Geschiedenis en Cultuur

Waarom de FBI een 1400 paginas dik dossier over Einstein bijhield

De beroemde natuurkundige was een uitgesproken tegenstander van racisme, nationalisme en de atoombom, wat wantrouwen opwekte bij FBI-baas Hoover. donderdag, 9 november

Door Mitch Waldrop

Albert Einstein was al een wereldberoemde natuurkundige toen de FBI in december 1932 begon met het bijhouden van een geheim dossier over hem. Hij en zijn vrouw Elsa waren net vanuit hun geboorteland Duitsland naar de Verenigde Staten geëmigreerd, en Einstein had zich zeer openlijk uitgelaten over de grote sociale kwesties van zijn tijd en felle kritiek geuit op racisme en nationalisme.

Toen Einstein op 18 april 1955 overleed, had de FBI inmiddels een dossier van 1427 pagina’s over hem opgesteld. FBI-baas J. Edgar Hoover stond zeer wantrouwend tegenover Einsteins activisme; de geleerde zou weleens een communist kunnen zijn, meende Hoover, en was zeker ‘een extreme radicaal’.

Einstein zelf zou waarschijnlijk hartelijk om die kwalificaties hebben gelachen – als hij ervan had geweten; in Duitsland hadden de nazi’s veel ergere dingen over hem gezegd en hij was in het geheel niet onder de indruk van gezagsdragers. “Onnadenkend respect voor autoriteit is de grootste vijand van de waarheid,” zei hij in 1901.

De duizenden mensen die dit weekend worden verwacht voor de Mars voor de wetenschap zouden het daar waarschijnlijk mee eens zijn.

Verontwaardigd over bezuinigingen op nationale budgetten voor de wetenschap en over de anti-wetenschappelijke retoriek van de regering-Trump, heeft een actiegroep van wetenschappers, leraren en andere pleitbezorgers van de wetenschap een mars tegen Washington georganiseerd, naar het voorbeeld van de Vrouwenmars die in januari plaatsvond. De beweging is sindsdien aangezweld, met honderden soortgelijke marsen in steden over de hele wereld.

De demonstranten willen aandacht vragen voor alles waarvoor de wetenschap staat, waaronder redelijkheid, openheid en besluitvorming op basis van bewijzen op alle niveaus van de samenleving.

Hoewel ze worden gesteund door meer dan 170 wetenschappelijke organisaties, zijn de deelnemers in actie gekomen na verhitte debatten binnen de wetenschappelijke gemeenschap zelf. Zoals een sceptische geoloog het in TheNew York Times verwoordde, zal de mars ‘er alleen maar toe bijdragen (...) dat wetenschappers als de zoveelste groep bij de cultuuroorlogen worden betrokken’.

Maar met het oog op het rebelse leven van Einstein denken de voorvechters van de mars te handelen in de geest van een van de grootste wetenschappers die ooit heeft geleefd.

Door zijn uitdagende gedrag was Einstein in Duitsland al op 15-jarige leeftijd van de middelbare school gestuurd, een voorval dat hem op zijn zeventiende deed besluiten het Duitse staatsburgerschap af te zweren; hij wilde niets meer met de autoritaire scholen en het door hem zo gehate militarisme in Duitsland te maken hebben.

Einstein ging studeren aan de technische hogeschool van Zürich, werd Zwitsers staatsburger en ging na zijn afstuderen werken voor het Zwitserse octrooibureau in Bern, waar hij in 1905 zijn revolutionaire artikelen over relativiteit en de kwantumtheorie publiceerde.

Einstein keerde pas in april 1914 naar Duitsland terug, toen hij dankzij zijn bijdragen aan de wetenschap een prestigieuze aanstelling aan de Universiteit van Berlijn kreeg. Daar bleef hij zijn ideeën over relativiteit en zwaartekracht uitwerken, ideeën die in 1919 op spectaculaire wijze werden bevestigd door observaties tijdens een zonsverduistering en die sindsdien onze inzichten in het universum hebben gevormd.

De opkomende nazipartij hekelde de relativiteitstheorie al snel als ‘Joodse perversie’ – het equivalent in de jaren twintig van de vorige eeuw van het huidige ‘fake news’ als alom inzetbare dooddoener – en Einstein werd zóo vaak met de dood bedreigd dat hij niet meer alleen uit wandelen ging.

Maar de dreigementen snoerden hem niet de mond. Integendeel, hij gebruikte zijn pas verworven faam om zich uit te spreken over alles wat hij in de wereld onrechtvaardig vond. “Door stilte te bewaren tegenover het kwaad,” zei hij ooit, “zou ik me schuldig hebben gemaakt aan medeplichtigheid.”

In 1929 hekelde hij het militante nationalisme als ‘de mazelen van de mensheid’.

Hij stelde het kapitalisme ter discussie. “Ik beschouw klassenverschillen als onrechtvaardig en uiteindelijk gebaseerd op dwang,” schreef hij in 1931. “Ieder mens moet als individu worden gerespecteerd en geen man mag als idool worden behandeld.

Hij protesteerde tegen racisme. Toen de zwarte operazangeres Marian Anderson in 1937 in Einsteins nieuwe thuishaven Princeton, New Jersey, geen hotelkamer kon krijgen, nodigden hij en Elsa haar uit om bij hen thuis te verblijven – het begin van een lange vriendschap. Ook raakte Einstein bevriend met de zwarte zanger Paul Robeson, die geen werk meer kreeg omdat hij voor communist werd aangezien. En in 1946 zei Einstein in een lezing voor de traditioneel zwarte Liberty University in Pennsylvania dat de segregatie ‘een ziekte van de blanke mensen’ was.

Na 1933 moest Einstein door de opkomst van Hitler toegeven dat puur pacifisme niet langer een reële optie was. Uit angst dat Duitse natuurkundigen al hard op weg waren het pas ontdekte fenomeen van kernsplijting in een wapen toe te passen, ondertekende Einstein in augustus 1939 een brief aan de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt waarin ze hem ervoor waarschuwden ‘dat het element uranium in de zeer nabije toekomst als een nieuwe en belangrijke energiebron kan worden aangewend’ – oftewel als de atoombom.

Roosevelts antwoord was het Manhattanproject: een race tegen de klok om de atoombom te ontwikkelen voordat Hitler daarin zou slagen.

Einstein speelde verder geen rol in het project. Maar in het voorjaar van 1945 schreef hij andermaal een brief aan de president, waarin hij hem aanspoorde in gesprek te gaan met wetenschappers van het Manhattanproject die zich zorgen maakten over de snelheid waarmee de atoombom werd gebouwd en moest worden gebruikt, ook al was Duitsland bijna verslagen en het naziregime zich niet langer op de toepassing van uranium richtte.

Roosevelt overleed op 12 april, zonder de brief te hebben gelezen, en toen Einstein in augustus hoorde dat een atoombom boven de Japanse stad Hiroshima tot ontploffing was gebracht, fluisterde hij slechts: “O, mijn God”.

De rest van zijn leven pleitte Einstein onvermoeibaar voor een vorm van internationale controle op kernwapens. In het atoomtijdperk, zo stelde hij, was oorlog een vorm van waanzin geworden.

We kunnen alleen maar raden wat Einstein zou hebben gevonden van het huidige politieke klimaat. Wat we wel weten, is hoe hij reageerde in een eerder tijdperk van intimidatie door de overheid, de anticommunistische hysterie in de jaren vijftig van de vorige eeuw.

“Iedere intellectueel die voor een van deze comités moet verschijnen, zou moeten weigeren om te getuigen,” verklaarde Einstein in 1953, met het oog op de intimiderende hoorzittingen van het Amerikaanse Congres, die de carrières van talloze onschuldige mensen ruïneerden.

Die uitspraak kwam hem op woedende commentaren in kranten in de hele VS te staan, ook in TheWashington Post en TheNew York Times. Maar hij droeg deze aantijgingen met trots.

Omdat hij persoonlijk getuige was geweest van de wijze waarop Europa in de greep van ‘bruut geweld en angst’ was geraakt, was Einstein diep onder de indruk van de Amerikaanse ‘tolerantie tegenover gewetensvrijheid, het vrije woord en non-conformistischte opvattingen’ – precies die kwaliteiten die hij ook in de wetenschap had bevorderd, aldus zijn biograaf Walter Isaacson.

Einstein was niet het type dat langs de zijlijn bleef toekijken zodat, in zijn eigen woorden, ‘de Duitse ramp van jaren geleden zich herhaalt’.