Colombia

Colombia: Renaissance in Bogotá

Colombia’s hoofdstad laat een duister verleden achter zich en begint zelfbewust aan een nieuwe toekomst. donderdag, 9 november

Door Jeffrey Tayler

Ik geef toe, ik ben een ongeduldige museumbezoeker. Ik hou er niet van om in volle ­­­zalen een kunstwerk te bekijken dat er in de catalogus ook goed uitziet. Maar voor één ­schilder maak ik graag een uitzondering: Fernando Botero, ‘de meest Colombiaanse onder de ­Colombiaanse kunstenaars’, zoals hij zichzelf omschrijft. Je kunt zeggen dat Botero in z’n eentje Colombia op de artistieke kaart heeft gezet. Zeker is dat hij zijn Museo Botero, in het hart van hoofdstad Bogotá, op mijn netvlies heeft gebrand.

Vanaf het panorama boven op de 3152 meter hoge Monserrate doet Bogotá zich op deze zomeravond voor als een glinsterende lappendeken van twinkelende lichtjes en groenzwarte schaduw. Een magnifiek, ontzagwekkend uitzicht. Mijn blik speurt naar het Museo Botero, ergens direct onder me in de wijk La Candelaria, het koloniale hart van de stad.

Nog maar vijftien jaar geleden verkeerde Bogotá in de greep van een slepende burgeroorlog. Linkse guerrilla’s, veelal uit Colombia’s arbeidersklasse, schoten beambten overhoop en bestormden regeringsgebouwen; rechtse paramilitairen vermoordden linkse tegenstanders. En de opbrengsten uit de drugshandel maakten sommigen fabelachtig rijk. Denk aan Pablo Escobar, de gedode leider van het Medellín-kartel, met zijn Learjet, onderzeeërs en eigen dierentuin. 

‘De zaken zijn nu anders, héél anders,’ zegt mijn vriendin uit Bogotá, de 33-jarige grafisch vormgever Carla Baquero. We lopen over het steile voetpad van het panorama naar de kabelbaan, die ons in tien minuten tot in de stad zal brengen. De gondel zet zich zwaaiend in beweging en we glijden bijna verticaal richting het donkerste deel van de helverlichte stad: La Candelaria. Deze wijk, vertelt Baquero, ‘is altijd de plek van de Colombiaanse dichters geweest, en het Bogotá van Simon Bolívar.’ De 19de-eeuwse bevrijder van Colombia wordt aanbeden – net als de kunst van Botero, die deze wijk voor zijn museum koos.

Het Museo Botero is gevestigd in een koloniaal woonhuis aan de Calle 11. Ik wil graag een schilderij van Botero zien dat me al tijden fascineert: Pareja bailando (‘Dansend paar’). Het werk beeldt een duo op de dansvloer uit: zij met weelderige heupen en rood haar, hij met een bleek gezicht en een dik postuur. We ontdekken het in een van de Botero-zalen (het museum toont ook andere modernisten, onder wie Picasso en Motherwell). Zoals meestal in Botero’s werk zijn de figuren corpulent. Maar de kunstenaar zou ze zo niet omschrijven: voor hem bezitten ze volumen, en daarmee de overdaad aan sensualiteit die Colombianen kenmerkt. Het tafereel- ziet er normaal uit, maar dan zie ik dat het danspaar niet in de spiegel erachter wordt weerkaatst – zijn het vampiers? En dat de man ongeschoren is – is dit een bordeel? De dingen zijn niet zoals ze lijken, ze houden een betekenis die niet meteen opvalt.

‘In zijn werk,’ zegt Baquero, ‘verwijst Botero naar problemen in onze geschiedenis, met corruptie, met schijnheiligheid in het privéleven en geweld onder de oppervlakte.’

We staan voor Una familia, een portret van een zo te zien normaal gezin, hoewel de moeder, de vader en de twee kinderen erg dik zijn. (Ze kunnen niet dik zijn, meent Botero, want ze hebben geen huidplooien. Dat is wat Botero bedoelt met ‘volume’.) Dan wijst Baquero me op de details.

‘De man heeft twee trouwringen om, wat suggereert dat hij vreemdgaat. De vrouw kijkt scheel, wat voor sommige Colombianen betekent dat ze niet te vertrouwen is, dus ook zij gaat misschien vreemd. En kijk, dat lelijke hondje: wij denken dat een hond het karakter van zijn baasje weerspiegelt.’ Ik zie een rode slang op de achtergrond, op het punt om de vrouw te bijten. ‘Dat is katholieke iconografie,’ zegt Baquero, een teken dat beide figuren zondaars zijn. Volgens Botero is Bogotá evenals de rest van Colombia sensueel maar ook katholiek; over veel zaken wordt niet openlijk gesproken.

Maar als we naar zijn luchtige Man te paard kijken, waarop ruiter en paard even zwaar lijken, voel ik de speelsheid, de Colombiaanse passie voor grootse momenten en de afkeer van ernst. Botero schildert zó knap dat zijn werk, net als Bogotá, het midden houdt tussen schone kunst en popart. Of, in culinaire termen, tussen tarte tatin en tompoes.

Ik heb altijd gevoeld dat Bogotá me in het bloed zit. Misschien omdat mijn moeder hier een paar jaar als tiener heeft gewoond, in een deftig casa señorial ergens op de in mist gehulde helling. Naar eigen zeggen was ze daar gelukkiger dan ooit.

In 2009 reisde ik voor het eerst naar Bogotá, voor mijn boek over Bolívar, de flamboyante staatsman die vijf Latijns-Amerikaanse landen van het Spaanse juk bevrijdde. Ik voelde een sterke band met ‘El Libertador’: zijn leven kende evenveel omzwervingen als het mijne, en zijn onrust en historische besef waren net zo dramatisch als die van mij. Ik werd verliefd op Bogotá, op zijn spectaculaire ligging aan de voet van de hoge Andes, op zijn kille, druilerige dagen, en op zijn inwoners, die jaren van terreur hadden doorstaan en nu de wereld in zich opnamen en erdoor herkend wilden worden. Maar ik werd vooral verliefd op de feestelijk beschilderde wijk La Candelaria, de wieg van Colombia’s recente Renaissance, waar campesinos in poncho’s naast stijlvol geklede (en inmiddels ontspannen) rijken over straat lopen, en waar paard-en-wagens langs sportauto’s ratelen. 

Ik wil me tijdens dit bezoek onderdompelen in het leven van La Candelaria en praten met bewoners die de wijk nieuw leven in blazen. Zo hoop ik mijn eigen plek in deze trotse latinocultuur te vinden – en inspiratie op te doen voor een nieuw boek, dat ik vanuit de ziel wil schrijven. Kortom, ik hoop dat iets van Colombia’s wedergeboorte op me zal afstralen, zodat ik deze stad de mijne kan noemen.

La Candelaria is een oase van historische stijlen aan de oostkant van Bogotá’s chaotische nieuwbouwwijken, die zich ten noorden en zuiden vanaf de voet van de Andes uitstrekken. Hier is de stad begonnen, hetzij rond de statige Plaza de Bolívar – waar Colombia’s parlement en hooggerechtshof zetelen –, hetzij rond de aparte Plazoleta del Chorro del Quevedo, met zijn steegjes die naar wiet ruiken en zijn volksvertellers. Tegenwoordig is La Candelaria een schilderachtige wirwar van keienstraatjes, lage huizen en winkels met spitse daken. Maar de wijk is lang een vervallen en gevaarlijke achterbuurt geweest, waar de grootste drugsmarkt van de stad, El Cartucho (nu een park), was gevestigd. In de herboren wijk, nu een ontspannen en moderne culturele hotspot, hebben de Oude Wereld en de 21ste eeuw elkaar gevonden.

Dat is wat Bolívar – de galante rebel die stamde uit een Europese welgestelde familie – gewild zou hebben, want hij was een fervent eurofiel en stelde zich Bogotá voor als een hoofdstad van wereldklasse. Bolívar kwam uit Caracas, de hoofdstad van Venezuela, maar hij trok zich vaak terug op La Quinta de Bolívar, zijn landgoed in La Candelaria, met medestrijder en maîtresse -Manuela Sáenz. Tegenwoordig is er een museum, gewijd aan de Bevrijder. Het landhuis hangt vol kroonluchters en spiegels met gouden lijsten, en buiten biedt de neoclassicistische tuin botanische rariteiten als de Colombiaanse bosbes. Ik begrijp hoe Carla Baquero deze plek ziet. ‘Ik ben altijd erg onder de indruk van La Quinta,’ zegt ze. ‘Ik denk aan Bolívar en zijn Manuelita, hoe gelukkig ze hier moeten zijn geweest. Maar dat duurde niet lang.’ Bolívar ging --in zelfgekozen ballingschap, en Manuela werd door de nieuwe -regering uitgewezen.

Bolívar zou weinig herkennen van de stad die hij groot maakte. Vanaf de luchthaven reed ik langs een rij wolkenkrabbers die de middagzon vlammend weerkaatsten, met op de achtergrond de groene massa van de Monserrate. Terwijl we onder bruggen met graffiti doorzoefden, worstelde m’n ademhaling met de hoogte: 2640 meter. Maar het heldere licht dat over de stad viel en alle kleuren verlevendigde, vervulde me van optimisme.

Op een ochtend heb ik een ontmoeting met een jonge-man die Bogotá wil veranderen, zo heb ik gelezen. Op weg naar de ontmoeting verdwaal ik in La Candelaria’s wirwar van straatjes. Om toch op tijd te komen zigzag ik hollend tussen open putten en grommende bussen door. Miguel Uribe- begroet me in het binnenhofcafé van het zalmkleurige Hotel de la Opera, gebouwd in koloniale tijden. Met zijn 28 jaar is Uribe Bogotá’s jongste gemeenteraadslid. Hij is ook de kleinzoon van de Colombiaanse ex-president Julio César Turbay Ayala. Als geen ander kent Uribe Colombia’s zwarte verleden. In 1990 gaf drugsbaas Escobar bevel tot de ontvoering van zijn moeder, de tv-journalist Diana Turbay. In 1991, na vijf maanden gevangenschap, mislukte een reddingsactie van de politie, waarbij Turbay in het vuurgevecht omkwam. (Schrijver Gabriel García Márquez legde deze tragedie vast in zijn non-fictiewerk Ontvoeringsbericht.) 

Uribe, destijds 4 jaar oud, is niet verbitterd. Hij richt zich liever- op de hoopvolle veranderingen van de laatste tijd. ‘In de jaren ’90 zaten we in onze eigen stad klem tussen de drugsbaronnen- en guerrillastrijders. Nu is het hier niet gevaarlijker dan in andere- steden.’ Hij nipt aan zijn frisdrank en vertelt: ‘Bogotá wordt gemoderniseerd-, maar La Candelaria heeft z’n identiteit behouden-, met gerestaureerde huizen en meer veiligheid, en met nieuwe bars, restaurants en tophotels.’ 

Dat van de hotels is waar. Ik logeer in het rustige Abadia Colonial, een hotel in de stijl van een koloniaal landhuis, met een Italiaans restaurant aan de binnenplaats. De Italiaanse eigenaar, Paolo Rocchi, vertelt trots over de bruisende artistieke sfeer en over de Fransen en Italianen die hier komen wonen. ‘Het is alsof je midden in San Francisco woont – het San Francisco van Latijns-Amerika.’

De wederopstanding van La Candelaria, met zijn kosmopolitische nieuwigheden, wordt verwelkomd in het tot voor kort politiek geïsoleerde Colombia.

‘Ooit betekende een avondje uit in Bogotá niet veel meer dan arepas (plat brood) en rum,’ zegt Yolima Herrera, een van de twee Bogotaansen met wie ik dineer in het wijkrestaurant El Patio. ‘Vandaag kun je wijn en speciale kaas- en hamsoorten bestellen.’ We proosten op de avond, met een Zuid-Amerikaanse cabernet sauvignon die niet onderdoet voor z’n Franse tegenhanger. Dan buigen we ons over een menu van Europese gerechten. ‘Het toerisme is cruciaal geweest voor het herstel,’ zegt mijn andere disgenote, Angela Garzón, die bij het stadsbestuur werkt. ‘Als land stonden we op de zwarte lijst.’

Hoe snel La Candelaria ook verandert, het verleden blijft zichtbaar. In het licht van een zon die hier feller brandt dan op welke plek ook die ik heb bereisd, loop ik – nog altijd buiten adem – naar de Plaza de Bolívar. Op deze plek executeerden de Spanjaarden in 1818 de naaister Policarpa Salavarrieta, die voor de vrijheidsstrijders spioneerde – een heldin van de natie die met een plaquette wordt geëerd. Vóór haar executie weigerde ze te knielen en de andere kant op te kijken: rechtop staand keek ze het vuurpeloton in de ogen toen ze stierf.

Vlakbij, in de voetgangersstraat Carrera 7, tref ik Bogotá’s ludieke- kant aan. Een man bespeelt tegelijkertijd een trom op z’n rug, een fluit onder z’n kin en een gitaar die om z’n nek hangt. Acrobatisch weet hij stelletjes met salsamuziek te vermaken en laveert hij tussen betonnen bloembakken door waarop laconieke spreuken staan, zoals ‘Si eres sabio, ríe’ – ‘Als je wijs bent, lach dan’ of ‘Los feos tenemos más estilo’ – ‘Wij lelijkerds hebben meer stijl.’ Ten zuiden van het plein, op de ambachtelijke markt Pasaje Rivas, prijzen verkopers beeldjes van de Maagd Maria aan – en van de Simpsons.

En dan is er Bogotá’s herboren en inspirerende cafécultuur. Ik voel me meteen aangetrokken tot het Mitho Café, met zijn houten lambriseringen en vrijstaande haard, waar ik op een druilerige middag aanschuif met een crema de whisky en een knapperige picada van chorizo en krieltjes. Later probeer ik de absint in El Gato Gris, dé plek voor de bohemiens van Bogotá. Op de aperitiefkaart van El Gato prijkt toepasselijk een schets van de Spaanse surrealistische schilder Salvador Dalí met zijn beroemde snorretje. Gezeten aan een tafeltje onder een smeedijzeren kroonluchter, kijk ik naar buiten, waar de waterige zon een glans over kerktorens in rococostijl legt. Ik nip van mijn kelkje absint, gezoet met chocolade en kaneel. Maar mijn favoriete drankje blijkt een Colombiaanse klassieker te zijn: een shot aguardiente (‘vuurwater’), met vooraf een snelle beet in een stuk limoen.

Op mijn laatste avond in Bogotá keer ik terug naar een nachtlokaal in La Candelaria dat m’n hart heeft gestolen. De avondbries is koel, en op straat wemelt het van sjiek geklede jonge vrouwen en mannen met strak achterovergekamd haar. De helft van de auto’s zijn taxi’s die stelletjes afleveren voor een of ander feest. Met mijn jeans en bomberjack schiet ik hier duidelijk tekort in Latijns-Amerikaanse flair. En ik ben, merk ik, zo’n tien jaar ouder dan de meeste mensen hier. 

Dan herinner ik me mijn bestemming: Casa de Citas Café Arte, met zijn houten balken en donkere muren. Samen met een vriendin uit Venezuela – die wél Latijns-Amerikaanse flair heeft – stap ik de jeansvriendelijke club binnen. Een ober in livrei, die ik herken van een eerder bezoek, gebaart naar ons. We steken de betegelde dansvloer over en gaan zitten. Op de achtergrond worden bongo’s en trompetten gestemd; de musici op het kleine podium maken zich gereed voor een optreden. De clientèle is anders dan de feestgangers buiten: mannen met hoornbrillen en losjes over de schouder geslagen sjaals, en vrouwen met klokhoedjes en vingerloze handschoenen. Ze roken niet, maar ze zien eruit alsof ze dat zouden moeten doen.

‘Bohemiens,’ zegt Navas. Bogotá is een van haar favoriete steden geworden, vooral dankzij La Candelaria. ‘Als ik hier rondloop, komt een gevoel van rust over me, alsof ik word meegevoerd naar het verleden,’ had ze gezegd. Ze vertelde hoe anders Bogotá is dan haar woonplaats Caracas, een volgebouwde stad. ‘In Bogotá houden ze de historische plekken in stand, met name rond de Plaza de Bolívar. Hoewel Bolívar uit Venezuela kwam en zoveel betekende voor Hugo Chávez, hebben we dat alles laten verdwijnen.’

Dit is de plek waar ik me tijdens al mijn bezoeken aan Bogotá het meest thuis heb gevoeld: de Casa de Citas, het ‘huis van afspraakjes’. Hier heb ik over politiek en boeken gepraat, en met eigenaar Carlos Adolfo González flessen fruitige Spaanse tempranillo soldaat gemaakt. ‘Was dit ooit een bordeel, zoals de naam suggereert?’ vraag ik González. Je ziet ze voor je, de schaars geklede dames en hun aangeschoten klanten...

Hij glimlacht. ‘Dat is een mythe. Dit was een huis van een familie.’ Maar de associatie is op z’n plaats, vindt hij. ‘Ik probeer een ander soort “bordeel” te creëren: een ontmoetingsplek voor mannen en vrouwen, maar dan om te drinken, naar muziek te luisteren, te dansen – en voor tertulias (literaire discussies).’ 

Het aloude woord ‘tertulia’ past perfect bij de Casa de Citas, waar ook de Colombiaanse dichters van nu komen. Daarvoor heeft González gezorgd, een tanige impresario met priemende bruine ogen en een passie voor muziek en poëzie. De bekende Colombiaanse bard Juan Manuel Roca is de muze van de Casa en een geregelde gast op González’ literaire avonden. Dichter en cultuuractivist María Mercedes Carranza, die meewerkte aan Colombia’s nieuwe, moderne grondwet, kwam hier – totdat ze er een einde aan maakte met een handvol pillen, volgens sommigen uit wanhoop over de gewelddadige conflicten in haar land.

Een ober brengt ons een voorgerecht van cancha tostada – geroosterde en gezouten maïs. De keuken is Peruviaans, dus niet alles in La Candelaria is ‘Europees’.

Bij ons voorgerecht, een cebiche gemarineerd met limoensap, koriander en ui, zet de ober ook een fles ají-saus op tafel: een stroperige, azijnige smaakmaker vol knoflooktenen. Eén druppel doet m’n tong branden. Ik lepel het over m’n zeevruchten.

De band is klaar met stemmen en trapt af met salsa cubana; de muziek lokt het ingetogen publiek op de dansvloer. Niets is Latijns-Amerikaanser dan salsa, maar ik ben er helaas niet voor geboren. Terwijl mijn mond in vuur en vlam staat, bekijk ik een dansend paar naast ons. De vrouw draait soepel om haar as, de man neemt afgemeten passen. Mij overvalt een trieste gedachte: ik zal nooit meer die sprezzatura, die moeiteloze gratie, van de jeugd hebben waarmee ik naast deze salseros zou kunnen dansen. Navas komt me te hulp. ‘Haar partner is te snel voor het ritme,’ oordeelt ze. ‘Ze dansen uit de maat.’ Ze schudt haar hoofd. ‘Hij is niet half zo goed als je denkt.’ Dus misschien ben ik niet half zo slecht als ik denk. Eindelijk komt er iets van die Bogotaanse spontaniteit over me. Ik stap de dansvloer op.

Lees meer