De Griekse spookdorpen van Zuid-Italië

De Area Grecanica della Calabria kenmerkt zich door ruige bergen en valleien met brede rivieren die zich als zilverkleurige linten naar zee slingeren. Hoog boven deze fiumara liggen eeuwenoude dorpjes waar tot op de dag van vandaag Grieks wordt gesproken.

Het spookdorp Roghudi Vecchio ligt op een rots in het hart van het Amendoleastroomgebied.

Foto door Sabrina Gaudio
Door SABRINA GAUDIO
Gepubliceerd 12 dec. 2022 12:14 CET

De luiken van het enige restaurant in Pentedattilo zijn dicht en ook de twee winkeltjes zijn gesloten. Er is geen spoor van het handjevol mensen dat hier zou wonen. Het enige leven op straat: de straatkatten die hier rondlopen. ‘De vreemdste menselijke verblijfplaats,’ zo noemde de negentiendeeeuwse Britse schrijver en illustrator Edward Lear het dorp waar ik doorheen slenter. Op 30 juli 1847 stuitte Lear tijdens een wandeling door Aspromonte op het dorpje, dat hij beschreef in Journals of a Landscape Painter in Southern Calabria: ‘Het uiterlijk van Pentedattilo is volmaakt magisch... Wilde stenen torens schieten de lucht in, kaal en duidelijk gedefinieerd, in de vorm (...) van een gigantische hand tegen de lucht, en in de spleten en gaten van deze angstaanjagende wilde piramide zijn de huizen van Pentedattilo ingeklemd, terwijl duisternis en angst over de hele afgrond rondom deze vreemdste menselijke verblijfplaats broeden.’

Dat Pentedattilo tegenwoordig een toeristische trekpleister is, is te danken aan die bijzondere ligging: het dorpje ligt op 250 meter hoogte op de Monte Calvario, in de luwte van een rotsformatie die tegenwoordig meer lijkt op een reusachtige vuist – voordat een deel instortte, leek het alsof vijf enorme vingers boven Pentedattilo uittorenden. Aan die vorm is de naam van het dorpje afgeleid: pentadaktylos betekent ‘vijf vingers’ in het Grieks. Dat dit dé toeristische hotspot van de regio is, is bijna niet te geloven als je je een weg baant door de drukkende stilte van het dorp.

Altaar op straat in Roccaforte del Greco.

Foto door Sabrina Gaudio

Pentedattilo ligt in de Area Grecanica della Calabria, een geïsoleerd en ongetemd gebied in Nationaal Park Aspromonte in het diepe zuiden van Italië, op het uiterste puntje van de laars. Aspromonte betekent ‘ruige bergen’. Op het eerste gezicht lijkt die naam te kloppen: steile, grillige bergtoppen strekken zich uit tot aan de horizon. Een aaneenschakeling van door de zon verschroeide pieken en diepe kloven van eeuwige schaduw.

Tussen 800 en 600 v.C. ontstonden hier Griekse kolonies als deel van Magna Graecia, de Romeinse benaming voor de gekolonialiseerde gebieden in Zuid-Italië en Sicilië, ook wel Groot-Griekenland genoemd.

Tijdens de tweede migratiegolf in de Byzantijnse periode, in de vijftiende eeuw, vertrokken steeds meer Grieken naar de Zuid-Italiaanse regio’s Calabrië, Puglia en Salento. Door de geïsoleerde ligging van de bergdorpen waar zij zich vestigden, ontstonden kolonies waar hun Griekse tradities en gebruiken eeuwenlang bewaard zijn gebleven. Hoewel de meeste Grieken hier door de eeuwen heen volledig ‘italianiseerden’, zijn een paar van deze gemeenschappen erin geslaagd een groot deel van hun oorspronkelijke identiteit, cultureel erfgoed en taal te behouden. Tot op de dag van vandaag spreken sommige ouderen zelfs nog Calabrees-Grieks (Greco di Calabria of Grecanico genoemd), maar het zal niet lang meer duren voordat deze taal zal uitsterven. Ik wil het zien – en horen – voordat het niet meer kan.

De Chiesa di San Giovanni Battista in Gallicianò.

Foto door Sabrina Gaudio

Trots

‘Kalispera!’ roept Mimmo Nucera zodra ik de kleine piazza, het dorpsplein, van Gallicianò op loop. Een blauw-witte Griekse vlag wappert aan de gevel van een huis en op het straatnaambordje staat de naam van het plein zowel in het Italiaans als in het Grieks aangegeven. Het voelt even alsof ik ben geteleporteerd naar Griekenland. Mimmo neemt me vandaag mee op pad door zijn geboortedorp. Gallicianò is het alleroudste van de Griekse dorpen in Aspromonte, en de straten dragen namen van Griekse goden en mythische figuren. ‘Er wonen hier slechts 35 mensen,’ vertelt Mimmo terwijl we naar de Grieks-orthodoxe kerk wandelen. ‘Een geasfalteerde weg is er pas sinds 2001, daarvoor was er alleen een zandweg. Het leven was hier extreem geïsoleerd, daardoor kon de Griekse taal hier overleven.’

In Gallicianò wappert de Griekse vlag.

Foto door Sabrina Gaudio

We komen aan bij de kleine maar prachtige Grieks-orthodoxe kerk van Panaghìa Tis Elladas of, in het Italiaans, de Chiesa della Madonna di Grecia (‘Onze-Lieve-Vrouw van het Griekse volk’). Voordat Mimmo de sleutel in het slot steekt, pakt hij een lang koord dat vanaf het dak naar beneden bungelt en begint die vol overgave heen en weer te zwiepen. Ik hoor het geluid van de bel boven in de gevel aanzwellen. Het luiden van de bel alvorens de kerk binnen te gaan, is een traditie die Mimmo met liefde in stand houdt.

‘Om mensen te laten weten dat de kerk open is, net zoals ze dat vroeger deden.’ Eenmaal binnen zie ik muren behangen met Griekse iconen en andere afbeeldingen van heiligen. Ik kijk mijn ogen uit. Mimmo steekt geconcentreerd alle kaarsen in de kerk aan. Even lijkt hij zelf een heilige in dit kaarslicht, met zijn felblauwe ogen, zijn zilvergrijze lange haar en spierwitte wenkbrauwen. Hij lacht als ik mijn observatie met hem deel. Ik vermoed dat ik niet de eerste ben die hem dat vertelt.

‘Voel je je meer Grieks of meer Italiaans?’ vraag ik Mimmo als we de kerk hebben verlaten en vergezeld door het zachte geluid van schapenbellen naar de Sorgente dell’Amore (‘fontein van de liefde’) wandelen, even verderop. ‘Niet half-half,’ antwoordt hij. En dan, trots: ‘Ik voel me honderd procent Grieks en honderd procent Italiaans.’

Pentedattilo, het icoon van de Area Grecanica della Calabria.

Foto door Sabrina Gaudio

Trots op hun roots waren de Calabrese Grieken lange tijd niet, leer ik de volgende dag in Bova, de belangrijkste stad van de Griekse regio. Als ik die ochtend een espresso drink op de piazza, raak ik in gesprek met Salvatore Jiriti, die aan het tafeltje naast me zit. Hij vertelt me dat hij is geboren in Bova en na een uitstapje van elf jaar in Londen weer terug is op zijn geboortegrond. Grieks voelt Salvatore zich niet, ondanks zijn achternaam. Hij vertelt me over signora Mimma, een 98-jarige dorpsgenote die mij meer kan vertellen over het Grieks-Calabrees zijn. Ik besluit mijn geluk te beproeven.

Als ik aankom bij haar huis boven in het dorp, staat de voordeur open. Voorzichtig loop ik naar binnen – een bel is er niet – en kondig mijn komst aan door hard ‘buongiorno!’ te roepen. Geen antwoord. Als ik doorloop naar de woonkamer zie ik signora Mimma op een stoel voor de open haard zitten, doezelend onder een dikke laag paardendekens. Het is alsof de tijd heeft stilgestaan in haar huis. De kalender aan de muur loopt een aantal maanden achter, en de meubels en snuisterijen ademen antiek. Alleen de enorme zilveren koelkast verraadt dat we ons in de 21ste eeuw bevinden.

Mimmo Nucera steekt een kaars aan in de kerk van Panaghìa Tis Elladas.

Foto door Sabrina Gaudio

Verrassend genoeg schrikt ze niet als ze haar ogen opent en mij ziet staan. Ik leg uit wat ik kom doen en vraag haar of ze iets kan vertellen over haar Griekse geschiedenis. Signora Mimma had geluk, vertelt ze. Zij mocht naar de basisschool, destijds heel ongewoon voor meisjes. Daarna wilde ze verder leren, nieuwe dingen ontdekken. ‘Ik ben erg nieuwsgierig,’ zegt ze, terwijl ze haar weinige tanden bloot lacht. ‘Grieks spreek ik niet, ik ken een paar woorden, maar mijn ouders spraken nooit Grieks tegen me. Wel met elkaar, maar buitenshuis schaamden ze zich voor hun Griekse achtergrond.’

De schroom om Grieks te praten begon in de twintigste eeuw en nam toe gedurende de jaren twintig en de opkomst van het fascisme onder Benito Mussolini, toen Griekssprekenden (‘paddeki’, kregen ze als bijnaam, wat ‘dom’ betekent) werden gedwongen de Italiaanse taal en cultuur aan te nemen. Veel Grieken kozen er toen voor om zich aan te passen aan de Italiaanse cultuur en hun Griekse taal af te wijzen. Voor veel Griekse ouders was het de enige manier om hun kinderen een veelbelovende toekomst te geven. ‘In Bova woonden veel geleerden, met name artsen. Ook mijn drie zoons zijn dokter. Zij zien nu wél de rijkdom in van hun Griekse erfenis. Ik ook, vooral toen ze me vertelden dat veel medische termen uit het Grieks komen,’ glundert ze. Schaamte heeft plaatsgemaakt voor trots.

Ik laat signora Mimma verder dutten en loop naar beneden, naar een van de weinige restaurants in Aspromonte waar je Griekenland nog in gerechten terugvindt.

Griekse iconen in de Grieks-orthodoxe kerk van Gallicianò.

Foto door Sabrina Gaudio

Snelbroodje

Tweelingbroers Domenico en Nino Mesiano kijken me aan vanachter hun dikke brillenglazen als ik hun piepkleine eetcafé binnenkom. Er is een toonbank van glas waarin allerlei lokale delicatessen zoals salami, gedroogde hammen, olijven en kaas liggen uitgestald, en een smalle bar tegen de muur met drie krukken. Het toeval wil dat Salvatore Jiriti op een van de krukken zit. ‘Stin ygeia!’ (‘proost!’) roept hij zodra hij me ziet, en hij drukt me een oersterk likeurtje in m’n handen.

Restaurant La Lestopitta is een begrip in de regio. Niet alleen vanwege de olijke Mesianotweeling, door wie je je een hele avond kunt laten entertainen, maar vooral vanwege het traditionele Griekse broodgerecht dat ze hier maken: de lestopitta, oftewel ‘snel pitabroodje’. ‘Vroeger was dit voedsel voor de armen,’ vertelt Domenico Mesiano. ‘Oorspronkelijk werd het bereid als er geen brood voor handen was of geen gist om brood mee te maken. Om lestopitta te maken, heb je alleen meel en water nodig, geen gist. Daarna bak je het heel kort in olie.’ Het resultaat is een plat, rond en heerlijk knapperig broodje dat je met vlees of groente vult. Maar hoe de gebroeders hun lestopitta precies maken, doen ze niet uit de doeken. ‘Veel mensen proberen ons generaties oude familierecept te achterhalen. Twaalf jaar geleden besloten we dit restaurant te beginnen om onze versie van het gerecht met andere mensen te kunnen delen.’

Ik ga buiten op het terras zitten. Domenico en Nino serveren het ene na het andere gerecht. Ik krijg langwerpige donuts gevuld met sardientjes, gebakken aubergine, gestoofd geitenvlees en verse ricotta van geitenmelk die romig is als slagroom. Natuurlijk met een paar enorme lestopitta’s erbij. Ik blijf totdat de kerkklokken middernacht slaan en de laatste fles Nastro Azzurro is leeggedronken.

Byzantijnse fresco’s in de Cattolica di Stilo.

Foto door Sabrina Gaudio

Ruïnes en ricotta 

De volgende dag bezoek ik de ruïnes van Amendolea (afgeleid van het Griekse woord voor amandel, amýgdalo), die als een arendsnest op de top van een rots balanceren en uitkijken over de Fiumara di Amendolea, de rivier die glanst als kwik in de ochtendzon. Het enige dat is overgebleven van het dorp is de ruïne van Castello Ruffo di Amendolea. Dit kasteel, dat in de elfde eeuw werd gebouwd door de Noormannen, ligt op een lange, ondoordringbare bergkam die begint in het gebied waar de Amendoleaen Condofuririvier samenkomen. Het is een van de bekendste toeristische trekpleisters van Area Grecanica della Calabria. Het kasteel werd verschillende keren gerestaureerd, tot een aardbeving in 1783 dusdanig zware beschadigingen veroorzaakte dat het bouwwerk veranderde in een ruïne. Het is fantastisch om hier te lopen; de uitzichten vanaf de top van de berg over de vallei reiken helemaal tot aan het staalblauw van de Middellandse Zee.

Ik vervolg mijn weg naar Roghudi Vecchio, zo’n anderhalf uur rijden over stoffige zandwegen. Roghudi Vecchio werd in 1972 geteisterd door desastreuze overstromingen en werd daardoor wereldnieuws. De ongeveer 1600 mensen die er woonden, waren als gevolg van de ramp genoodzaakt hun dorp te verlaten. De Amendolearivier is bijna volledig drooggevallen, de geraamtes van de overwoekerde huisjes lijken tegen de berg geplakt, en bieden nog slechts een onderkomen aan muizen en vleermuizen. Ik loop door de stegen van het spookdorp en zie in sommige huizen nog resten van bedden, stoelen, tafels en ander meubilair staan.

Moeder Nicolina maakt de ricotta klaar voor verkoop.

Foto door Sabrina Gaudio

Later die dag rijd ik door naar San Pantaleone, een andere Griekse nederzetting op een paar kilometer ten zuiden van Nationaal Park Aspromonte. Het grindpad kronkelt zich langs steile afgronden en weiden vol felgele zoetgeurende brem en paarse, oranje en rode wilde bloemen. Vanavond verblijf ik in bed and breakfast La Rocca del Vento (‘de rots van de wind’) van oud-oorlogsverslaggever Luciano Gulli. Hij is geboren in deze regio, woonde tijdens zijn werkende leven in Milaan, maar keerde enkele jaren geleden terug naar de bergen in het zuiden. Het is niet de eerste keer dat ik hier ben, en Luciano verwelkomt me als een verloren dochter. Hier kun je niet anders dan je enorm thuis voelen.

Luciano heeft naar eigen zeggen weinig met zijn Griekse roots – de Griekse wortels van zijn moeders kant leiden eeuwen terug naar het hart van de Area Grecanica. Wél teelt hij als enige in de regio Griekse kalamataolijven. Die plukt hij met de hand, precies op het juiste moment, als ze nog net niet rijp zijn. Als we ’s avonds samen dineren in de keuken van de b&b en ik niet kan stoppen met zeggen hoe lekker de verse ricotta is, belooft hij me de volgende ochtend mee te nemen naar Aurelio Crea, een Calabrese Griek die deze beste ricotta van Aspromonte – of liever gezegd: van heel Italië – maakt.

Het is nog voor negenen als Luciano en ik van de bed and breakfast naar het dorp rijden, door een straat vol dubbelgeparkeerde, gebutste Fiat Panda’s en langs een anoniem appartementencomplex. Het contrast met Luciano’s paradijs midden tussen de glooiende olijfvelden is groot. We wandelen om de woontoren heen. Op een stuk land waar hooibalen verspreid lig - gen en een stuk of tien schapen staan te grazen, zie ik een piepklein stenen huisje. Eenmaal binnen oogt het alsof we tegen een levensgroot schilderij van Caravaggio zijn aangelopen: de muren links zijn zwartgeblakerd door het roet van de open haard, waar een enorme koperen ketel boven hangt. Aurelio, de ricottaman, roert met een grote houten stok in de stomende pot en de vlammen werpen afwisselend licht en schaduw op zijn gezicht. Een straal daglicht valt door het raam achter hem. Een uur lang roert Aurelio geduldig door de kaas voordat moeder Nicolina de ricotta met een schuimspaan in plastic mandjes schept, in de auto laadt en in het naastgelegen Griekse dorp Melito verkoopt. Aurelio spreekt geen Engels maar wil maar wat graag dat ik zijn ricotta proef. Luciano en ik gaan aan een tafel met plastic tafelkleed zitten waar grote ronde kommen met warme ricotta in water worden gezet. Luciano laat me zien hoe je stukjes brood erin legt, om zacht te laten worden en vervolgens tegelijk met de ricotta naar binnen te slurpen. Ik moet even wennen aan de warmte van de kaas, maar het is romig, fris en zilt tegelijk, met de smaken van rook, vuur en aarde.

Ricottaman Aurelio Crea.

Foto door Sabrina Gaudio

Bewijs

Mijn tijd in Area Grecanica della Calabria zit er bijna op, maar voor ik terug naar huis ga, wil ik nog een Byzantijnse kerk bezoeken. Tijdens de Byzantijnse periode, rond de achtste en negende eeuw v.C., namen de Grieken die zich hier vestigden hun orthodoxe cultuur mee. Daaronder waren Griekse monniken die hier hun Grieks-orthodoxe riten en gebruiken voortzetten. Maar in de vijftiende eeuw begon het pausdom deze Grecanici vanwege hun geloof te vervolgen, wat hen diep de bergen indreef om in verborgen kapellen te bidden. 

Aurelio’s beroemde ricotta.

Foto door Sabrina Gaudio

De inmiddels vrijwel drooggevallen Amendolearivier, ook wel een fiumara genoemd, trekt een zilverkleurig spoor door Aspromonte.

Foto door Sabrina Gaudio

Nog steeds vind je daar een paar van die orthodoxe heiligdommen, waaronder die van San Giovanni Theristis, vlak bij het dorp Bivongi. Ooit was dit een statig kerkje van geel zandsteen gewijd aan San Giovanni Theristis, met een naastgelegen klooster waar tientallen monniken woonden. Toen deze in de zeventiende eeuw werd beschadigd door bandieten verhuisden de monniken naar een groter klooster en namen alle relikwieën van San Giovanni Theristis mee. Het enige dat nu nog over is van het oude klooster is het dakloze omhulsel. De kapel werd in 1990 volledig gerestaureerd. Als ik die binnenstap, is het alsof ik een andere wereld betreed. In de kom van de apsis branden tientallen kaarsen, de gouden iconen die erboven hangen gloeien op in het licht. Enorme fresco’s laten afbeeldingen van heiligen zien. Behalve een Duits stel dat op een bankje in de weelderige tuin zit, is er niemand. Ik voel me warm en geborgen, omringd door al deze Griekse sinten, zo midden in de onbeteugelde natuur van Calabrië.

Een verlaten huis in Roghudi Vecchio.

Foto door Sabrina Gaudio

Op weg naar het vliegveld denk ik aan Mimmo van Gallicianò en een twee eeuwen oud gedicht dat hij me liet zien, geschreven door een Calabrees-Griekse vrouw. ‘We zijn hier, we kunnen schrijven, we bestaan,’ stond er. Een gedicht als bewijs van bestaan. Tragisch en oersterk tegelijk. Ik kan alleen maar hopen dat meer Griekse Calabrezen hun bestaansrecht opeisen. Net als deze dichteres, net als Mimmo, signora Mimma, Domenico en Nino en Aurelio Crea. Want zonder hen zou er een kostbaar cultureel rijkdom verloren gaan.

Wapenschild van de familie Crea.

Foto door Sabrina Gaudio

De roots van fotograaf en schrijver Sabrina Gaudio liggen in Calabrië; haar vader werd hier geboren en een groot deel van haar familie woont hier nog steeds. Als kind kwam ze er zelf regelmatig. Voor haar is het een plek waar veel herinneringen liggen, een van de redenen dat ze graag voor dit verhaal terugkeerde. @sabrinagaudio

Voor deze reportage kreeg ze steun van het Steunfonds Freelance Journalisten van collectief De Coöperatie. decooperatie.org

Beste reistijd

Mei tot en met oktober. In het voor- en najaar is de temperatuur mild. In de zomermaanden kan het kwik behoorlijk stijgen.

Zo kom je er

KLM vliegt elke dag (met een tussenstop in Rome of Milaan) van Amsterdam naar Lamezia Terme, Calabrië. klm.nl

Een huurauto is noodzakelijk, er is geen openbaar vervoer naar de afgelegen Griekse dorpen. Via Sunny Cars huur je heel makkelijk via de all-informule, met handige extra’s als een fastlane, de online check-in en de Geen Waarborg-service. sunnycars.nl

Slapen

Er zijn tal van opties om te slapen in en rondom Nationaal Park Aspromonte. Favoriet is La Rocca del Vento, net buiten San Pantaleone. Luciano Gulli zorgt dat het je aan niets ontbreekt. Zijn uitgebreide huisgemaakte diners zijn om van te watertanden. roccadelvento.com

Eten

Typisch Calabrees-Grieks eet je bij La Lestopitta in Bova. facebook.com/lalestopitta

Meer weten 

De Griekse dorpen van Aspromonte kun je heel makkelijk zelf ontdekken, maar met een officiële gids krijg je altijd net even dat beetje extra informatie. Archeoloog Carmela Bilotto is dé toeristische gids van Calabrië en neemt je mee naar de verborgen parels van de regio. carmelabilotto@yahoo.com

Lees meer

Dit vindt u misschien ook interessant

Reizen
Soundtrack van de stad: Liverpool
Reizen
Leg je reisherinneringen vast in een ‘analoog’ reisdagboek
Reizen
De top 25 beste bestemmingen van de wereld voor 2022
Reizen
Op bezoek bij 6 ambachtslieden in de regio Bern
Reizen
8x Herfstactiviteiten in het Zwitserse Bern Regio

Ontdek Nat Geo

  • Dieren
  • Milieu
  • Geschiedenis en Cultuur
  • Wetenschap
  • Reizen
  • Fotografie
  • Ruimte
  • Video

Over ons

Abonnement

  • Abonneren
  • Shop
  • Disney+

Volg ons

Copyright © 1996-2015 National Geographic Society. Copyright © 2015-2021 National Geographic Partners, LLC. Alle rechten voorbehouden.