Waar komt al dat speelgoed vandaan? Een korte geschiedenis

Speelgoed heeft zich in de schaduw van de beschaving en de technologie ontwikkeld, van stokjes en knikkers tot de teddybeer en LEGO – hoewel veel spelletjes opvallend trouw aan hun oorsprong zijn gebleven.

Gepubliceerd 17 dec. 2020 14:54 CET
De geschiedenis van het speelgoed weerspiegelt niet alleen de ontwikkeling van onze beschaving, maar zegt ook ...

De geschiedenis van het speelgoed weerspiegelt niet alleen de ontwikkeling van onze beschaving, maar zegt ook iets over ons vermogen om anderen te imiteren, onszelf te onderwijzen, om stereotypen te versterken (en ondergraven) en onze verbeelding te gebruiken. 

Foto van Tim Gainey/Alamy

Zo lang er mensen op aarde rondlopen, zijn er spelletjes geweest. Voor het spelen is zelfs een wetenschappelijke definitie: herhaald, aangenaam gedrag dat zonder verdere bijbedoeling wordt vertoond en dat lijkt op maar niet gelijk is aan ander gedrag. Zulk gedrag vinden we ook in het dierenrijk, want onderzoekers hebben het waargenomen bij talloze dieren, van krokodillen en chimpansees tot wespen.

Over het waarom van al deze spelletjes doen talloze theorieën de ronde. Spelletjes zouden een goede voorbereiding zijn op de volwassenheid, want tijdens het spelen ontwikkelen jonge dieren en kinderen hun motorische capaciteiten, hun ‘fysieke intelligentie’ en hun communicatieve vaardigheden. En de spelers hebben natuurlijk ouderwetse en geheel overbodige lol, die de geest vrijmaakt. “Een van de meest opmerkelijke aspecten van het spelen is voor mij dat het helemaal geen doel hoeft te hebben – dat maakt een spelenderwijs uitgevoerde handeling zo anders dan gedrag dat er vrijwel precies op lijkt,” zegt Christopher Bensch, vicedirecteur collecties en hoofdcurator van het Strong National Museum of Play in Rochester, New York. “Ik ben dol op tuinieren en beschouw dat als een vorm van spelen, maar als iemand me zou opdragen om honderd kuilen te graven, zou ik dat als werk of corvee opvatten. Spelen is verkwikkend en meeslepend,” zegt hij. 

“In zijn meest intense vorm gaan we er helemaal in op en verliezen het gevoel van tijd en zelf.”

De natuurlijke metgezel van de twee vormen van spelen die de mens kent – imitatief en instructief spelen – is speelgoed. En hoewel sommige spelletjes zich duidelijk hebben ontwikkeld, zijn er ook stukken speelgoed die verrassend veel overeenkomsten vertonen met de allereerste speeltjes die we uit de geschiedenis van de menselijke beschaving kennen – van takken die als wandelstokken werden gebruikt tot de natuurlijke nieuwsgierigheid voor rollende voorwerpen, die uiteindelijk tot de bal leidde. En parallel aan de ontwikkeling van de beschaving als geheel is speelgoed tot een van hoekstenen ervan uitgegroeid – van takjes en steentjes uit de natuur tot fraaie herinneringen aan een gelukkige jeugd die van generatie op generatie worden doorgegeven. Hieronder volgen enkele bijzondere voorbeelden van speelgoed dat, elk op zijn eigen manier, onze manier van spelen heeft veranderd.

(Bekijk deze foto’s van hondenspeelgoed – vóór en ná het spelen.)

De eerste spelletjes

Aangezien de allereerste stukken speelgoed waarschijnlijk natuurlijke voorwerpen zijn geweest die mensen gewoon op de grond zagen liggen, is er weinig bewijs voor vroege vormen van het menselijke spel bewaard gebleven, maar experts gaan ervanuit dat het om takjes, steentjes, botjes en vezels ging, of om combinaties van zulk materiaal. Mogelijk werd deze vorm van spelen gebruikt om het wapengebruik van volwassenen na te apen, en als een soort vroege leerschool voor het overleven in de wildernis.

Een kind bukt zich om in het bos een stok op te rapen. Dit soort gedrag van moderne kinderen met ‘gevonden’ speelgoed lijkt waarschijnlijk op dat van de allereerste mensenkinderen.

Foto van Stocksnap/Pixabay

Het eerste speelgoed dat bewust voor het spelen werd gemaakt, was waarschijnlijk de bal. Knikkers van halfedelsteen die uit de periode tussen 3000 en 4000 v.Chr. dateren, zijn aangetroffen in het graf van een kind in het oude Egypte, en door de hele geschiedenis van die beschaving heen zien archeologen een hoogst ontwikkelde cultuur van sport en spel. Ze vonden primitieve poppen en ontdekten afbeeldingen van sporten die werden beoefend met ballen van papyrus. Deze eerste speelballen waren gevuld met textiel of hooi. Ook kenden de oude Egyptenaren bordspelen als senet. Oude spelletjes als het bikkelen berusten op het spelen met dierenbotjes, die in oude beschavingen voor dat spel werden gebruikt.

Speelgoed aan een touwtje

Vliegeren wordt al sinds mensenheugenis gezien als een leuke bezigheid voor kinderen, maar onbekend is wanneer de eerste vlieger het luchtruim koos. Waarschijnlijk gebeurde dit tussen 4000 en 1000 v.Chr. in het oude China of misschien in de regio die nu Indonesië is. Vliegers lijken voor verschillende doeleinden te zijn gebruikt, bijvoorbeeld als visgerei, als sein- en meetinstrumenten (in oorlogen) maar ook als speelgoed. We weten maar weinig over deze vroege modellen, want de fragiele vliegers zijn in de loop der millennia niet goed bewaard gebleven. De eerste exemplaren waren waarschijnlijk gemaakt van papier of zijde, terwijl latere versies met een directe verwijzing naar de mythologie werden ontworpen en versierd.

In de handen van volwassenen ontsteeg de vlieger zijn gebruik als militaire vinding en groeide uit tot een steeds geavanceerder natuurwetenschappelijk instrument. De vlieger zette mensen aan het denken over de aerodynamica van het vliegen en zou de ontwikkeling van het moderne vliegtuig letterlijk vleugels geven. Maar het eenvoudige ontwerp en de simpele materialen van de allereerste vliegers is nog altijd terug te vinden in de modellen van nu.

Op de litho 'Het maken van de vlieger', naar een schilderij uit 1869, is een Amerikaans jongetje een zeshoekige vlieger aan het bouwen. Tot op de dag vandaag lijkt het basisontwerp van vliegers verbluffend veel op de allereerste vliegers uit het oude China, hoewel deze niet alleen dienst deden als speelgoed.  

Foto van Louis Kurz, painting by Wm Cogswell

Ook de jojo vond waarschijnlijk zijn oorsprong in China en verspreidde zich daarna naar het westen en zuiden. Zeker is dat er al in 1000 v.Chr. in het oude Griekenland met jojo’s werd gespeeld, waarbij de schijfjes werden gemaakt van steen en later ook van hout en terracotta. De jojo heeft gedurende zijn ontwikkeling talloze namen gehad, waaronder bandalorewhirligig en in Frankrijk émigrette (van ‘emigreren’, een sinistere verwijzing naar de populariteit van dit speelgoed bij de Franse aristocratie, die door Franse Revolutie het land moest ontvluchten). In 1916 werd het speeltje in een artikel in het tijdschrift Scientific American over speelgoed op de Filipijnen met de naam ‘yo-yo’ aangeduid. Sommigen menen dat ‘yo-yo’ in het Tagalog, de taal die op de Filipijnen wordt gesproken, zoiets betekent als ‘kom-kom’.

Oppermacht van de pop

Poppen om mee te spelen behoren tot de oudste en cultureel meest wijdverbreide stukken speelgoed die er bestaan. Deze miniatuurversies van de mens zijn krachtige symbolen en worden al sinds mensenheugenis gebruikt in de kunst en de religie en als talismannen voor ‘zwarte magie’. Uit hout gesneden ‘peddelpoppen’ zijn gevonden in Oud-Egyptische graven uit de tijd rond 2000 v.Chr.; en in 2017 werd in Siberië een uit speksteen gesneden pop met opvallende wenkbrauwen en jukbeenderen ontdekt in het graf van een klein kind dat zo’n 4500 jaar geleden in de Bronstijd leefde. ‘Poppen’ zijn zelfs in het dierenrijk aangetroffen, want jonge vrouwtjeschimpansees vertonen moederlijk gedrag tegenover kleine stokjes, wat volgens onderzoekers niet alleen inzicht biedt in ons spelgedrag maar ook in gendergerelateerde voorkeuren voor speelgoed bij onze primitieve verwanten.

In de negentiende eeuw waren poppen van biscuitporselein enorm populair in Europa. Dit aardewerk zorgde ervoor dat hun huid er mat en ‘echt’ uitzag. Doordat de producenten naast de poppen ook accessoires, kleding en poppenhuizen konden verkopen, ontstond een businessmodel voor steeds verdere uitbreidingen dat later de inspiratie vormde voor treinsets.

Foto van National Geographic

Poppen voor mensen waren er in allerlei vormen en maten. Ze konden van maïsbladeren, papier of klei zijn gemaakt. We kennen houten ledenpoppen (zoals Pinokkio), in elkaar passende Russische matroesjka’s, Japanse daruma-poppen en Lurische poppen uit Iran. Halverwege de negentiende eeuw werden poppen met hoofden van porselein en kleertjes van stof en leer zeer populair in Europa, waar ze vooral in Frankrijk en Duitsland werden gemaakt. Veel van deze poppen waren oorspronkelijk bedoeld als imitaties van volwassen vrouwen, maar rond 1850 gingen ze steeds meer op kinderen lijken, vaak met kleertjes en accessoires die naar believen aangepast konden worden en met prachtige poppenhuizen. In de tweede helft van de negentiende eeuw werden de zogenaamde ‘Bisque’-poppen populair – genoemd naar het biscuitporselein dat deze poppen hun realistische matglanzende afwerking gaf. De duurdere modellen werden soms voorzien van echt mensenhaar.

Poppen werden daarna vaker gemaakt van minder breekbaar materiaal als hars, lijm en zaagsel. In de vroege twintigste eeuw werden het steeds complexere stukken speelgoed, zoals de schattige Kewpie en baby- of slaappoppen met glazen oogjes die dichtvielen als de pop werd neergelegd. Door verbeteringen in de technologie van plastics en synthetische stoffen veroverde de pop in 1959 de wereld, toen de Barbiepop van Mattel – een 28 centimeter lange belichaming van het ‘tienermodel’ – in badpak en met twee kleuren haar op de markt werd gebracht.

‘Barbie’ was de afkorting van Barbara Millicent Roberts en de pop was en is nog steeds een cultureel fenomeen: er zijn sinds 1959 één miljard exemplaren van verkocht en de poppen zijn in meer dan tweehonderd verschillende identiteiten vervaardigd.

G.I. Joe-figuren van een soldaat en een matroos, en figuren van Barbie en Ken, allemaal uit het midden van de jaren zestig. Hoewel jongens op basis van genderstereotypen geacht werden een voorkeur te hebben voor G.I. Joe, was het verschil tussen de twee soorten poppen niet zo groot als het misschien leek; een prototype van ‘Navy G.I. Joe’ was gebaseerd op een wat stoerder gemaakte Ken. 

Foto van A composite image: G.I. Joe credit Chris Willson / Alamy; Barbie and Ken, courtesy Mattel, Inc.

Hoewel de Barbiepop in 1961 gezelschap kreeg van haar maatje Ken, vereiste het stereotype van die tijd dat jongens nog even moesten wachten voordat ze dit imitatiespel met eigen poppen – in de vorm van ‘actiefiguren’ – konden gaan spelen. Dat gebeurde in 1964 stormenderhand: G.I. Joe nam de Amerikaanse speelgoedmarkt onder vuur en verscheen twee jaar later in Groot-Brittannië als ‘Action Man’. Christopher Bensch heeft een prototype van een ‘Navy G.I. Joe’ in zijn collectie in het National Museum of Play, en de pop heeft een geheimpje: “Hoe macho Joe ook is, hij zou zich misschien wat ongemakkelijk voelen bij het idee dat dit prototype eigenlijk een standaard Ken-pop is, die wat is ‘opgepompt’ om er stoerder uit te zien.” 

Industriële (speelgoed-)Revolutie

Nieuwe poppen ontstonden ook door de introductie van machines voor de massaproductie en de opkomst van het reizen als gevolg van de stoomtrein. “In de negentiende eeuw zorgden mechanische opwindpoppen voor een keerpunt,“ zegt Christopher Bensch. Dit soort bewerkelijke speelgoed werd volgens hem veel betaalbaarder door de introductie van “industriële processen waarmee tandradertjes en andere mechanische onderdelen goedkoper geproduceerd konden worden, wat tot de introductie van automatische poppen leidde die konden worden opgewonden en dan ‘hun ding deden.’” Kleinschalige mechanismen uit de ‘echte’ wereld van volwassenen zouden ook daarna nog veel speelgoed verrijken met hun miniatuur-oplossingen. “Het zijn het soort veranderingen die in onze eigen tijd hebben geleid tot speelgoed als Tickle Me Elmo (‘Kietel me, Elmo’) en Furby, maar dan met meer elektronica en batterijtjes erin.”

In de negentiende eeuw werd ook de stomende, wonderbaarlijk snelle en steeds internationaler wereld van het treinreizen in speelgoed geïmiteerd, in de eerste speelgoedtreinen. De vroegste versies varieerden van lompe stukken gietijzer of lood zonder bewegende wieltjes tot vernuftige imitaties met echte stoomaandrijving, die ‘dribblers’ (‘druppelaars’) werden genoemd (omdat ze een spoor van water op de vloer achterlieten). De treintjes vielen soms om, waardoor brandstof zich over de vloer of meubels kon verspreiden en er brand kon ontstaan.

Modeltreinensets waren geïnspireerd op het principe van poppenhuizen: speelgoed dat eindeloos kon worden uitgebreid. Dat was leuk voor zowel degenen die ermee speelden als de producenten: er werd niet slechts één product verkocht maar er kon creatief worden doorgebouwd met nieuwe producten. Treinsets zijn nog steeds immens populair, zowel onder kinderen als volwassenen. 

Foto van Naturfreund_pics / 214 images via Pixabay

Een nadeel was dat deze treintjes losse stukken speelgoed waren – in plaats van onderdeel van een systeem dat kon worden uitgebouwd, zoals een echt spoorwegennet. Maar toen verscheen de Duitse speelgoedfabrikant Märklin ten tonele. Het bedrijf had grote ervaring in het maken van poppenhuizen, die bijna eindeloos konden worden uitgebreid (en dus bijna eindeloos winstgevend waren). In 1891 introduceerde Märklin naast zijn ‘blikken’ speelgoedlocomotieven en -treintjes ook een reeks in elkaar passende stukken spoor in standaardmaten, zodat er een systeem ontstond. Dit soort spoorwegsets worden tot op de dag van vandaag gewaardeerd door jong en oud: met typetjes als Thomas de Stoomlocomotief blijven ze kinderen aanspreken, terwijl fervente hobbyisten dol zijn op de aandacht voor detail die de betere speelgoedtreinen verraden. 

Van teddybeer tot Disney

Hoewel reliëfs van dieren zijn gevonden in kindergraven in het oude Egypte en er als sinds de Romeinse tijd eenvoudige stro- en lapjespoppen bestaan, is het speelgoed- of knuffelbeest dat van doelbewust opgevuld materiaal is gemaakt, een relatief moderne uitvinding. Het was Margarete Steiff, een Duitse handwerkster, die in 1880 de aftrap gaf met de creatie van speldenkussens in de vorm van olifantjes. Toen ze zag dat veel kinderen de kussentjes na verloop van tijd als speelgoed gingen gebruiken, begon Steiff meer knuffeldieren te ontwerpen. Rond dezelfde tijd, in 1902, werd de toenmalige Amerikaanse president, Theodore ‘Teddy’ Roosevelt, afgebeeld in een cartoon van tekenaar Clifford Berryman, waarin de president was te zien naast een gevangen genomen berenwelpje. Het was een satirische verwijzing naar een jachtpartij waarbij Roosevelt had geweigerd een jonge beer af te schieten.

De 'Elefantle’ die naaister Margarete Steiff in 1880 maakte, was eigenlijk bedoeld als speldenkussen. Toen ze hoorde dat haar ontwerp als speelgoed werd gebruikt, ontwierp ze nog meer dieren, onder meer een beer in 1902. De beer werd omschreven als ‘plusch beweglich’ (pluche en beweeglijk).

Foto van Steiff

De cartoon bracht de uitvinder Morris Michtom op het idee om het prototype van zijn speelgoedbeertje ‘Teddy’s Bear’ te noemen. Het toeval wilde dat Steiff rond dezelfde tijd ook beertjes ging maken, waarna beide speelgoedberen enorm populair werden en de uitdrukking ‘teddybeer’ meteen ingeburgerd raakte.

Op deze cartoon uit The Washington Post uit 1902 wordt de spot gedreven met de weigering van Theodore ‘Teddy’ Roosevelt om een beer dood te schieten. Dat leidde ertoe dat uitvinder Morris Mitchtom ‘Teddy's Bear’ (de beer van Teddy) bedacht. Op hetzelfde moment ontwikkelde Steiff aan de andere kant van de Atlantische Oceaan een lijn van knuffeldieren, waaronder beren. De twee bedrijven stonden daarmee aan de wieg van de vraag naar de ‘teddybeer’ die al snel de hele wereld in zijn greep kreeg.

Foto van World History Archive / Alamy

Er volgden nog meer knuffelbeesten en het was de in het Lake District wonende schrijfster van de Peter Rabbit-serie, Beatrix Potter die als eerste een patent op zo’n speelgoedbeest verkreeg, in 1903. Na de Eerste Wereldoorlog ontstond tijdens de Grote Depressie in de VS de rage van het zelfgemaakte ‘sokbeest’, vaak in de gedaante van een aap.

De eerste ‘pluche’ versie van Mickey Mouse, zoals deze uit de jaren 20, werd als speelgoed bedacht door naaister Charlotte Clark uit Los Angeles. Zij maakte zoveel indruk op Walt Disney dat, toen de vraag te groot werd, het naaipatroon werd verkocht zodat mensen de pop zelf konden maken. Dat zijn nu vaak verzamelobjecten of erfstukken. In de kerstvideo van dit jaar van Disney komt een vintage-lijkende versie van Mickey voor.

Foto van Phil Rees / Alamy

Vervolgens zou de opkomst van de film een grote rol spelen in de wereld van de speelgoedpop. Nadat het figuurtje Mickey Mouse voor het eerst in de tekenfilm Steamboat Willie op het witte doek was verschenen, creëerde handwerkster Charlotte Clark uit Los Angeles – op basis van enkele geslaagde schetsen van haar neefje – in 1930 de eerste Mickey Mouse-poppen, onder licentie van The Walt Disney Company. (The Walt Disney Company heeft nu een meerderheidsbelang in National Geographic Partners.)

Walt Disney zelf was naar verluidt dol op de poppen van Clark, die in het begin aan werknemers van de studio werden uitgedeeld. Maar de vraag nam sterk toe en al gauw maakte Disney (die niet van Clarks originele ontwerp wilde afwijken) het naaipatroon van de speelgoedbeesten openbaar. Iedereen die het wilde, kon nu zijn of haar eigen Mickey-pop maken. In 1934 nam de Knickerbocker Toy Company de productie over en begon onder Clarks leiding op grote schaal Mickey- en Minnie-poppen te produceren – en tot op de dag van vandaag zijn de speelgoedmuizen een Amerikaanse klassieker.

Dankzij vooruitgang op het gebied van materiaalveiligheid en ontwerp zijn speelgoed- of knuffelbeesten een vertrouwde must in de kinderkamer geworden en worden vaak tot op vergevorderde leeftijd aanbeden.

Creatief speelgoed

De principes van de Duitse pedagoog Friedrich Fröbel was de inspiratie voor een holistische benadering van het ‘hele kind’, waarin het spelen (en het knutselen – het naar deze pedagoog genoemde ‘fröbelen’) een belangrijke rol innam. Later bedacht Fröbel de term ‘Kindergarten’, de term waarmee ook in het Engels de kleuterschool wordt aangeduid. Een van de eerste kleuterscholen opende in 1840 zijn deuren in Fröbels woonplaats Bad Blankenburg. De kinderen werden aangespoord om met papier en kralen te knutselen, en Fröbel creëerde ook een serie ‘geschenken’ als ‘opvoedkundig gereedschap’: eenvoudige geometrische blokken van hout waarmee kinderen spelenderwijs bouwwerkjes konden maken. 

Het idee voor de loopveer slinky ontstond toen een maritieme bouwkundige een veer van een plank stootte en vervolgens zag dat het ding ‘wegliep’ en rechtop stil bleef staan.

Foto van MattHrusc, via Pixabay

Begin twintigste eeuw kwam er steeds meer speelgoed op de markt dat kinderen moest inspireren tot het creëren van bouwsels die op voorbeelden uit de wereld van de volwassen waren gebaseerd. De man die later de Dinky Toys en ook een lijn van speelgoedtreinen zou introduceren, uitvinder Frank Hornby uit Lancashire, bedacht in 1900 het spel Meccano. In dat jaar kwam ook het eerste commerciële product van plasticine op de markt, een synthetische boetseerklei die drie jaar eerder was uitgevonden door de Britse kunstenaar William Harbutt als materiaal voor ‘vrije expressie’.

Latere ontwikkelingen op de speelgoedmarkt berustten meer op de kunsten dan de natuurkunde. De Slinky uit 1945 werd ontwikkeld nadat Richard James, een scheepsbouwkundige uit Philadelphia, een grote veer van een plank stootte en zag hoe het ding sierlijk op de vloer ‘stapte’ en daar weer tot rust kwam. Maar het rare stuk speelgoed, dat wordt gemaakt door een 24 meter lang stuk ijzerdraad in 98 spiralen te wikkelen, bleek een enorm succes: geschat wordt dat je met de driehonderd miljoen Slinky’s die tot nu toe door het bedrijf zijn verkocht, de evenaar van de aarde 121-maal kunt omspannen.

De eerste LEGO-versies waren verkrijgbaar in kleine stenen, maar ook grotere stenen voor kleine kinderen. Het kind op de foto op de verpakking is Kjeld Kristiansen, de kleinzoon van de oprichter. Later zou hij directeur worden van het bedrijf. 

Foto van LEGO

Ook in Europa was een niet minder iconisch stuk speelgoed meteen succesvol. In 1932, tijdens de Grote Depressie van het Interbellum, begon het timmerbedrijfje van de Deense ondernemer Ole Kirk Christiansen, dat door de crisis zwaar was getroffen, met de productie van eenvoudige speeltjes van berkenhout. Toen het speelgoed winstgevend bleek te zijn, breidde Christiansens bedrijfje zijn activiteiten uit en bestelde in 1947 de allereerste spuitgietmachine voor het vervaardigen van plastic voorwerpen. In 1949 begon het bedrijf met de productie van een bouwspel met de naam ‘automatisch verbindende baksteen’ dat inmiddels een pakkende naam had gekregen: een samenstelling van de Deense woorden ‘leg’ en ‘godt’, oftewel ‘speel’ en ‘goed’ – LEGO.

Meerdere markten

Met de opkomst van de film en tv kwam een ander soort speelgoed in de schijnwerpers te staan: merchandise. Maar het idee van merchandising was al enige tijd eerder geboren. “Eind negentiende zorgden de Brownies-poppen voor de introductie van speelgoed onder licentie, een businessmodel dat nog altijd groeit,” zegt Christopher Bensch van het Strong Museum.

De Brownies waren geïnspireerd op de ondeugende, elfachtige wezens uit de Schotse folklore die in de boeken van de Canadese schrijver Palmer Cox tot leven kwamen, maar daarna doken ze ook op als poppen en in puzzels en spelletjes.

De Brownies zijn een van de eerste voorbeelden van auteursrechtelijk beschermde merchandise. Deze door Palmer Cox bedachte wezens waren voor het eerst te zien in prentenboeken, maar hun naam en ontwerp werden later ook gebruikt voor spelletjes, puzzels, een camera en merchandise zoals deze houten, bedrukte kegels, die werden gemaakt door de McLoughlin Bros. Dergelijke items zijn zeer populair onder verzamelaars: voor deze set werd op een Amerikaanse veiling in 2018 bijna duizend euro betaald.   

Foto van Pook & Pook Inc., Auctioneers and Appraisers

“Als men destijds televisie zou hebben gehad, zouden er tekenfilmseries met de Brownies zijn gemaakt om deze figuren in al hun vormen te gelde te kunnen maken,” zegt Bensch. De Brownies werden overigens wél in verband gebracht met een camera, want ze verschenen op de verpakking van het ‘Brownie’-fototoestel, volgens Bensch “het goedkoopste en eenvoudigste model van Eastman Kodak, dat zelfs door een kind kon worden gebruikt.” De illustratie op de doos toonde onmiskenbaar de Brownies van Cox, maar de bronnen geven geen antwoord op de vraag of Cox door Kodak is betaald. 

Het concept van de merchandise nam pas echt een hoge vlucht in de jaren zeventig, toen de Mego Corporation of New York figuren van superhelden uit de stripboeken van DC en Marvel begon te produceren, met een lengte van twintig centimeter. In 1974 breidde het bedrijf zijn aanbod uit met merchandise van het witte doek, zoals figuren uit Planet of the ApesStar Trek en The Wizard of Oz

Een origineel ‘R2D2’-Star Wars-poppetje van Kenner uit 1977, nog in de originele doos. 

Foto van Chris Willson / Alamy

In 1976 begon Mego kleinere figuurtjes van negenenhalve centimeter te produceren. Deze ‘micronauts’ zouden een groot succes worden. Het verhaal gaat dat niemand van Mego op het kantoor was toen een jonge werknemer van 20th Century Fox met wat stillfoto’s en productieschetsen langs de speelgoedfabrikanten ging om merchandise-rechten te bespreken. Omdat hij bij Mego niemand aantrof, ging hij naar het kantoor van Kenner, een bedrijf dat speelgoedovens (‘Easy-Bake’) en het tekenspel Spirograph produceerde. De Fox-medewerker toonde Kenner figuren uit een nog niet uitgebrachte sciencefictionfilm die volgens ingewijden in de filmwereld een kostbare flop zou worden. De titel van de film was The Star Wars.

George Lucas was zo overtuigd van zijn filmfranchise-idee en zijn visie van kinderen die speelden met de speelgoedversies van zijn creaties, dat hij 500.000 dollar van zijn regisseurssalaris inleverde om de merchandise-rechten te kunnen behouden. Daarmee sloot hij een productie-overeenkomst met Kenner. En toch kon zelfs hij het enorme succes van het speelgoed niet voorzien. In 1978 en 1979 boekte Kenner een omzet van honderd miljoen dollar met de negenenhalve centimeter Star Wars-figuren. De rechten werden in 1991 overgenomen door Hasbro en uit de cijfers blijkt dat tot en met 2007 alleen al het Star Wars-speelgoed 9 miljard dollar aan winst opleverde. Tegelijkertijd werd ook een nieuwe standaard gezet voor de creatie van merchandise. 

Dit artikel werd oorspronkelijk in het Engels gepubliceerd op NationalGeographic.com

Lees meer

Dit vindt u misschien ook interessant

Family
Lichtelijk overspannen? Geef je kids het heft in handen.
Family
Gaat het wel goed met de kinderen? Zo kun je hun mentale gezondheid checken.
Family
Ga met je kinderen op safari in de achtertuin
Family
‘Met het hoofd in de wolken’ is goed voor kinderen
Family
Voorzie je een coronavirus-zomerdip? Boost het brein van je kinderen in de natuur.

Ontdek Nat Geo

  • Dieren
  • Milieu
  • Geschiedenis en Cultuur
  • Wetenschap
  • Reizen
  • Fotografie
  • Ruimte
  • Video

Over ons

Abonnement

  • Abonneren
  • Schrijf je in
  • Shop
  • Disney+

Volg ons

  • Gebruiksvoorwaarden
  • Privacyverklaring
  • Cookiebeleid
Copyright © 1996-2015 National Geographic Society. Copyright © 2015-2017 National Geographic Partners, LLC. Alle rechten voorbehouden.