Tussen 1968 en 1970 werden in het zuiden van Duitsland enkele minuscuul kleine botfragmenten gevonden. Ze verdwenen in een museumarchief en bleven jarenlang onopgemerkt. Pas decennia later, in de jaren negentig, keken wetenschappers er opnieuw naar – en deden ze een opmerkelijke ontdekking.

De botten, waaronder delen van een dijbeen, kuitbeen, schedel en ribben, waren slechts enkele centimeters groot en nog niet volledig ontwikkeld. In 2006 werd duidelijk van wie ze waren: het waren de resten van een ongeboren neanderthaler, die zo’n 55.000 jaar geleden op het punt stond geboren te worden.

‘Skeletresten van zulke jonge Neanderthalers zijn uiterst zeldzaam,’ zegt archeoloog Alvise Barbieri, National Geographic Explorer en als archeoloog verbonden aan de Universiteit van Algarve in Portugal.

Oud DNA uit een ongeboren kind

Recent onderzocht Barbieri samen met collega’s opnieuw het DNA van deze foetus. Ze richtten zich op mitochondriaal DNA, dat via de moeder wordt doorgegeven en vaak beter bewaard blijft in oude resten.

Het isoleren van DNA uit zo oud materiaal is al een uitdaging, maar bij een foetus nog lastiger. Tanden, vaak de beste bron van oud DNA, ontbreken immers. Slechts een klein deel van het botmateriaal bleek bruikbaar.

Toch leverde de analyse een belangrijke aanwijzing op: de foetus behoorde niet tot de laatste neanderthalers in Europa, maar tot een genetisch oudere tak. De resultaten werden deze week gepubliceerd in het vakblad Proceedings of the National Academy of Sciences.

Een dalende bevolking neanderthalers

De vondst wijst erop dat neanderthalers ongeveer 65.000 jaar geleden een sterke afname in hun populatie doormaakten. Daarbij ging een groot deel van hun genetische diversiteit verloren. Wetenschappers vermoedden al langer dat zo’n gebeurtenis had plaatsgevonden, maar de nieuwe onderzoek helpt voor het eerst het moment nauwkeuriger te bepalen.

Wil je niets missen van onze verhalen? Volg National Geographic op Google Discover en zie onze verhalen vaker terug in je Google-feed!

Tijdens de laatste ijstijd trokken neanderthalers vermoedelijk naar relatief warmere gebieden, zoals het zuidwesten van Frankrijk. Toen het klimaat later veranderde en de populatie zich weer over Europa verspreidde, bleken de groepen genetisch opvallend homogeen.

De laatste Neanderthalers

Tussen 45.000 en 42.000 jaar geleden kromp de neanderthalerpopulatie opnieuw, vlak voor hun uiteindelijke verdwijnen. Toch leefden ze niet volledig geïsoleerd: er vond ook vermenging plaats met Homo sapiens, sporen die vandaag nog zichtbaar zijn in ons DNA.

Volgens de onderzoekers speelden klimaatverandering en veranderende leefomstandigheden waarschijnlijk een belangrijke rol in hun uitsterven. Jachtgebieden veranderden, voedsel werd schaarser en populaties bleven klein en kwetsbaar.

Joshua Akey, geneticus aan Princeton University (VS) en niet betrokken bij het onderzoek, noemt vooral de lage genetische diversiteit opvallend. ‘Het wekt de indruk dat neanderthalers al onder druk stonden voordat ze verdwenen.’

Een klein fossiel, grote vragen

Volgens paleoantropoloog John Hawks van University of Wisconsin-Madison (VS) blijft het exacte moment van de populatieafname onderwerp van discussie. ‘Maar het algemene beeld klopt: latere neanderthalers stammen af van een relatief kleine populatie.’

Leestip: Waarom zijn we onze doden gaan begraven? Archeologen hebben een nieuwe theorie

Ook Chariklei Karageorgiou, geneticus aan de State University of New York at Buffalo (VS) die niet bij het onderzoek betrokken was, benadrukt het belang van dit soort vondsten. ‘Het feit dat de laatste neanderthalers zo weinig genetische variatie hadden, is van groot belang om hun ondergang te begrijpen.’

Meer DNA-onderzoek is nodig om het volledige verhaal te ontrafelen. Maar één ding is duidelijk: zelfs een handvol botfragmenten kan een nieuw licht werpen op een verdwenen mensensoort.

Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!