Voor de eerste kinderen in Nederland zit de zomervakantie er bijna op: komende week gaan in regio Noord de schooldeuren weer open. Rugzak mee, boeken op tafel en terug de klas in. Zo vanzelfsprekend was onderwijs lange tijd niet. De eerste scholen op het grondgebied van het huidige Nederland ontstonden waarschijnlijk in de Middeleeuwen en waren aanvankelijk voorbehouden aan een kleine groep jongens. Hoe zag een schooldag er duizend jaar geleden uit – en wat leerden kinderen er eigenlijk?
De eerste scholen in Nederland
De eerste scholen in het huidige Nederland ontstonden waarschijnlijk in de Middeleeuwen. Deze werden vermoedelijk opgezet naar het voorbeeld van Engelse kloosterscholen, waar een klein aantal jongens werd opgeleid tot monnik of priester. Uit Engeland trokken geestelijken, ook wel missionarissen genoemd, naar het vasteland van Europa om het christelijke geloof te verspreiden.
Dit gebeurde ook in de Lage Landen. Twee beroemde missionarissen, Willibrordus en Bonifatius, namen jongens in de leer die hen hielpen bij hun missiewerk. Rond 750 n.C. werd in Utrecht een van de vroegste scholen opgericht die in historische bronnen wordt genoemd: een kloosterschool, gesticht door Gregorius, een leerling van Bonifatius. Ook hier werden jongens opgeleid tot monnik of priester.
Karel de Grote wilde het onderwijs verbeteren
Karel de Grote regeerde van 768 tot 814 over het grote Frankische Rijk en stimuleerde onderwijs in kloosters en kerkelijke instellingen. Hij vond het belangrijk dat geestelijken goed konden lezen en schrijven en dat er scholen kwamen waar jongens onderwijs konden krijgen.
In 789 n.C. vaardigde hij de Admonitio generalis uit, een omvangrijke hervormingstekst waarin ook onderwijs aan bod kwam. Daarin staat: ‘Et ut scolae legentium puerorum fiant...’ Oftewel: ‘En dat er scholen zullen gesticht worden, waarin de kinderen lezen....’
Kloosters en bisschoppelijke centra werden aangespoord scholen in te richten waar onder meer lezen, psalmen, zang, rekenen en grammatica werden onderwezen. Van een algemene leerplicht voor alle jongens, zoals we die tegenwoordig kennen, was echter geen sprake.
Het is geen toeval dat Karel de Grote onderwijs belangrijk vond. Hij maakte binnen het feodale stelsel, ook wel leenstelsel genoemd, gebruik van monniken, priesters en edellieden die konden lezen en schrijven. Dit terwijl het overgrote deel van de bevolking destijds analfabeet was. Daarnaast stond de verspreiding van het christelijke geloof hoog op zijn agenda. Met deze aanpak wilde hij meer eenheid in zijn rijk tot stand brengen.
Van kloosterschool naar onderwijs voor burgers
Vanaf de elfde eeuw ontstaat door de opkomst van steden en de groei van handel en nijverheid een behoefte aan beter opgeleide burgers. Maar niet iedereen wilde monnik of priester worden.
De kloosterschool maakte het daarom mogelijk dat burgerjongens voortaan ook werden opgeleid voor functies in het plaatselijk bestuur of in de handel. Bij sommige klooster- en kapittelscholen ontstond een onderscheid tussen een binnenschool voor jongens die werden opgeleid tot monnik of priester en een buitenschool voor burgerjongens.
Van Latijn tot sterrenkunde: dit leerden leerlingen
Jongens konden op de kloosterschool verschillende niveaus van onderwijs volgen. In de onderbouw leerden ze lezen, schrijven en zingen. Ook het leren van de Latijnse taal was belangrijk, omdat dit de voertaal van het vervolgonderwijs was.
Wil je niets missen? Volg National Geographic op Google Discover en voeg National Geographic toe als voorkeursbron om onze verhalen vaker te zien in je Google-feed!
Na de onderbouw bestudeerden leerlingen de zeven vrije kunsten: het trivium (grammatica, retoriek en dialectiek) en het quadrivium (rekenkunde, meetkunde, sterrenkunde en muziektheorie). Hierna was het mogelijk om verder te studeren, bijvoorbeeld in theologie of rechten.
Koorzang was een van de belangrijkste vakken op de kloosterschool. Naast het lesprogramma namen leerlingen verplicht deel aan kerkdiensten en andere godsdienstige oefeningen. Ook rekenen werd belangrijk, aangezien burgerjongens dit nodig hadden voor de handel.
Uit het hoofd leren, en straf met de roede
Er was op de kloosterschool weinig ruimte voor dagdromen. De leraar gaf les door voor te lezen uit de Bijbel of andere religieuze teksten, waarna de leerlingen de stof uit hun hoofd moesten leren. Boeken waren kostbaar en lang niet iedere leerling beschikte over een eigen exemplaar, waardoor memoriseren een belangrijke plaats innam in het onderwijs.
Pas wanneer een leerling een tekst volledig uit het hoofd kende, leerde hij letter voor letter, woord voor woord lezen. De leerlingen oefenden schrijven met een schrijfstift of stylus op een wastafeltje en dit ging op dezelfde manier als het leren lezen. Ze begonnen met letters, gingen verder met lettergrepen en schreven uiteindelijk psalmteksten na.
Ook was er weinig ruimte voor het overtreden van de regels. Leraren regeerden met strenge hand en lijfstraffen met een stok of roede kwamen voor. Toch was geen enkele kloosterschool hetzelfde; de kwaliteit hing vooral af van de kennis en kunde van de leraar.
Hoe onderwijs langzaam toegankelijker werd
De kloosterscholen bloeiden, maar lang niet iedereen kon naar school. Veel jongens konden het zich niet veroorloven, omdat ze hun ouders moesten helpen op het land of in de werkplaats. Ook moest men soms een flink eind lopen en was naar school gaan simpelweg te ver weg.
Lange tijd lag het onderwijs voornamelijk in handen van kerkelijke instellingen. Met de groei van steden ontstonden vanaf de Late Middeleeuwen steeds meer stedelijke en andere scholen buiten de kloosters. Ook meisjes kregen op sommige plaatsen onderwijs, bijvoorbeeld in kloosters, begijnhoven en later in stedelijke scholen.
De verschillen met vandaag zijn enorm. Wanneer komende week de eerste Nederlandse kinderen na hun zomervakantie weer de klas in stappen, doen ze dat in een onderwijssysteem dat voor vrijwel ieder kind toegankelijk is.
De middeleeuwse voorlopers waren kleinschaliger, religieuzer en veel exclusiever – maar daar werden wel enkele fundamenten gelegd voor de Europese onderwijstraditie die zich in de eeuwen daarna verder zou ontwikkelen.
Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!
Anna werkt als editor voor National Geographic, en deed dat eerder voor Women’s Health en Runner’s World. Ze woont in Australië, waar ze dagelijks hardloopt langs de kust, zwemt in zee of lange wandelingen maakt met een flat white in de hand. Ze vindt het belangrijk om een gezonde levensstijl voor iedereen toegankelijk te maken.










