Wildlifetoerisme

De gorilla’s van Dian Fossey

Ze geldt als redder van de soort, maar de plaatselijke bevolking zag haar als een bemoeizuchtige indringer. vrijdag, 1 december 2017

Door Elizabeth Royte

Even na zonsopgang slingeren twee berggorilla’s zich over de hoge ste­nen grensmuur van het Volcanoes National Park in het noordwesten van Rwanda. Na een zachte landing in het gras zakken de gorillamannetjes door de akkers de heuvel af – eerst op vuisten en voeten, dan rechtop. De volwassen mannetjes lopen op een paar eucalyptusbomen af en knagen aan de schors. Vervolgens sluiten een paar vrouwtjes en jongen uit hun groep zich aan, door onderzoekers de Titusgroep genoemd, en verplaatst het gezel­ schap zich naar een veldje met schriele bamboe.

Later die ochtend posteert Veronica Vecellio, hoofd van het gorillaprogramma van het Dian Fossey Gorilla Fund International, zich op een boomstam in het park. Hier, op een mistige, bosrijke helling in het Virungagebergte, kijkt Vecellio, die de groepsdynamiek van de dieren bestudeert, naar het mannetje Urwibuto, ook een frequente muurspringer. Hij vouwt zorgvuldig wat distelbladeren om en steekt ze in zijn mond. Ze maakt snel een foto en zoomt dan in op een wond aan zijn neus.

“Hij heeft vanochtend met een andere silverback uit zijn groep gevochten”, zegt ze op fluister­toon. (Silverbacks zijn volwassen mannetjes met een zadelvormige tekening van witte haren op hun rug.)

De Titusgroep, vertelt Vecellio, waagt zich al tien jaar steeds verder buiten het park, een recept voor ellende. Niet dat de gorilla’s de aardappels en de bonen van de akkers eten – nóg niet. Maar ze vernielen bomen die een belangrijke grondstof zijn en komen in contact met uitwerpselen van mensen en vee. De kans dat de gorilla’s daardoor een vervelende ziekte oplopen is levensgroot, en een uitbraak kan de doodsteek voor ze zijn. Dus als de Titusgroep te dicht bij de lemen huizen van Bisate komt, een dorp met tienduizend in­ woners, worden ze door parkwachters voorzichtig met bamboestokken terug de heuvel op gejaagd. Vecellio zucht. “Dat is de prijs van ons succes.”

Eind Jaren Zestig kwam de Amerikaanse Dian Fossey als volslagen leek naar Afrika om de berggorilla’s te bestuderen, op verzoek van de antropoloog Louis Leakey en met nanciële steun van de National Geographic Society. In 1973 was het aantal gorilla’s in het Virungagebergte tot onder de 275 gedaald, maar dankzij een extreem streng beschermingsbeleid – continu toezicht, strenge aanpak van stropers en veterinaire zorg – zijn het er inmiddels weer zo’n 480.

Dat is goed voor de genetische diversiteit. Inteelt uit zich onder meer in een gespleten verhemelte en vliezen tussen vingers en tenen, symptomen die jarenlang zijn gerapporteerd.

Maar er is ook een keerzijde. “De groepen worden groter”, zegt Vecellio. De Pablogroep telde in 2006 65 dieren. Momenteel zijn het er 25 – nog altijd drie keer zo veel als de gemiddelde berggorilla­ groep over de grens met Congo en Oeganda. “En op sommige plekken leven de groepen dichter op elkaar.”

Er zijn zes keer zo veel confrontaties als tien jaar geleden, en dus is er meer kans dat er gewon­ den vallen of dat mannetjes de jongen van hun rivalen doden. “We zien veel meer stress”, zegt Vecellio, wat weer kan leiden tot een toename van het aantal stressgerelateerde aandoeningen.

Dat zou niet zo’n probleem zijn als de berg­gorilla’s onbeperkte bewegingsruimte hadden.

Maar het Volcanoes National Park is met amper 160 vierkante kilometer een eiland in een zee van mensen die smachten naar meer akkerbouw­ en weidegrond. Voortdurend klimmen er dorpelingen over de muren het park in op zoek naar brandhout, vlees, honing en in de droge tijd ook water.

Omgekeerd bewijst de strooptocht naar bam­boe en eucalyptus van deze ochtend hoezeer de Titusgroep zich buiten het bos op z’n gemak voelt.

Deze dynamiek gaat grotendeels voorbij aan de toeristen die naar het park komen. Maar voor wetenschappers is dit een uniek moment om de Rwandese berggorilla’s te bestuderen – de populatie van deze ernstig bedreigde diersoort neemt niet alleen toe, ook de regels die aan hun sociale gedrag ten grondslag lijken te liggen, komen in een ander licht te staan.

Op een frisse ochtend ploeg ik bijna twee uur door kuitdiepe modder en schouderhoge brandnetels van Bisate. Ik ben op weg naar de onderzoekspost die Fossey in 1967 oprichtte in het hoogland tussen de bergen Karisimbi en Visoke. Karisoke, zoals Fossey het kamp noemde, begon met twee tentjes en telde uiteindelijk ruim tien hutten en schuren tussen metershoge koso­ bomen. Net als in Fosseys tijd, lijkt de vochtige lucht groen te kleuren door alle varens, lianen en gras en klatert er een riviertje langs het terrein.

Nadat Fossey in 1985 in haar bed was ver­ moord, een misdrijf dat nog altijd niet is opgehelderd, zetten anderen haar werk in Karisoke voort. Tijdens de Rwandese genocide van 1994 werd Karisoke gesloten en door rondtrekkende rebellen geplunderd. Tegenwoordig opereert het Karisoke Research Center vanuit een modern kantoorgebouw bij Musanze; de enige sporen van menselijke aanwezigheid op de oorspronkelijke locatie zijn wat funderingen en hier en daar een kachelpijp.

Ondanks de zware klim, de plensbuien en de soms ijzige kou maken zo’n vij onderd mensen per jaar een pelgrimage naar Karisoke. Velen kennen Fossey van haar boek Gorillas in the Mist of de gelijknamige lm uit 1988. Maar ik heb de plek vrijwel voor mezelf alleen. Terwijl ik over het terrein dwaal en probeer me voor te stellen hoe Fossey hier heeft geleefd, schrapen onderhoudsmannen voorzichtig het mos van de houten borden die de graven van 25 gorilla’s markeren. Vlak naast dit vredige kerkhof rust Fossey zelf, onder een bronzen plaquette.

De rijzige, kritische Fossey was niet bij iedereen geliefd. Veel Rwandezen zagen haar als een bemoeial of een heks, die hun tradities met voeten trad en mensen die van het oerwoud afhankelijk waren het brood uit de mond stootte. Maar dat deerde Fossey niet. Ze joeg herders met kudde en al het park uit: hun dieren vertrapten het voedsel van de gorilla’s en dreven ze de koude hellingen op. Elk jaar maakte Fossey duizenden vallen en klemmen onklaar, bestemd voor buffels en antilopen. Ze waren niet meteen dodelijk voor gorilla’s, maar als ze bekneld raakten, liepen ze vaak alsnog fatale infecties op. Kreeg Fossey stropers te pakken, dan ranselde ze hen af met brandnetels. Ze stak hun hutten in de fik, pakte hun wapens af en gijzelde ooit zelfs een kind van een stroper. Maar wat het beste werkte, en wat ook nu nog gebeurt, was dorpelingen betalen om in het park te patrouilleren, en erbij op de overheid op aan­ dringen het stroperijverbod te handhaven. Hoe controversieel Fossey ook was, “zonder Dian zouden er in Rwanda waarschijnlijk geen berg­gorilla’s meer zijn geweest”, zoals de chimpansee­ onderzoeker Jane Goodall ooit zei.

Bij de eenvoudige plaquette op Fosseys zerk denk ik aan de dingen die deze pionier zo uniek maakten: de achttien jaar die ze in het oerwoud verbleef, de moeite die ze deed om geld bijeen te krijgen, haar eeuwige gevecht om wetenschap­ pelijke erkenning te krijgen, gezond te blijven en zielsverwantschap te vinden. Het is intens wrang dat Fossey de wereld liet zien hoe liefdevol en vreedzaam gorillafamilies meestal zijn, terwijl haar eigen leven zo werd getekend door verbittering en wantrouwen.

Vlak bij Fosseys graf ligt dat van Digit, de silverback die ze met pijn in het hart inzette om donateurs te werven, via het Digit Fund, nadat stropers hem hadden doodgestoken en onthoofd. Fossey kwam altijd geld te kort voor haar gidsen en patrouilles. Maar het idee om dat dan maar met ecotoerisme te gaan verdienen stond haar tegen, want de gorillatoeristen – die tegen haar zin van­ af 1979 naar Karisoke kwamen – droegen volgens haar bij tot het uitsterven van de soort. Toch was het Fossey zelf die met lezingen en artikelen over haar onderzoek de gorilla’s wereldberoemd had gemaakt. Ook was het Fossey die gorilla’s aan mensen had leren wennen – zonder dat was het gorillatoerisme niet eens mogelijk geweest.

Toen Fossey nog leefde, werd ze door Rwanda nauwelijks getolereerd: keer op keer werden haar visumaanvragen geweigerd en werden haar pogingen een eind aan het stropen te maken gedwarsboomd. Maar zodra ze in een nationaalpark was vermoord en begraven, zegt Vecellio, begreep het land de “grote symbolische waarde” daarvan. “Het leidde tot een gevoel van urgentie en internationale steun voor de bescherming van gorilla’s.” Vorig jaar trok het park ruim dertig­ duizend toeristen, voor wie de Rwanda Development Board, de instantie die over het toerisme gaat, 750 dollar per persoon ontvangt voor een groepsbezoek van een uur aan een gorillagroep, een bedrag dat onlangs werd verhoogd naar 1500 dollar (zo’n 1250 euro). Die inkomsten worden gebruikt voor toezicht en beveiliging en laten zien dat de overheid de bescherming van gorilla’s serieus neemt.

Voor de veiligheid van mens en dier mogen er niet meer dan acht toeristen mee in een groep. Maar doordat er meer gorillagroepen zijn gekomen, kunnen nu meer bezoekers zo’n bijzondere ontmoeting meemaken. Daardoor vloeit er via de overheid meer geld naar de gemeenschap en ont­ staan er meer mogelijkheden voor lokale onder­ nemers, en het toerisme wordt in de toekomst misschien nog verder uitgebreid.

Pas tegen het eind van de ochtend ontdekt mijn gids de Sabyinyogroep, niet ver van de grens van het park, in een schemerig bamboebos. Zo­ dra de stortregen wat minder wordt, horen we hoe de dieren van de schors en scheuten schransen, maar het duurt nog even voordat we ze echt zien. Als een massieve spierbonk kijkt de silverback Gihishamwotsi tussen de geplette varens en reuzenlobelia’s goedmoedig naar een harem van vrouwtjes met jongen. Af en toe slaakt hij een diep gegrom, dat wordt beantwoord met keelklanken van gorrilla’s net buiten ons gezichtsveld. Wanneer hij plotseling opstaat om zich op de borst te roffelen, schrik ik nog het meest van iedereen.

“We houden de gorilla’s in leven door de invloed van de mens terug te draaien. Want het ligt aan de mens dat de dieren worden bedreigd.”

door Veronica Vecellio

Ik had nooit gedacht dat ik zo onder de indruk zou zijn, want ik kijk mijn hele leven al natuur­ documentaires en ik weet best dat gorilla’s voor 98 procent hetzelfde DNA hebben als wij. Maar nu ik op twee meter afstand sta, ben ik totaal ondersteboven. Die zachte, vlezige voetjes van de jonkies! Die braadworstvingers van hun moeders! Die bontmoffen van onderarmen van de silverback! En al die vertrouwde gebaren: ze krabben zich precies zoals wij! Ze spelen met hun tenen! En ze knuffelen hun kleintjes met hun snoet tegen elkaar aan! Maar dan daalt het schuldgevoel in: we plegen hier toch een vorm van huisvredebreuk.

Als mijn uur om is, hol ik de berg af voor mijn afspraak met Winnie Eckardt in het Karisoke Research Center. De onderzoeksleidster staat in een kleine ruimte tegen een vriezer geleund en wijst naar de ingevroren monsters achter haar rug. “Welkom in ons poeplab”, zegt ze lachend.

Eckardt, die als ze maar even kans ziet een van de omliggende vulkanen beklimt, doet al sinds 2004 onderzoek naar de berggorilla’s en is nu verantwoordelijk voor het maandelijks verzamelen en analyseren van de poepmonsters van de 130 die­ ren, die naast virussen en parasieten ook hormonen, enzymen en DNA bevatten. (Een parkwachter gaat nooit zonder wegwerpzakjes op pad.)

“Endocrinologie wordt steeds belangrijker bij het bestuderen van wilde dieren”, zegt Eckardt. “Het is een fantastisch middel.” Er wordt gekeken naar de aanwezigheid van het stresshormoon cortisol, en dat wordt vergeleken met het onderlinge gedrag. “Daaraan kunnen we zien of bepaalde interacties stress veroorzaken.”

In 2014 werden observaties van het gedrag en de samenstelling van gorillagroepen naast DNA­uit­ slagen van poepmonsters gelegd. Dat bood in­ zicht in de verschillende keuzen die mannetjes en vrouwtjes maken aangaande het verlaten van hun geboortegroep, wat grote gevolgen heeft voor de genetische opbouw van een populatie.

Ook geeft DNA­sequencing uitsluitsel over vaderschap. “Daardoor weten we dat de dominante silverback de verwekker is van de meeste jongen in de groep, maar niet van allemaal”, zegt Eckardt. Ook de nummer twee en drie hebben hun genen doorgegeven. Dat werpt vragen op: hoe besluit een niet­dominante mannetje of hij in een groep blijft of de stap zet om vrouwtjes te verleiden om met hem een eigen groep te beginnen? Welke factoren bepalen of een dier zich weet voort te planten? Hoe handhaaft de nummer één zijn positie? “De concurrentie is moordend.”

De opgedane kennis over inteelt en het succes van verschillende afstammingslijnen uit DNA­onderzoek wegen mee bij het nemen van Beslissingen die van belang zijn voor het in stand houden van de soort. Eckardt: “Wanneer we maar een paar groepen kunnen redden, kiezen we voor de groepen die het minst verwant zijn. Want inteelt kan het gedrag verstoren of aan­ doeningen veroorzaken die extra zorg vereisen.” Door geringere genetische diversiteit worden de gorilla’s bovendien vatbaarder voor ziekten en de gevolgen van klimaatverandering.

Al bijna driehonderd publicaties zijn er over de onderzoeksbevindingen in Karisoke verschenen, maar er valt nog altijd veel te leren. “Kijk je naar een onderzoek van 1997 tot 2007, en dat is best lang,” zegt Tara Stoinski, directeur en hoofd onderzoek van het Fossey Fund, “dan zou je den­ ken dat hier geen infanticide voorkomt. Maar uit de perioden ervoor en erna weten we dat dit wel degelijk zo is.”

In de jaren zeventig leefden de gorilla’s sterk verspreid en hadden ze soms zo veel last van mensen, zoals stropers en herders, dat de groepen uit elkaar vielen en op drift geraakte mannetjes vrouwtjes uit andere groepen weglokten en hun jongen doodden om te zorgen dat de moeders weer snel vruchtbaar werden. Naarmate het stro­ pen afnam, werd ook de infanticide minder. “Nu leven de groepen dichter op elkaar en is er minder hinder van mensen”, zegt Stoinski. “Toch zien we nu juist weer meer infanticide, doordat er meer contact is tussen verschillende groepen. Fascinerend hoe de gorilla’s daarop reageren.”

Een van de grootste verrassingen voor het parkbestuur en voor Stoinski zelf, die een kleine honderd publicaties over gedrag en bescherming van primaten op haar naam heeft staan, was de terugkeer in januari van een dood gewaande silverback. Cantsbee, een van de laatste twee gorilla’s die hun naam nog van Fossey hebben gekregen, was het oudste mannetje waarmee de onderzoekers ooit te maken hadden gehad. Hij was de baas van de Pablo, de grootste groep van Karisoke, en had volgens gegevens uit 2013 minstens 28 nakomelingen verwekt, een record. Na de verdwijning van de legendarische gorilla met de rossige wenkbrauwen in oktober vorig jaar zochten tientallen parkwachters een maand lang ergeefs naar zijn lichaam. Uiteindelijk maakte het Fossey Fund zijn overlijden bekend. In het persbericht stond dat er in de tijd dat hij werd geboren veel stropers actief waren, maar dat hij dankzij alle beschermende maatregelen de respectabele leeftijd van 37 jaar had bereikt.

Cantsbees terugkeer doorkruiste allerlei aannames over het gedrag van dominante mannetjes. “Dat een leider met zijn status op die leeftijd verdwijnt en weer terugkomt, hadden we nog nooit meegemaakt”, zegt Stoinski verwonderd. “En hij zag er fantastisch uit, hij was in topconditie.”

In Cantsbees afwezigheid had zijn zoon Gicurasi de leiding genomen in de Pablogroep; na zijn terugkeer gedroeg Cantsbee zich soms als vanouds als de baas, zonder echt dominant te zijn. Maar in februari zag hij er slecht uit en ver­ dween hij opnieuw. In mei werd zijn ontzielde lichaam gevonden.

De huidige gebeurtenissen in het park bewijzen volgens de Karisoke­onderzoekers dat de berg­ gorilla’s, zoals de meeste mensapen, erg exibel zijn. In Fosseys tijd telden de gevolgde groepen hooguit twee of drie mannetjes. Toen in de jaren negentig de menselijke invloed afnam, werden de groepen groter en telde een groep soms wel acht silverbacks. Maar daarna splitsten veel groe­ pen zich op, vaak na de dood van een dominant mannetje, en gingen ze terug naar de aantallen uit Fosseys tijd. “Dat duidt erop dat het gedrag niet op zichzelf staat, maar deel uitmaakt van een groter geheel”, zegt Stoinski. “Veranderen de omstandigheden en de omgeving, dan verandert ook de sociale organisatie van de gorilla’s.” En omdat de weg naar volwassenheid bij gorilla’s langzaam verloopt, zijn er langlopende stu­ dies nodig om erachter te komen wat eigenlijk ‘normaal’ is. Terwijl 60 procent van de wilde primaten­ soorten door het oprukken van de mens met uitsterven wordt bedreigd, neemt de berggorilla juist in aantal toe. Toch kan het met deze dieren in het Virungagebied nog alle kanten opgaan. “De populatie is klein en kwetsbaar”, zegt Stoinski.

Fossey met Coco en Pucker. De twee werden in 1969 als jonkies gevangen voor een Duitse dierentuin en slecht behandeld. Ze verzorgde de weesjes tot ze weer gezond waren en nam ze zelfs op in haar eigen hut.

Het Fossey Fund gaat dan ook door met het volgen van de dieren en het verwijderen van strikken, maar investeert daarnaast in projecten voor de gemeenschap. Zo is er gezorgd voor een schoolbibliotheek, een computercentrum en een kraamkliniek in Bisate, zijn er onderwijsprogram­ ma’s waaraan zo’n dertienduizend Rwandezen per jaar meedoen en initiatieven om mensen aan werk te helpen, zodat ze niet op strooptocht hoeven.

De gorilla’s trekken al naar delen van het park met minder soortgenoten. Maar ook de mens moet misschien land afstaan aan de dieren. De regering wil een bufferzone instellen, waardoor mensen met hun vee en hun akkertjes moeten verkassen. Dat plan veroorzaakt de nodige com­ motie, want het district Musanze telt maar liefst zevenhonderd inwoners per vierkante kilometer. “We moeten ervoor zorgen dat de gemeenschap inziet hoe waardevol het park is”, zegt Stoinski. De gorilla’s vormen de belangrijkste trekpleister voor de toeristen, die Rwanda in 2015 321 miljoen euro opleverden, en het park deelt 10 procent van zijn inkomsten met de omliggende gemeenten.

Kritische tongen vragen of het geld waarmee het omvangrijke beschermingsprogramma voor de gorilla’s is opgezet niet beter aan andere soor­ ten kan worden besteed, en er zijn zelfs mensen die zeggen dat de instandhouding van zwakke dieren natuurlijke selectie verstoort.

Maar Vecellio verdedigt haar werk met verve. “We houden de gorilla’s in leven door de invloed van de mens terug te draaien”, zegt zij. “Want het ligt aan de mens dat de dieren worden bedreigd.”

Dit verhaal komt uit het oktobernummer van National Geographic Magazine.

Lees meer