Precies zoveel theehuizen als families wachten op ons: 600. Bij Long Jing Wen Cha, op huisnummer 176, gaan we zitten. Daar wil een oudere man ons spontaan laten zien hoe hij al sinds zijn 15de theebladeren droogt. Geplukte blaadjes bevatten vocht en dat moet eruit, zodat de blaadjes niet gaan rotten. Spontaan pakt hij een wok en gaat erbij zitten, op een wankel krukje. Dat hij met zijn blote handen de blaadjes over het hete ijzer kan vegen, verraad zijn kundigheid en eeltige vingers. Overigens zijn het geen verse blaadjes - sinds het voorjaar is er niet meer geplukt - maar hij is té trots om het niet te laten zien.

Op een veranda verderop, op de plek waar ooit de Hu Gongtempel stond, zie ik een vrouw haar handen en hoofd bewegen als een ballerina. Terwijl ze, gestoken in een rode zijden jurk, zich aan het voorbereiden is op een theeceremonie, wordt een eenentwintig-snarige guzheng gestemd door andere vrouw. Ze draagt eveneens een jurk van zijde en heeft naalden aan haar vingers gebonden, waarmee ze vliegensvlug het snaarinstrument bespeelt. Het kalmerende geluid vult de veranda die omsloten is door bamboestruiken en bonsais.

In snelle pas loopt de dame in de rode jurk naar de opgemaakte tafel. Ze gaat plechtig voor de theekopjes staan. Een verteller verschijnt ten tonele en geeft uitleg over de ceremonie, waarop de theemeesteres begint met het vullen van de kopjes met heet water. Haar handen glijden sierlijk door de lucht en met geplande zorgvuldigheid giet ze het water vanuit de ketel in de kopjes.

Gedroogde groene theeblaadjes gaan langs onze neuzen, voordat die in de voorverwarmde kopjes verdwijnen. Even sierlijk schenkt de vrouw haar keteltje leeg in de kopjes, waarna ze er snel dekseltjes op legt. Het getokkel op de guzheng gaat onverminderd door. Nadat de thee getrokken heeft, verschijnt het servies op tafel, tussen de schaaltjes Japanse mispels en yangmei, een Chinese gagel. Het komt misschien deels door sfeer en entourage, maar de thee is minstens zo fluweelzacht als de jurk die de theemeesteres draagt. Zonde dat we in Nederland zo weinig aandacht aan de theebereiding schenken, gaat door mijn hoofd.

Tegen de avond, onder een donkerroze hemel, zit ik op de tribune aan de noordkant van het Westelijke Meer. Op geen andere plek komen de legendes zó tot leven als hier, al kan ik nog niet bevatten hoe levensecht en bijzonder het sprookje is dat ik hier ga zien. Het water voor me is het podium, terwijl de bruggen en treurwilgen het decor van ‘Impressies van het Westelijke Meer’ zijn. De show is uitgekiend door Yimou Zhang, de man die in 2008 de eer had de openingsceremonie van de Olympische Zomerspelen te regisseren.

Zodra de eerste klanken van een erhu klinken, een soort Chinese viool, valt de stilte. Lampjes glijden over het water. Of nee, het zijn geen lampjes maar zo'n honderd dansers, die tot hun enkels door het water lopen. Met paraplu's, knipperlampen in de vorm van vissen, veren en trommels volgen ze de muziek. De hoofdrolspelers varen in bootjes door de vijf scènes van het verhaal, dat gaat over een vurige ontmoeting, liefde, scheiding en zalige herinneringen. De impressies zijn een uitbeelding van een ontmoeting, die duizend jaar geleden hier plaatvond. Kippenvel krijg ik ervan.

Al kan ik mijn vinger er maar moeilijk op leggen, mijn ontmoeting met het Westelijke Meer was vurig. De volksverhalen rond het meer zijn als de Shakespeares van China: intrigerend en tegelijkertijd maar moeilijk te vatten. Het even oplichten van de mystieke sluier die over het gebied ligt, was genoeg om mij op te zadelen met zaligmakende herinneringen. Ik begrijp m'n Chinese schoonfamilie wel.

Laat je inspireren door de tips en praktische informatie in de reiswijzer die hoort bij dit verhaal uit Traveler 1-2015.

Lees meer