Colombia

Magisch Colombia: in het voetspoor van Gabriel García Márquez

De Caribische kust van Colombia, de geboortestreek van de schrijver Gabriel García Márquez, vormt de achtergrond van veel van zijn literaire werk. Traveler reisde door het land van zijn jeugd. donderdag, 9 november

Door Aart Aarsbergen

De hitte voelde aan als gloeiend staal.’ Zo beschrijft de Colombiaanse schrijver Gabriel García Márquez (1927) de tropische warmte in Aracataca als hij zijn geboorteplaats in 1950 met zijn moeder opnieuw bezoekt. Ik mompel de zin instemmend als we op een aprilochtend door de hete en stoffige straatjes van dit slaperige pioniersstadje in het bananengebied van Noordwest-Colombia lopen. De zon brandt, de lucht is vochtig. We hebben diverse plekken bezocht die in het beroemde boek Honderd jaar eenzaamheid van García Márquez een rol hebben gespeeld. Het stadje met ongeveer 50.000 zielen vormt onder de naam Macondo het decor van deze verpletterende roman, veel van de als magisch-realistisch bekendstaande thema’s zijn rechtstreeks ontleend aan de familiegeschiedenis van de schrijver. 

Doorweekt van het zweet puffen we voor de middagmaaltijd uit bij onze gids, Rafael Darío Jiménez, een journalist en schrijver uit het dorp die met zijn vrouw een restaurant bestiert met de naam Gabo, de koosnaam van Gabriel García Márquez. Rafael is trots op zijn relatie met zijn beroemde collega. We zitten als zijn speciale gasten in de aparte achterzaal, de Salon Macondo. Er hangt een airco, aan de muur hangen foto’s en schilderijen van de schrijver, soms samen met Rafael. Achter in de kamer staat een grote kast met glazen deuren waarin parafernalia van García Márquez liggen uitgestald: foto’s, beeldjes, brochures, krantenknipsels, boeken. In het midden ligt prominent een exemplaar van Cien años de soledad, opengelegd op de plek waar Gabo in zijn zorgvuldig handschrift een persoonlijke opdracht voor Rafael heeft genoteerd. 

Als het gesprek tijdens de lunch wat stilvalt, buigt Rafael zich voorover en toont me het scherm van zijn mobiele telefoon: ‘g marquez’ lees ik, en een rijtje cijfers dat ik zo snel niet kan onthouden. ‘Zijn telefoonnummer. Strikt geheim, ik mag het aan niemand geven,’ zegt hij op licht triomfantelijke toon. Ik ben een toetsaanslag van een mobiele telefoon verwijderd van direct contact met een van mijn literaire idolen. Rafael weet veel van het leven van Gabriel en praat er graag over. Hij vertelt over zijn betrokkenheid bij de reconstructie van diens geboortehuis en zegt dat de meester oud wordt en aan Alzheimer lijdt.

Aracataca, in 1885 gesticht tijdens de bloeitijd van de bananenteelt, is vanaf de kustplaats Santa Marta in een paar uur per auto of bus landinwaarts te bereiken. De kaarsrechte spoorlijn door het dorp wordt alleen nog maar gebruikt voor goederenvervoer. Ongekend lange kolentreinen delen het stadje minutenlang pardoes in tweeën. Het netjes opgeschilderde station ontvangt geen reizigers meer. Dit was anders in de jeugd van Gabo. De jonge Gabriel, die de eerste jaren van zijn leven bij zijn grootouders woonde, bezocht elke dag met zijn opa het station om een brief op te halen die in Santa Marta aan de conducteur was meegegeven. De trein arriveerde stipt om 11.10 uur, tien minuten nadat hij was gestopt bij de bananenplantage Macondo waaraan García Márquez de naam ontleende voor het dorp in zijn roman. ‘De dorpsklokken werden gelijkgezet als de fluit van de trein klonk,’ vertelt hij in zijn memoires Leven om het te vertellen. De rode trein was de slagaderlijke verbinding van dit ‘aardse paradijs van verlatenheid en nostalgie’ met de rest van de wereld. 

‘Ik kan me geen familieschoot voorstellen die gunstiger was voor mijn roeping dan dat waanzinnige huis...’ zegt García Márquez over de woning van zijn grootouders waar hij op 6 maart 1927 ter wereld kwam en dat zo’n centrale rol speelt in Honderd jaar eenzaamheid. Het oorspronkelijke pand is verdwenen, maar er is in 2010 een reconstructie gebouwd op de plek van het oude huis, waarin het Museo Casa Gabriel García Márquez is gevestigd. Het is een langwerpig bouwwerk waarin alle kamers recht achter elkaar liggen en door een galerij met elkaar zijn verbonden. Het is een fris, helderwit gebouw, met aan de muur citaten uit het werk van de schrijver die op het betreffende vertrek van toepassing zijn. Hier zaten de vrouwen tijdens de warme siësta in de schaduw te borduren, mocht de kleine Gabo op de muur te tekenen als zijn opa in zijn werkplaats gouden visjes met smaragden ogen fabriceerde. In de laatste kamer, het rommelhok waar hij eigenlijk niet mocht komen, vond hij een boek met de vertellingen van Duizend-en-een-nacht, dat hem in aanraking bracht met de wonderen van de vertelkunst. Alles in het museum is nieuw, zelfs de meubelen zijn nagemaakt. Deze aanpak heeft tot kritiek geleid: dit blinkende huis zou te weinig lijken op het eenvoudige onderkomen dat het oorspronkelijk was. Gids Rubiela Reges, een kennis van de familie, weet dat García Márquez positief is over het museum, ook al heeft hij het nog niet gezien. ‘Gabriel heeft gezegd dat hij zeker zal gaan huilen als hij het huis ziet, omdat elke plek weemoedige herinneringen bij hem oproept.’ 

Rafael Jiménez belooft ons een gebouw te tonen waar nog wel authentieke voorwerpen te vinden zijn. Hij brengt ons naar het Casa de Telegrafista, waar de vader van García Márquez werkzaam was toen hij zijn moeder het hof maakte. Het pand staat vol oude schrijfmachines en telegrafen, op tal van bureaus en tafels liggen oude afbeeldingen van de familie van Gabriel, en foto’s van zijn vrouw en kinderen. Het is de bedoeling dat het ooit tot een echt museum wordt opgeknapt.

Ik heb me, toen ik lang geleden het werk van de Colombiaanse schrijver las, nooit zo gerealiseerd dat zijn romans en verhalen vaak teruggrijpen op waargebeurde feiten en bestaande plekken. In zijn memoires vertelt hij hoe de kern van zijn schrijverschap zich al vroeg ontwikkelde: ‘Mensen die mij als vierjarigen hebben gekend, zeggen dat ik bleek en in mezelf gekeerd was en dat ik alleen mijn mond opendeed om onzin te vertellen, maar mijn verhalen waren voornamelijk eenvoudige voorvallen uit het dagelijks leven die ik met fantastische details opsierde om de aandacht van de volwassenen te trekken.’ Dit opsieren van de werkelijkheid heeft García Márquez tot een van de grootste schrijvers van Latijns-Amerika gemaakt. 

Rafael droomt er inmiddels van van Aracataca tot een bedevaartplaats voor de Nobelprijswinnaar voor de literatuur uit 1982 te maken. ‘We hebben plannen om de personentrein vanaf de kust als toeristische attractie nieuw leven in te blazen. Bij het station hier kunnen een café en eethuisjes worden ingericht. Aracataca wordt zo een mooie dagtocht voor kusttoeristen.’ Als ik hem vraag waarom dit plan nog niet is uitgevoerd, zegt hij: ‘Ach, de politiek in Colombia, het is niet eenvoudig hier iets gedaan te krijgen.’

Een andere stad die een belangrijke rol in het werk van García Márquez speelt, is het 200 kilometer verderop liggende Cartagena de Indias. De stad werd in 1533 gesticht door de conquistador Pedro de Heredia en ontwikkelde zich tot een belangrijke haven waarvan de Spanjaarden hun goud- en zilverschatten vanuit vele plaatsen in Zuid-Amerika naar het moederland verscheepten. De versterkingen rond de stad, de imposante Muralles, zijn voornamelijk gebouwd om piraten en na-ijverige Europese collega’s van het lijf te houden. Cartagena werd bijvoorbeeld in 1586 zwaar door de Engelse kaper en zeeheld (een in die tijd gebruikelijke maar toch merkwaardige combinatie) Sir Francis Drake geplunderd. Uit de koloniale tijd stamt de prachtige historische stad, die inmiddels is omspoeld door moderne havenbekkens. Cartagena is nog steeds een belangrijke handelshaven en de thuishaven van de Colombiaanse marine. 

García Márquez kwam in 1948 in deze stad aan, nadat hij Bogota was ontvlucht, waar na de moord op de liberale Jorge Eliécer Gaitán een bloedige burgeroorlog was uitgebroken. Hij was onmiddellijk onder de indruk van de stad en kende haar een ‘goddelijke gratie’ toe: ‘...nauwelijks had ik één stap binnen haar muren gezet, of ik zag haar in al haar grootsheid in het mauve licht van zes uur in de namiddag, en ik kon het gevoel dat ik opnieuw geboren was niet onderdrukken.’ De eerste nacht sliep hij op een bankje op het Plaza de Bolívar, waar hij door twee agenten werd gearresteerd. Nu is het een vriendelijk pleintje, omzoomd door bomen en struikgewas, waar het heerlijk in de schaduw toeven is als de hitte in de middag aanzwelt. Maar het aanliggende, monumentale Palacio de la Inquisición herinnert aan de oorsprong van het plein, toen de Spaanse inquisitie in autodafe’s de ketters hier liet verbranden.

De koloniale stad is decor van een andere grote roman van Gabriel García Márquez, Liefde in tijden van cholera. Hoewel de naam niet in het boek wordt genoemd, is het duidelijk dat Cartagena het decor vormt: ‘De handel was er in de achttiende eeuw het voorspoedigst geweest van het hele Caribische gebied, vooral door het onaangename privilege de grootste markt voor Afrikaanse slaven van de beide Amerika’s te zijn geweest.’ De Afrikaanse slaven werden samengedreven op het Plaza de los Coches, nu een van de plezierigste pleinen van het oude centrum, vlak bij de Puerto del Rejoi, waar de stadsmuur de oude stad scheidt van de meer volkse uitgaansbuurt Getsemaní. 

Ook deze roman heeft zijn wortels in García Márquez’ familiegeschiedenis, het verhaal is losjes gebaseerd op de manier waarop zijn ouders elkaar leerden kennen en hoe zij in hun verkeringstijd door Gabriels opa en oma werden tegengewerkt. Hoofdpersoon Florentino Ariza krijgt op een dag de 13-jarige Ferima Daza, dochter van een handelaar, in het oog en is op slag verliefd. Hij schrijft haar gepassioneerde brieven, maar Fermina wijst hem na een jaren durende, door haar vader gedwarsboomde liefde uiteindelijk af. Ze is gehoorzaam aan haar ouders en trouwt de meest begeerde vrijgezel van de stad, dokter Juvanal Urbino, die haar familie toegang geeft tot de voorname kringen van de stad. Florentino’s liefde is echter niet te doven en hij besluit te wachten tot de dood van de dokter om zijn grote liefde alsnog te veroveren. Inmiddels geeft hij zich over talloze liefdeloze affaires en probeert hij zich een maatschappelijke positie te verwerven waarmee hij tot Fermina’s kring kan doordringen. En dan, na ‘eenenvijftig jaar, negen maanden en vier dagen’ krijgt hij het bericht van de dood van dokter Urbino en besluit hij, ditmaal met succes, Fermina opnieuw het hof te maken.

Op het Plaza Fernandez de Madrid, een met amandelbomen omgroeide plek die door García Márquez in zijn boek is omgedoopt tot het Evangeliënpark, staat het bankje waar Florentino zat te wachten om een glimp op de vangen van Fermina: ‘Vanaf zeven uur ’s morgens zat hij in zijn eentje op de minst opvallende bank in het parkje en deed alsof hij een verzamelbundel las in de schaduw van de amandelbomen…’ Het pand erachter, waar de deurknop de vorm heeft van een papagaai, zou zo het ouderlijk huis van Fermina kunnen zijn, waar ze met haar tante op het weelderig met bloemen begroeide balkon tijdens de siësta in de schaduw zat te borduren. 

Op het driehoekige Plaza de los Coches schijnt de zon ’s middags zo fel dat vrouwen onder een draagbare parasol bescherming zoeken. De overdekte galerij, de Portal de los Dulces of de galerij van de lekkernijen, onder aan de okergeel of hard roze geverfde koloniale panden waar kraampjes staan met lekkernijen, souvenirs en kleding, biedt verkoeling. Het is de vroegere Portal de los Mercaderes, waar de slavenhandelaren hun zaakjes regelden. Later kreeg het de naam Portal de los Escribanos of klerkengalerij. García Márquez vertelt in Liefde in tijden van cholera dat de poëtische Florentino hier liefdesbrieven schreef (zoals zijn vader dat in werkelijkheid ook had gedaan) voor wanhopige geliefden die niet de gave van het woord hadden. ‘Later (…) had hij zoveel liefde in zijn binnenste over dat hij niet wist wat hij ermee aan moest en hij schonk het aan de penloze verliefden door gratis liefdesbrieven voor hen te schrijven in de Klerkengalerij.’ Het kwam voor dat hij voor beide partners van een relatie de brieven verzorgde, zonder dat de geliefden dat van elkaar wisten. 

Vanaf het Plaza de Bolívar is het een stukje lopen naar de stadswal, waar aan de Carrera del Curator het woonhuis van Gabriel García Márquez staat, een modern gebouw, ontworpen door de beroemde Colombiaanse architect Rogelio Salmona, met de rug naar de stad en met formidabel uitzicht op de zee. De oude meester, die op tal van plekken in de wereld een woning heeft, komt hier voornamelijk rond de kerst, het grootste deel van het jaar staat het huis leeg. Naast het pand ligt het Sofitel Santa Clara hotel, een oud magnifiek gebouw dat na een functie als klooster en ziekenhuis nu een van de voornaamste hotels van Cartagena is. Behalve dat García Márquez er vroeger wel eens voor een borrel werd gesignaleerd, zo vertelt een ober, heeft het hotel nog een band met de schrijver. In de chique loungebar El Coro voert een halve glazen deur naar een kleine crypte onder de vloer. Als ik in de crypte wil afdalen, gaat een ober mij voor en steekt een kandelaar aan, waardoor zich een geelachtig kaarslicht verspreidt. García Márquez was hier in 1949, toen hij journalist was voor El Universal, naar toe gestuurd omdat er in de crypte het skelet van een meisje gevonden was, waarvan de haardos na haar dood was blijven groeien en een lengte had bereikt van zo’n 22 meter. ‘Al bij de eerste slag van de pikhouweel sprong de deksteen in stukken, en kwam uit de crypte een weelderige haardoos met diepe koperkleur naar buiten golven.’ Deze vondst werd het uitgangspunt van Over de liefde en andere duivels, een roman uit 1994.

‘Al mijn boeken bevatten stukjes van Cartagena,’ heeft García Márquez eens gezegd. Hij bracht me naar deze heerlijke stad, ik bezag haar vooral door zijn ogen. Misschien heeft zijn blik mij bedwelmd, mogelijk heb ik de stad willen zien in zijn bruisende, magische kleurenpracht, als romantische plek voor mensen die hun hart volgen, zoals Florentino, die 50 jaar moest wachten voordat zijn grote liefde werd beantwoord. Laat mij, het is een onschuldig escapisme en Cartagena biedt er een verrukkelijk decor voor.

Colombia was jarenlang het land van narcoticageweld en guerrillaoorlog. Nog steeds spelen ze een belangrijke rol en is waakzaamheid geboden. Maar grote delen van het land lijken zich aan de beklemmende lethargie van het geweld te hebben ontworsteld. Caribisch Colombia maakt een bloeiperiode door en weet weer toeristen te trekken. Het koloniale centrum van Cartagena speelt daarin een hoofdrol. De gevels worden in hun oude luister hersteld. Er verschijnen boetiekhotelletjes, prachtige sieradenwinkels (vooral smaragd)en hippe restaurants. Bezoekers rijden in loom tempo in paard en wagen door de smalle straatjes, in de avond verzorgen dansers en zangers op de pleinen een voorstelling. De rust wordt bewaard door een groot aantal politieagenten. Vriendelijk lachend vergroten ze het gevoel van veiligheid, zonder militant aanwezig te zijn. Het is de autoriteiten er alles aan gelegen Colombia als een veilige bestemming te afficheren. Colombia, the only risk is wanting to stay, luidt het wat provocerende motto van het Colombiaans verkeersbureau.

Op de laatste dag van mijn bezoek dwaal ik vlak voor zonsondergang nog eenmaal door de oude stad. De straten worden in de warme gloed van de ondergaande zon gehuld. Ik wandel naar de Plaza Fernandez de Madrid. De zon heeft zijn grootste kracht verloren, een verfrissende bries heeft de ergste hitte uit de straten verjaagd. Er zitten veel mensen in het park, er wordt een kaartje gelegd waarbij een kartonnen doos als tafel dient. Ik neem plaats op het bankje van Florentino en laat de laatste zonnestralen m’n gezicht raken. Ik sluit mijn ogen en hoor achter me de hoefslag en het geratel van een paard en wagen. Is dat Fermina die thuiskomt?

Lees meer