Een kwart van de bijensoorten is sinds de jaren negentig niet meer waargenomen

Een groot overzichtsonderzoek laat een terugloop zien van de diversiteit in bijensoorten, wat leidt tot zorgen over deze zeer belangrijke bestuivers.

Published 26 jan. 2021 15:46 CET
De 4,5 millimeter metende Lasioglossum smeathmanellum behoort tot de familie van de Halictidae, die in het ...

De 4,5 millimeter metende Lasioglossum smeathmanellum behoort tot de familie van de Halictidae, die in het Engels ook wel ‘sweat bees’ worden genoemd. Het aantal observaties van wilde Halictidae is in de afgelopen decennia aanzienlijk afgenomen.

Foto van Phil Savoie, Nature Picture Library

Wij hebben ons voedsel te danken aan bijen. Veel van de 20.000 bijensoorten zorgen wereldwijd voor de bestuiving van 85 procent van de gewassen en het fruit, van knoflook en grapefruits tot koffie en boerenkool.

Maar het heeft er alle schijn van dat het niet zo goed gaat met deze belangrijke insecten. Uit een onderzoek dat onlangs werd gepubliceerd in het vakblad One Earth blijkt dat het aantal waargenomen bijensoorten wereldwijd is afgenomen in de afgelopen decennia. De grootste terugval vond plaats tussen 2006 en 2015, toen er zo'n 25 proces minder soorten werden gezien. En dat terwijl het aantal amateurwetenschappers dat meehelpt met het doen van waarnemingen snel toenam.

Halictidae (die in het Engels ook wel sweat bees oftewel ‘zweetbijen’ worden genoemd, omdat ze op transpiratie afkomen), zorgen voor de bestuiving van belangrijke gewassen als alfalfa, zonnebloemen en kersen. Sinds de jaren negentig is het aantal waarnemingen van deze kleine, metaalkleurige vliesvleugeligen met 17 procent gedaald, bleek uit het onderzoek. Bijensoorten van de zeldzame familie van de melittidae, waaraan wij bosbessen, cranberry's en orchideeën te danken hebben, zijn met maar liefst 41 procent afgenomen. (Alle bijen ter wereld zijn onderverdeeld in zeven families.)

Hoewel ze minder bekend zijn vullen dergelijke wilde bijen met hun activiteiten het werk aan van honingbijen, die in korven worden gehouden.

“Ook al zijn honingbijen effectief in het bestuiven van veel soorten gewassen, het is heel riskant om al te afhankelijk te zijn van een enkele soort,” vertelt onderzoeksleider Eduardo Zattara die als bioloog werkt bij het Argentijnse Instituto de Investigaciones en Biodiversidad y Medio Ambiente.

Zo stierf door de uitbraak van een ziekte in 2006 pakweg de helft van de honingbijen in de VS. Zonder wilde bijen “was de opbrengst van gewassen enorm veel lager uitgevallen,” aldus Zattara. 

(Lees ook: Wilde bijen maken hun nesten nu van plastic - en wetenschappers weten niet waarom)

Voor de studie werd gebruikgemaakt van een openbare website, de Global Biodiversity Information Facility, waarop waarnemingen van bijen te vinden zijn vanaf de achttiende eeuw, door musea en universiteiten, maar ook burgers.

De meeste onderzoeken naar de diversiteit onder bijen richten zich op een bepaald gebied of een bepaalde soort. Dat was voor de onderzoekers reden om nu deze grootschalige analyse te doen.

“Er is geen nauwkeurig beeld van de stand van zaken met betrekking tot bijen over een langere periode,” zegt Zattara. “Wij wilden weten of we dit soort data konden gebruiken om een globaler beeld te krijgen. En dat blijkt dus te kunnen.”

Maar aan de hand van de onderzoeksgegevens is niet te zeggen of er soorten uitgestorven zijn, waarschuwt hij. “Wat we wel kunnen zeggen is het dat het niet bepaald goed gaat met de wilde bijen.”

Bijenbedreigingen

Uit de analyse blijkt dat op alle continenten minder soorten worden waargenomen, behalve op Australië. Daar zijn verhoudingsgewijs weinig data beschikbaar, vertelt Zattara. Op Antarctica komen geen bijen voor.

In de tweede helft van de vorige eeuw kromp het leefgebied van bijen door een wereldwijde sterke groei van de landbouw en betekende de grootschalige toepassing van pesticiden het einde voor veel planten die een bron van voedsel zijn voor bijen. Bovendien verdreef de stijgende temperatuur bijensoorten uit hun oorspronkelijke leefgebieden, als die niet al direct dodelijk uitpakte.

(Lees ook: bijen gebruiken 'werktuigen' om hoornaars af te schrikken)

Een andere reden voor de afname: wanneer landen niet-inheemse bijensoorten introduceren voor de bestuiving van bepaalde landbouwgewassen, bestaat er een kans dat die ziekteverwekkers bij zich dragen “waardoor er ‘pandemieën’ onder insecten uitbreken,” aldus Zattara.

Als voorbeeld wijst hij op twee Europese hommelsoorten die in Chili en Argentinië werden geïntroduceerd, waardoor de daar van oorsprong voorkomende Bombus dahlbomii (die vanwege zijn omvang ook wel ‘vliegende muis’ wordt genoemd) nu een bedreigde soort is. De soorten concurreren om voedsel en de oorspronkelijke bewoner is vatbaar voor nieuwe ziekten.

Aardhommels, oorspronkelijk afkomstig uit Europa, doen zich tegoed aan bloesem van bosbessen in Puerto Blest in Argentinië. De invasieve soort richt grote schade aan onder de inheemse bijen in Patagonië.

Foto van Eduardo E. Zattara

Bijengegevens verwerken

Zattara en zijn collega, bioloog Marcelo Aizen van de Argentijnse Universidad Nacional del Comahue, categoriseerden de ontzagwekkende berg aan gegevens eerst per jaar. Er worden jaarlijks tot wel zo'n 100.000 waarnemingen gedaan. Vervolgens telden ze de soorten die per jaar waren waargenomen.

Zattara vertelt dat ze niet keken naar het aantal bijen dat per jaar werd waargenomen, maar alleen naar de soorten. Door die aanpak speelden verschillen in aanpak tussen landen een minder grote rol. Zo is er uit Noord-Amerika veel meer data beschikbaar dan uit bijvoorbeeld Afrika, wat problemen op zou leveren als het aantal waarnemingen van exemplaren gewoon bij elkaar zou worden geteld.

“Er zijn dan bijna altijd meldingen van soorten die vaker voorkomen, terwijl de kans groter is dat soorten die lastiger zijn om te vinden zouden ontbreken in een bepaald jaar,” zegt hij.

Maar zelfs met zo'n schat aan gegevens die honderden jaren teruggaat, bestaat er een kans dat fouten of willekeur een rol spelen. Zo kan iemand die op zoek is naar een bepaalde soort misschien andere soorten over het hoofd zien, stelt ecoloog Rachael Bonoan van het Amerikaanse Providence College in Rhode Island. Zij is gespecialiseerd in insecten als bestuivers en was niet betrokken bij het nieuwe onderzoek.

Toch “zijn de auteurs er goed in geslaagd om mogelijke toevalligheden op te vangen” zegt Bonoan.

Zattara erkent dat er fouten en onjuistheden kunnen optreden bij het uitpluizen van gegevens over 20.000 bijensoorten.

De opkomst van de amateurwetenschapper

Gezien het algehele beeld van een afname van de soorten, hoopt hij dat wetenschappers hun onderzoek en dataverzameling vaker publiek maken. Dat geldt ook voor de bijdragen van amateurwetenschappers, die de ontbrekende kennis kunnen aanvullen.

Tijdens de coronapandemie is er meer activiteit op veel websites voor amateurwetenschap, met name die op het gebied van het tellen van insecten. “Het is heel goed als er veel mensen letten op de veranderingen die plaatsvinden,” stelt Zattara.

“Het is duidelijk dat we nu op het punt zijn aangeland waarop mensen zich iets van insecten gaan aantrekken, en dat is fantastisch nieuws,” voegt Bonoan daaraan toe.

“Het is alleen maar goed voor de natuur en andere bestuivers als er meer aandacht komt voor deze leuke en nuttige insecten,” stelt zij.

Dit artikel werd oorspronkelijk in het Engels gepubliceerd op NationalGeographic.com

Lees meer

Ontdek Nat Geo

  • Dieren
  • Milieu
  • Geschiedenis en Cultuur
  • Wetenschap
  • Reizen
  • Fotografie
  • Ruimte
  • Video

Over ons

Abonnement

  • Abonneren
  • Schrijf je in
  • Shop
  • Disney+

Volg ons

  • Gebruiksvoorwaarden
  • Privacyverklaring
  • Cookiebeleid
Copyright © 1996-2015 National Geographic Society. Copyright © 2015-2017 National Geographic Partners, LLC. Alle rechten voorbehouden.