Finland

De magie van winters Lapland

Sledehonden, arctische landschappen en een bezoekje aan het dorp van de Kerstman. Traveler reisde naar Fins Lapland voor een winters avontuur. donderdag, 9 november

Door Paul Römer

Wraah!

De husky’s rennen voor me uit, links en rechts schieten besneeuwde bomen aan ons voorbij. Ik sta op een slede, mijn gezicht beschermd tegen de ijzige kou door bivakmuts en skibril, en schreeuw het uit van geluk. De zes honden en ik, wij vormen het enige leven in dit witte landschap van Fins Lapland.

Althans, zo voelt het. Wat een decor. En wat een kracht etaleren deze dieren. Als ik ze aanmoedig, schieten ze ervandoor en moet ik me goed vasthouden om te voorkomen dat ik achterover val. Glijden we heuvelopwaarts, dan kijken de honden veelbetekenend om: ‘Doe jij ook nog wat?’ Het is een teamprestatie, leer ik later. Ze rekenen erop dat je meestept. 

Ik heb best veel gezien en gedaan, op diverse plekken in de wereld. Maar deze tocht behoort zeker tot mijn meest memorabele ervaringen. Dit is vast de manier waarop de bewoners van dit gebied zich ’s winters al duizenden jaren verplaatsen, maak ik mezelf wijs, maar Mikael Backman, een stoere kerel die ons begeleidt, vertelt me hoe misplaatst dat idee is. ‘Sledehonden komen van oorsprong helemaal niet uit Finland,’ zegt hij terwijl hij worst en koffie bereidt op een vuurtje in een kota, een traditionele Finse tipi, ‘maar uit Siberië en later Alaska. Pas in de jaren vijftig werden ze hier geïntroduceerd. Inmiddels maken ze wel deel uit van onze cultuur.’ Eenmaal opgewarmd stappen we op onze slede en racen we terug naar ons startpunt. Wraaah! Wraaah!

Weken voor vertrek vertelde ik vrienden en collega’s dat ik in de winter Fins Lapland zou bezoeken, en hun reactie was opmerkelijk eensgezind: ‘O, dat staat ook hoog op mijn wenslijstje.’ Klaarblijkelijk heeft Lapland een grote aantrekkingskracht, het spreekt tot ieders verbeelding. Maar waarin schuilt die magie? Waarom willen we er zo graag heen? Is het de sneeuw? Het noorderlicht? Zijn het de Samen, het laatste oervolk van Europa? Het idee dat je de poolcirkel bent gepasseerd? Op zoek naar antwoorden reisde ik in januari, samen met fotograaf Menno Boermans, naar het koude Noorden. Ik wilde graag zelf ontdekken waarom winters Lapland zo onweerstaanbaar is. 

Het is een vreemde gewaarwording. Drie uur vliegen, en je bevindt je midden in de wildernis van Lapland. Afgelegen en verlaten. Alsof je naar een andere wereld bent gekatapulteerd. Lag ik vanochtend vroeg nog in mijn warme bed in het Gooi, nu sta ik bij -17 graden buiten de bescheiden luchthaven van Rovaniemi, ook wel de ‘Official Airport of Santa Claus’ genoemd. Want ja, vijf minuten rijden hiervandaan, net boven de poolcirkel, ligt het dorp van de enige echte Kerstman.

Wanneer we in de auto stappen en richting nationaal park Pyhä-Luosto rijden, een gebied van ruim 140 vierkante kilometer in het centrum van Fins Lapland, is de arctische schoonheid al meteen overweldigend. De sneeuw ligt hier dankzij de aanhoudende kou soms een meter dik op de boomtakken, het landschap lijkt bezaaid met allerlei originele beeldhouwwerken. Wit-grijze creaties van de natuur. Zodra we ergens uitstappen, word ik bevangen door een imposante stilte – en natuurlijk de strenge vorst.

In de winter, zeg van november tot april, reikt het kwik hier overdag niet hoger dan 12 graden onder nul, bij nacht kan het 30 graden vriezen. Tegen het einde van het jaar zorgt de zon misschien drie tot vier uurtjes per etmaal voor daglicht. Als wij er zijn, is het alleen tussen 10 uur in de ochtend en 3 uur in de middag niet donker. Maar omdat het ook nog eens vrij bewolkt is, zijn zelfs die uurtjes schemerig – alsof de natuur op een laag voltage werkt. Overdag oogt de omgeving daardoor mysterieus en monochroon, alles lijkt zwart-wit. En die stilte, tja. Met slechts 180.000 inwoners (twee per vierkante kilometer) is Fins Lapland best leeg. 

Lapland is, zoals bekend, geen land met erkende grenzen, maar de aanduiding van een gebied dat de noordelijkste provincies van Noorwegen, Zweden, Finland en zelfs een deel van Rusland beslaat – bij elkaar is het ongeveer 11 keer zo groot als Nederland. Waar Noors Lapland wordt gekenmerkt door hoge bergen en diepe fjorden, bestaat het Finse deel vooral uit vlak landschap met naaldbossen, rivieren, moerassen en meren. Hier en daar steekt er een berg van enkele honderden meters bovenuit, zoals ook het geval is in Pyhä-Luosto. Dat bij Lapland toch vaak aan Finland wordt gedacht, heeft te maken met de naam van de noordelijkste Finse provincie, Lappi. Het is het land van de rendieren en wordt van oorsprong bevolkt door de Samen, of Sami. Er leven nu tussen 8000 en 10.000 Samen in Finland, dat in totaal 5,2 miljoen zielen telt.

Doel van onze autorit is Ukonhattu, een oud houthakkersverblijf in het dorpje Pyhä (‘heilig’) dat door het Nederlandse stel René Kohler en Gerda Swartsenburg uit Zaandam is omgetoverd tot een comfortabele lodge voor maximaal 16 gasten. De lodge, gelegen nabij het nationaal park aan het Pyhäjärvimeer, dat in deze tijd van het jaar één grote bevroren en ondergesneeuwde vlakte is, wordt gerund als een full service lodge, waarbij René en Gerda zelf het verblijf verzorgen en de diverse activiteiten begeleiden. Het tweetal zit hier nu een paar jaar, de locals noemen hen inmiddels Reino en Kerttu. Volgens René onderscheidt het aanbod van hun reisorganisatie Scandinavian Wintersports zich op twee punten: ‘Omdat we de hele dag met onze gasten optrekken, ontstaat een heel persoonlijke band. En ons programma is uniek. We richten ons hoofdzakelijk op de actieve winterbeleving.’ Denk dan aan skiën, snowboarden, sledehonden- en sneeuwscootertochten, sneeuwschoenwandelen, langlaufen en ijsklimmen. ‘Weet je,’ besluit René, ‘Lapland is een once in a lifetime reisbestemming. Wij hopen bij te dragen aan een onvergetelijke ervaring.’

Deze benadering, die focus op wintersport, past naadloos in de levensstijl van de Finnen. Hun leven is verweven met outdoor travel, met actieve natuurbeleving. Een gebruikelijke vraag luidt: hoeveel heb jij dit jaar gelanglauft? Een afstand van in totaal 500 tot 600 kilometer is geen uitzondering. Als man heb je een probleem wanneer je al langlaufend wordt ingehaald door een vrouw, dan heb je wat uit te leggen.

Elke dag in de week die volgt is een avontuur. Ik geniet intens van een middag skiën op Pyhätunturi. Op zeker moment sta ik zeker vijf minuten lang in de ijzige wind volkomen alleen op de piste. Ik zie niemand voor me, de berg achter me is eveneens verlaten. Ik ben de enige! Dat is in Oostenrijk, Frankrijk of Zwitserland ondenkbaar. Tijdens een sneeuwscootertocht door de bossen voel ik me als een kleine jongen die voor het eerst met zijn nieuwe dinky toy mag spelen. En als ik door een kloof een sneeuwschoenwandeling maak, zien we twee rendieren op een steile helling zich uit de weg maken. Maar de natuur, realiseer ik me, geeft niet alles prijs. De inwoners kunnen me méér vertellen.

Op een dag zitten Menno en ik in een kota met in het midden een groot houtvuur. We luisteren aandachtig naar Anssi Kiiskinen, rendierhouder en eigenaar van zo’n 200 tot 300 rendieren, hier poro genoemd. Het precieze aantal kan hij niet geven, ze lopen ergens rond in het bos. ‘Dat zorgt voor beter vlees,’ verklaart hij. De tent staat op zijn terrein. Kiiskinen schenkt ons koffie in, zelf drinkt hij het uit een kuksa, een houten mok die iedere Fin bij zich heeft en na inwijding met cognac nooit meer afwast. Nog voor ik een vraag kan stellen, begint hij te vertellen.

‘Mijn familie houdt al twee eeuwen lang rendieren. Vroeger alleen voor het vlees, de huid, de melk. Tegenwoordig blijft deze traditie mede bestaan dankzij het toerisme. Bezoekers kunnen op mijn farm een safari maken, en zelf leren koken met rendiervlees. Dat is prima, het is goed dat deze informatie wordt gedeeld. 

‘In de natuur begint het nieuwe jaar op 1 juni. 1 januari, dat is een verzinsel van de mens. In de winter slaapt alles nog. In mei is er soms nog sneeuw, maar in juni wordt de natuur goed wakker, dus wij ook. De natuur bepaalt hier het ritme van het leven. 

‘Elke zomer worden er zo’n 120.000 kalveren geboren. Goede vrouwtjes krijgen in hun hele leven soms wel tien jongen. Na vijf minuten kan een jong lopen, na één dag kan het sneller rennen dan een mens. Dat is ook nodig, want er dreigt in het bos voortdurend gevaar: bruine beer, wolf, lynx, vos, veelvraat. 

‘In de zomer drijven alle rendierhouders gezamenlijk de dieren bijeen om ze te oormerken. We hebben meestal twee weken nodig om ze allemaal te vinden, per dag lopen we vier uur. Met een mes snijden we dan ons persoonlijke teken in de rand van het oor. Tegen het einde van september wegen de jongen al vijftig kilo. ’s Winters voeden ze zich met naava, een soort mos op de bomen. Maar omdat de houtindustrie de bossen uitdunt, moeten we tegenwoordig zelf bijvoeren. De dieren hangen dan vaak rond op dit terrein. 

‘Finland telt jaarlijks niet meer dan 200.000 rendieren, een aantal dat wettelijk is vastgesteld. Lapland is een grensoverschrijdend gebied en heeft dus te maken met meerdere nationale wetten. Maar de wetten met betrekking tot rendieren gelden overal. Iedere eigenaar brengt daarom verplicht een percentage van zijn rendieren naar de vleesproductie. In totaal zijn dat zo’n 75.000 exemplaren. Het gaat meestal om jonge mannetjes. 5 procent van alle dieren is mannelijk, dat is voldoende voor een gezonde populatie. 

‘Wie een paar decennia geleden eigenaar was van honderd rendieren, was een rijk man. Vandaag de dag is het meer een levensstijl. Het is fysiek zwaar werk, maar ik ken geen stress. Ik hou ervan buiten te zijn, in de natuur, met de dieren. Het bezorgt me vrijheid, in de bossen kan niemand mij vertellen wat ik moet doen. 

‘Weet je,’ besluit hij, ‘dit is het land van de rendieren. Zonder rendieren is er geen Lapland.’ 

We worden uitgenodigd voor een etentje bij Elina Haapala en Junnu Korpela. Dit stel – zij is serveerster, hij werkt als manager in een skishop – heeft een jaar eerder een verlaten schoolgebouw opgekocht en al voor een deel omgebouwd tot een woning. Kinderen Luke (8) en Lily (5) slapen ieder in de helft van een oud klaslokaal, op de bovenverdieping hangen nog schoolborden en topografische kaarten aan de muren. ‘Het is een langetermijnproject,’ zegt Junnu droogjes.

Op het menu staat rendiervlees, dat wordt bereid door niemand minder dan Anssi, de rendierhouder, die een paar honderd meter verderop blijkt te wonen. Terwijl in de keuken (voorheen lerarenkamer) een kat toekijkt hoe Anssi bieflapjes uit zijn eigen kudde snijdt en marineert, ontdekt de fotograaf in de warme woonkamer twee zwartwitfoto’s van Junnu, uitgedost als een oorspronkelijke bewoner van Amerika. ‘In een vorig leven was ik indiaan,’ vertelt Junnu, een boom van een kerel met lang haar en een baard, bloedserieus. ‘Sinds mijn reïncarnatie leef ik voort als Fin. Ik ben zielsgelukkig met Elina, maar in Amerika voel ik me thuis.’ Hij kijkt ons aan, tranen springen in zijn ogen. ‘Dáár liggen mijn wortels.’

Ik weet niet goed wat ik aan moet met deze openhartigheid, zo vroeg op de avond. Gelukkig roept Anssi iedereen aan tafel, het eten wordt geserveerd. Voor het eerst in mijn leven proef ik vlees van een rendier. Het is zo mals, het is heerlijk – al hangt de smaak sterk af van de kok, meent Elina. We praten tussen de gangen door over gewone dingen, over het dagelijks leven. Hoe kun je, als gezin met twee werkende ouders, de kinderopvang betalen? Wie haalt de kinderen op als zowel vader als moeder moeten overwerken? Zelfs sää, het weer, is een gespreksonderwerp. ‘We zien altijd uit naar de zomer,’ zegt Elina. ‘Ook ik raak niet gewend aan deze aanhoudende duisternis en kou. Ik wil buiten zijn. Ik wil de deur uitgaan als ik dat wil, niet pas nadat ik enkele lagen kleding heb aangetrokken. Maar de zomer heeft ook nadelen, hoor. Het blijft natuurlijk langer licht. Soms sta ik om middernacht nog wel eens te stofzuigen, dan ben ik volledig de tijd kwijt, terwijl ik de volgende ochtend weer om 7 uur moet opstaan.’

Elina serveert ons na de hoofdmaaltijd een zelfgebakken bosbessentaart met vanillesaus, Junnu schenkt er een pontikka bij, een populaire, thuisgestookte likeur die smaakt naar wodka. Als we proosten, moet ik glimlachen om een bekend vooroordeel. Er wordt wel beweerd dat Finnen een koel en afstandelijk volk zijn. Niets van gemerkt. Elina en Junnu zijn warm, hartelijk en nieuwsgierig, verwelkomen ons als vrienden en schromen niet persoonlijke besognes te delen. Het is een bijzondere avond. ‘Hyvää yötä,’ zegt Elina als buiten de kou ons weer goed wakker schudt. ‘Goedenacht.’

Op een namiddag rijden we naar Pyhätunturi. Halverwege deze skiberg bevindt zich een door mensen aangelegde waterval, die in deze tijd van het jaar natuurlijk bevroren is. Drie gidsen van Bliss Adventure – Jaakko Halla, Artturi Kröger en Mikael Backman (van de sledehonden) – staan ons op te wachten. Ik schud hen de handen maar kan eerlijk gezegd mijn ogen niet afhouden van dit feeërieke decor. Het sneeuwt zacht, we worden omringd door witte bomen, grote lampen zorgen voor een oranje gloed over de ijswaterval aan de voet waarvan kok Marjo Haatainen op een groot houtvuur hyvoä ruoleahalva bereidt – rendiersoep, een typisch Laps gerecht. Dit openluchtrestaurant wordt wel Tajukangas genoemd. Het is intussen -25 graden.

Na een korte beklimming van de ijsmuur, onder leiding van Artturi, genieten we van de warme soep. Ik ontmoet er ook Ursula Länsman, een beroemde zangeres in Finland die met haar zus Tuuni de band Angelit vormt en die meerdere albums op haar naam heeft staan. Ursula is een Samen, en ze is uit het hoge Noorden gekomen om ons te ontmoeten en te vertellen over haar volk. Zijn veel Samen blond en enigszins bleek, Ursula heeft juist donker haar en een getinte huid.

‘Veertig jaar geleden leidden de Samen nog een traditioneel leven,’ vertelt ze. ‘Het was een moeilijk bestaan, onder zware omstandigheden. Maar de kou heeft ons ook sterk gemaakt. Mijn vader maakt deel uit van de rendier-Samen, een krachtig en trots volk, maar mijn moeder is een paard-Samen. Ze werd aan hem uitgehuwelijkt en baarde vier dochters, onder wie ik. Geen enkele zoon dus, daar schaamde mijn vader zich diep voor. Het was 25 jaar geleden voor hem uiteindelijk reden om te scheiden en zijn gezin te verlaten.’ Zelf heeft Ursula een verhouding met Antti, een Fin, met wie ze muziek maakt en die nu naast haar zit. ‘Het is maar goed dat mijn vader niet weet dat ik omga met een niet-Samen,’ lacht ze.

‘Voor mijn werk breng ik veel tijd in Helsinki door, en zelfs in het buitenland,’ gaat ze verder. ‘Maar in het noorden van Finland, in het land van de Samen, daar hoor ik thuis. Ik hou van de winter, van de duisternis, de sneeuw, de kou. Het is wie wij zijn, het is wie ik ben.’ Hoewel ze met haar zus moderne wereldmuziek maakt, ligt haar hart bij joik, het ritmisch uitstoten van geluid dat volgens Ursula alleen wordt beheerst door aboriginals, zoals die in Australië, de indianen van Noord-Amerika en ook de Samen. ‘Al deze First Nations People beschikken over de spieren in hun keel die nodig zijn voor deze vorm van zingen,’ vertelt ze. Ze pakt een kannus, een handtrom gemaakt van hout en rendierenhuid, en slaat er langzaam met een slagstok op. Antti, haar vriend, drumt met zijn vingers mee op een trommel. Ursula sluit haar ogen en begint te ‘joiken’. Ik kijk haar door het vuur aan en zie hoe dit etnische gezang haar raakt. Haar natuurstem, het oergeluid dat ze voortbrengt, doet me even vergeten dat ik buiten ben, in de sneeuw, onder een bevroren waterval, bij een extreem lage temperatuur. Een sprookje.

Op een van de laatste dagen in Lapland beleef ik de ultieme wekroep. Na een uurtje langlaufen zit ik in de sauna van Ukonhattu, aan het meer. De sauna is een Fins fenomeen, komt er oorspronkelijk vandaan. Het land telt drie miljoen sauna’s. Het is een sociale belevenis, vertelt René Kohler. ‘Ga je voor een etentje langs bij vrienden, dan duik je eerst met z’n allen de sauna in.’

Terwijl mijn lichaam opwarmt, besef ik tot mijn spijt dat een sauna niets voor mij is. Ik zou er graag van willen genieten, het ziet er altijd zo ontspannen uit, maar de hitte vind ik gewoonweg onplezierig, haast ondraaglijk. Misschien ben ik er te ongeduldig voor. Dan, met een bezweet lijf, waag ik het. Ik verlaat de sauna en loop op blote voeten door de sneeuw naar het meer, waar in het ijs door René en Gerda een groot wak is uitgehakt. Via een trapje daal ik af in het water dat onmiddellijk verandert in duizenden naalden die genadeloos in mijn armen en benen prikken. Ik schreeuw het uit van de pijn. Of is het van genot? Langer dan tien tellen houd ik het niet vol. Ik klim er snel uit. Avantouinti, heet dit. Een ervaring, merk ik een dag later, die bij de Finnen respect afdwingt.

Ik loop terug naar de sauna maar blijf daar buiten staan. Naakt, met alleen een warme muts over mijn oren. Het vriest zeker 10 graden, maar de kou deert me geenszins. Ik kijk om me heen, naar de besneeuwde bomen, de verlichte skiberg in de verte, de witte vlakte voor me. Ik denk aan de sledehondentocht, de rendieren, de warme sfeer in het huis van Elina en Junnu, Ursula’s stem... Mijn lichaam tintelt. En opeens daalt er een zalige rust op mij neer. Ik voel me als herboren. 

Dit alles, realiseer ik me, is de magie van winters Lapland.

Ook op reis naar Fins Lapland? Laat je inspireren door de tips en praktische reisinformatie in de reiswijzer bij dit verhaal.