Wie de televisie aanzet, hoort doorgaans het Standaardnederlands voorbijkomen. Maar in de Nederlandse en Vlaamse straten is het taalgebruik veel diverser. Daar klinkt de zachte g of juist de hardere tongval van het Grunnegs. Floris Nijhuis is promovendus bij het Meertens Instituut en doet daar onderzoek naar deze verscheidenheid aan Nederlandse klanken. We spraken hem over Vlaamse dialecten, de oprukkende Gooise r, Brabants hyperdialect en onze opvallende voorliefde voor verkleinwoorden. Dit zijn zeven bijzondere feiten over de variatie in de Nederlandse taal.

1. In Vlaanderen staat dialect sterker dan in Nederland

Vlamingen spreken vaker in dialect dan Nederlanders. ‘Ik zal niet zeggen dat iedereen in Vlaanderen in dialect spreekt, maar heel veel mensen doen het,’ vertelt Nijhuis. Dat komt omdat de taalstandaardisatie in Vlaanderen pas halverwege de negentiende eeuw op gang kwam. In Nederland werden de eerste stappen al in de zeventiende eeuw gezet. ‘Tot die tijd sprak iedereen gewoon dialect,’ aldus Nijhuis.

Dat het in Vlaanderen zolang duurde om tot een standaardtaal te komen, kwam omdat er veel discussie was over hoe die taal dan moest klinken en geschreven moest worden. Enerzijds wilde men de Vlaamse dialecten als uitgangspunt nemen, anderzijds wilde men zoveel mogelijk aansluiten op het Nederlands in het noorden. Daarnaast zijn er (tevergeefse) pogingen gedaan om van het Frans de standaardtaal te maken.

Pas in 1973 kozen de Belgen ervoor om de officiële taal van Vlaanderen Nederlands te noemen en deze te normeren. ‘Maar het Standaardnederlands staat voor Vlamingen veel verder van hun dagelijkse taal af dan voor Nederlanders het geval is,’ vertelt Nijhuis. ‘Op straat spreken ze niet het Vlaams dat je in de media hoort.’

Het resultaat is dat in Vlaanderen het Standaardnederlands veel minder effect heeft op de lokale dialecten dan in Nederland. ‘In Nederland brokkelen regionale talen veel harder af sinds de introductie van de standaardtaal,’ aldus Nijhuis.

2. Nederlanders zijn dol op verkleinwoordjes

Het is een van de opvallendste taalverschijningen binnen het Nederlands: verkleinwoorden. Op vakantie drinken we een biertje, eten we een hapje en lezen we een boekje. Maar dat boekje kan gerust een thriller van vijfhonderd pagina’s zijn. En wie bier gaat drinken, is waarschijnlijk in een andere bui dan iemand die zin heeft in een biertje.

‘De connotatie die met verkleinwoordjes gepaard gaat, is heel moeilijk te leren,’ vertelt Nijhuis, die momenteel bezig is met een diepgravend onderzoek naar het fenomeen. ‘Als je die niet beheerst, kun je per ongeluk heel lomp uit de hoek komen.’

Het opvallende is dat verkleinwoordjes in bijna ieder Nederlands dialect voorkomen, maar niet overal dezelfde regels volgen. ‘In veel dialecten plak je niet alleen iets achter het woord om het te verkleinen, maar verandert het woord zelf ook,’ legt Nijhuis uit.

Hij komt zelf bijvoorbeeld uit West-Overijssel, waar ‘paal’ wordt uitgesproken als poale, met een oh-achtige klank. Maar het verkleinwoord is peultien. Dat heeft qua uitspraak bijna niets meer te maken met het oorspronkelijke woord. Iets soortgelijks gebeurt ook in Limburg.

3. Schiermonnikoogs kent vrijwel geen verkleinwoorden

Over verkleinwoorden gesproken: er is één opvallende uitzondering. Op het Waddeneiland Schiermonnikoog, waar Fries gesproken wordt, gebruiken ze vrijwel geen verkleinwoorden. En dat terwijl het Standaardfries het fenomeen wel kent.

Op Schiermonnikoog zeggen ze lytj hús – klein huis – in plaats van húske (huisje), zoals ze in het Standaardfries zeggen. Het Standaardfries kent het woord lyts voor ‘klein’, maar gebruikt wél gewoon verkleinwoorden.

4. Fries en Engels zijn aan elkaar verwant

Je verwacht het misschien niet, maar in de Middeleeuwen leken Oudengels en Oudfries sterk op elkaar. De talen zijn namelijk aan elkaar verwant. Sporen van die verwantschap vind je nog steeds terug in de moderne varianten van deze talen.

Engelsen gebruiken het woord little om aan te duiden dat iets klein is, en de Friezen het eerdergenoemde lyts. ‘Het is een van de voorbeelden waaraan je kunt zien dat het Engels en het Fries iets gemeenschappelijks hebben,’ aldus Nijhuis.

In onderstaand fragment van de BBC wordt Oudengels vergeleken met het Fries.

5. Veel jonge Brabanders spreken ‘incorrect’ Brabants

Dialecten en streektalen zijn niet alleen een manier van spreken, ze zijn ook onderdeel van iemands identiteit. Daar kunnen de Friezen en Limburgers over meepraten, maar de Brabanders ook. Taalwetenschapper Kristel Doreleijers van het Meertens Instituut deed onderzoek naar het Brabantse dialect onder jongeren. Zij kwam erachter dat de jeugd een soort ‘hyperdialect’ spreekt – een dialect dat heel Brabants klinkt, maar niet grammaticaal correct is.

Dit uit zich bijvoorbeeld in de manier waarop jonge Brabanders omgaan met het woordgeslacht. In het Standaardnederlands gebruiken we voor zowel mannelijke als vrouwelijke woorden het lidwoord ‘de’. Het originele Brabants kent – net als het Vlaams – een systeem waarin duidelijk onderscheid wordt gemaakt in woordgeslacht. Maar Brabantse jongeren blijken dit systeem volledig willekeurig te gebruiken.

‘Als je ergens ‘den’ of ‘nen’ voorzet, dan klinkt het gelijk heel Brabants,’ legt Nijhuis uit, maar dat wil niet zeggen dat het lidwoord ook het juiste geslacht aangeeft. ‘Uit het onderzoek van mijn collega Kristel bleek dat jongeren gewoon maar wat doen met het woordgeslacht. Maar ze gebruiken dit systeem, omdat ze daarmee hun Brabantse identiteit kunnen uitdragen.’

6. De Gooise r is besmettelijk

Als het gaat over typisch Nederlandse dialecten, dan kun je bijna niet om de Gooise r heen. Het bijzondere is dat deze uitspraakvariant door steeds meer mensen gebruikt wordt. Dat is volgens Nijhuis te verklaren omdat de klank al decennia in de media te horen is. ‘Daardoor heeft de Gooise r een zeker prestige gekregen. Mensen met deze r dienden lange tijd als rolmodellen.’

Daarnaast is de Gooise r simpelweg vaak te horen – en hoe vaker je ermee geconfronteerd wordt, hoe groter de kans is dat je hem overneemt. ‘Bij ons in de buurt in West-Overijssel hoor je hem ook steeds meer, terwijl wij historisch gezien met een andere r spreken,’ aldus Nijhuis.

7. De ontstaansgeschiedenis van de harde en zachte g is onduidelijk

En hoe zit het dan met de zachte en harde g? ‘We weten dat de g en ch vroeger twee verschillende klanken waren,’ vertelt Nijhuis. ‘In het zuiden is dat verschil beter bewaard gebleven, terwijl ze in het noorden naar elkaar zijn toe gegroeid en ‘harder’ zijn gaan klinken.’

Dát dit is gebeurd weten we, maar het hoe en waarom is nog onduidelijk. Nijhuis: ‘Een mogelijke verklaring is dat mensen uit de hogere kringen met een harde g spraken, en anderen deze uitspraak zijn gaan overnemen om hun sociale positie te verbeteren. Maar het kan ook dat de harde g zich juist vanuit de lagere sociale klassen heeft verspreid.’

En dan is er nog de hypothese van de taalkundige Marc van Oostendorp, die zegt dat de zachte g er eerder was dan de harde g. Die laatste zou in de negentiende eeuw zijn geïntroduceerd door Jiddisch-sprekende Joden uit Amsterdam en zich daarna als een olievlek over Nederland hebben verspreid.

‘Er zijn beschrijvingen van de uitspraak uit vroegere perioden, maar die zijn schaars en niet altijd eenduidig. Daarom bestaan er verschillende hypotheses over het ontstaan en de verspreiding van de harde g,’ zo verklaart Nijhuis de onduidelijkheid.

Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!

Headshot of Roeliene Bos

Roeliene werkt als editor voor National Geographic. Daarnaast levert ze als wetenschapsjournalist bijdragen aan onder meer Quest en KIJK Magazine. Ze is dol op reizen, godsdienstgeschiedenis en een stevige wandeling.