Op de avond van 18 augustus 1955 veranderde een gewone werkdag in de Limburgse staatsmijn Willem-Sophia plotseling in een nachtmerrie. Door de instorting van een steengang kwamen drie mijnwerkers vast te zitten op 217 meter diepte. Met hulp van Duitse boorspecialisten werd een reddingsplan opgesteld, maar de operatie kostte vier dagen onafgebroken werk.

Instorting op 217 meter diepte

Rond 21.00 uur kwam vanuit de mijn het alarmerende bericht dat een steengang bij schacht II was ingestort. Achter de puinmassa zaten mijnwerkers Willem Bertram, Hub Bertram en Piet Schoormans ingesloten. De directie van de mijn sloeg onmiddellijk groot alarm. Binnen korte tijd waren ook vertegenwoordigers van het Staatstoezicht op de Mijnen aanwezig om de reddingsactie te coördineren.

Al snel bleek hoe ernstig de situatie was. De ingestorte steengang blokkeerde de enige doorgang naar de drie mijnwerkers. Tegelijkertijd was er ook een meevaller: een persluchtleiding was tijdens de instorting intact gebleven.

Contact met de ingesloten mijnwerkers

Via de open persluchtleiding konden de reddingswerkers contact leggen met de drie mannen. Ze konden op die manier met elkaar praten, maar hadden zo ook toegang tot eten en drinken, dat via zelfgemaakte kokers door de leiding heen en weer werd geschoven.

Door middel van een telefoonverbinding konden de ingesloten mijnwerkers zelfs met hun echtgenotes bellen. Ondanks de benarde situatie vertelden zij dat ze de moed erin hielden. Het Twentsch dagblad Tubantia schreef op 20 augustus dat de mijnwerkers de tijd doorkwamen door samen te kaarten bij het licht van een zaklantaarn.

Terwijl de drie mannen onder de grond wachtten, werkten bovengronds en ondergronds tientallen mijnwerkers onafgebroken aan hun redding. Een ploeg begon een nieuwe steengang om de instorting heen te graven, maar al snel werd besloten ook een tweede reddingsmethode in te zetten.

Een reddingsplan uit Duitsland

Enkele jaren eerder was een Duitse mijnwerkersploeg met succes bevrijd door een brede tunnel naar de ingesloten mannen te boren. De leiding van de Willem-Sophia besloot dezelfde techniek toe te passen en nam contact op met de Duitse fabrikant van de speciale boormachine.

Ondertussen berekenden de mijnmeters nauwkeurig waar het boorgat moest uitkomen. De ingesloten mijnwerkers gaven het merkteken door dat op een stalen steun was aangebracht, zodat hun positie op de mijnkaarten exact kon worden bepaald. Nog diezelfde nacht vertrok de boormachine vanuit Duitsland richting Limburg.

Men begon op een diepte van 240 meter met boren. Het eerste gat, met een doorsnede van slechts 14 centimeter, bereikte na ruim 36 meter precies de plaats waar de drie mijnwerkers zich bevonden. Daarna werd het boorgat stap voor stap vergroot tot uiteindelijk 61 centimeter.

‘Glück auf!’

Op maandag 22 augustus was het zover. Na vier dagen onder de grond kon Willem Bertram zich als eerste door de smalle tunnel naar beneden laten zakken. Terwijl hij halverwege de natte boorschacht hing, riep hij zijn twee collega's nog in het Limburgs toe: ‘Jonge, ich maach uch al der tönnel drueg’, oftewel, ‘Jongens, ik droog de tunnel alvast voor jullie.’

Beneden werd hij opgevangen door de reddingsploeg en begroette hij de directeur met de traditionele mijnwerkersgroet: ‘Glück Auf!’ Enkele minuten later volgden Piet Schoormans en Hub Bertram. Om 16.28 uur waren alle drie de mijnwerkers bevrijd.

een journalist interviewt de geredde mijnwerkers
Pot, Harry / Anefo / Nationaal Archief
Na hun redding stond de pers klaar om de drie mijnwerkers te spreken.

De Arnhemsche courant beschrijft hoe de drie mijnwerkers, eenmaal bovengronds, onder oorverdovend applaus werden ontvangen. Een grote menigte nieuwsgierigen had zich inmiddels bij de mijn verzameld. Zelf waren de werkers, ondanks vier dagen geen daglicht te hebben gezien, positief gestemd over de reddingsoperatie; ze vonden dat deze verrassend snel was verlopen.

Een van de bekendste reddingsacties uit de Nederlandse mijnbouw

De succesvolle reddingsactie trok destijds veel aandacht, niet alleen in Nederland maar ook daarbuiten. Dat de drie mijnwerkers vier dagen onder de grond konden overleven, was grotendeels te danken aan de persluchtleiding, waardoor contact mogelijk bleef.

De hulp van Duitse collega’s bleek uiteindelijk doorslaggevend. De bevrijding van Willem, Hub en Piet geldt nog altijd als een van de bekendste reddingsoperaties uit de geschiedenis van de Nederlandse steenkolenmijnen.

Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!

Headshot of Jim Pouli
Jim Pouli
Editor

Jim is editor voor National Geographic. Hij studeerde sociale geografie, en specialiseerde zich in duurzaamheid en groene steden. Schrijven is zijn passie; hij ziet in elk verhaal – hoe klein ook – een kans om de wereld beter te begrijpen. In zijn vrije tijd bezoekt hij graag concerten en filmhuizen, of gaat hij hardlopen.