Geschiedenis en Cultuur

Suffragettes: de strijd voor het vrouwenkiesrecht

Tegen het einde van de 19de eeuw voerden vrouwen in Groot-Brittannië een hevige strijd voor de erkenning van hun recht om te stemmen. Soms namen ze zelfs hun toevlucht tot geweld en belandden ze in de gevangenis. Pas in 1918 boekten ze resultaat. dinsdag 30 april 2019

Door Ainhoa Campos Posada
De politie van Manchester arresteert een suffragette tijdens een straatprotest rond 1905, toen de strijd voor het vrouwenkiesrecht in volle gang was. De aangehouden jonge vrouw draagt een toga omdat zij verbonden is aan de universiteit.
Dit artikel verscheen in National Geographic Historia editie 2, 2019. 

Op vrijdag 3 augustus 1832 werd in het Britse parlement een heel bijzondere petitie besproken: die van Mary Smith uit Stanmore. Aangezien Smith evenveel belasting betaalde als mannen en aan dezelfde wetten moest gehoorzamen, zou zij ook het recht moeten hebben de vertegenwoordigers te kiezen die die wetten uitvaardigen, beargumenteerde ze. 

Dat ging Sir Frederick Trench duidelijk veel te ver. De hoogedelgestrenge parlementariër stelde dat gemengde jury’s mannen en vrouwen in situaties van twijfelachtige moraal zouden storten. Denk aan nachtelijk overleg achter gesloten deuren. Toen hij als repliek kreeg dat ‘het welbekend is dat de hoogedelgestrenge, hoffelijke parlementariër hele nachten doorbrengt in het gezelschap van dames zonder dat er iets oneerbaars gebeurt,’ antwoordde Sir Frederick: ‘Inderdaad. Maar nooit achter gesloten deuren.’ 

Mary Smiths verzoek om te mogen stemmen wordt besproken bij de hervorming van het Britse kiesstelsel in 1832.

De aanwezigen lachten, en zo kwam er een einde aan het eerste debat over het vrouwenkiesrecht in de geschiedenis van Groot­Brittannië. Vrouwen werden burgerrechten en politieke rechten ontzegd die mannen wél hadden. Alleenstaanden en weduwen waren weliswaar vrijer dan getrouwde vrouwen – die geen bezittingen mochten hebben, geen testament mochten opstellen en niet eens de voogdij hadden over hun eigen kinderen – maar ook zij werden ernstig beperkt. Ze mochten bepaalde beroepen niet uitoefenen, mochten geen dokter of rechter worden en geen regeringsposten bekleden. En natuurlijk mochten ze ook niet stemmen. 

De gedachte in die tijd was dat die ondergeschikte positie noodzakelijk was voor de sociale orde. Mannen waren intellectueel en fysiek sterker en moesten dus de leiding hebben in het publieke domein, en ze moesten de vrouwen beschermen, die in de privésfeer de scepter zwaaiden. Veel vrouwen deelden deze ideeën en gaven ze door van moeder op dochter. Er was nauwelijks protest. In 1825 stelden vroege activisten als William Thompson en Anna Wheeler de vraag: ‘Wanneer worden jullie, die het meest onderdrukt worden, je eindelijk bewust van jullie positie, wanneer gaan jullie je organiseren, protesteren en verandering eisen?’ 

Maar zelfs degenen die het onrecht aankaartten, dachten er niet over het stemrecht op te eisen. Aan het begin van de 19de eeuw had in landen met een parlementaire democratie slechts een minderheid dat recht: in Groot-Brittannië mocht niet meer dan twintig procent van de mannen stemmen. Het idee dat alleen de verstandigste en bekwaamste mannen in staat waren om goede bestuurders uit te kiezen was wijdverspreid. Alleen in de radicaalste kringen werd universeel stemrecht voor mannen verdedigd. Over het algemeen heerste de overtuiging dat die verantwoordelijkheid moest worden gedragen door hoogopgeleide mannen die gewend waren hun bezittingen te beheren. Die selecte minderheid kon beslissen wat het beste was voor de rest van de mannen, en natuurlijk voor de vrouwen, die als eeuwige minderjarigen werden beschouwd.

Deze ets, getiteld ‘De gevolgen van vrouwenemancipatie’, toont vrouwen (en mannen) die worden opgeroepen te stemmen op ‘de knapste kandidaat’.

De strijd barst los

Toch stonden Engeland en de rest van de westerse wereld aan de vooravond van een periode van verregaande economische, politieke en sociale veranderingen, die algauw hun weerslag zouden hebben op de strijd van de vrouwen. In 1830 waren de feministes misschien nog schaars en slecht georganiseerd, maar dertig jaar later was de beweging sterker en had zij een belangrijk strijdpunt gevonden: het stemrecht. Alleen als vrouwen hun eigen vertegenwoordigers konden kiezen, zouden ze de wetten kunnen aanpakken die van hen tweederangsburgers maakten. 

Doordat een groeiend aantal mensen toegang had tot onderwijs, werd het publiek voor boeken en kranten groter. Feministische ideeën kregen steeds meer publiciteit en wonnen aan populariteit. Tussen 1860 en 1870 was er een flinke toename te zien van organisaties die pleitten voor vrouwenkiesrecht. Zoals de filosoof John Stuart Mill betoogde: waarom zouden, in het land dat werd geregeerd door koningin Victoria – die haar capaciteiten als leider ruimschoots had bewezen – vrouwen niet dezelfde rechten krijgen als mannen? 

De eerste vrouwenorganisaties meenden een gouden kans te zien om hun doelen te bereiken. In een nieuwe kieswet, aangenomen in 1867, werd het stemrecht uitgebreid tot een derde van de volwassen mannen. Maar de wetsartikelen verwezen naar hen met het woord men (mannen of mensen) in plaats van males (personen van het mannelijk geslacht), waardoor je zou kunnen interpreteren dat de term naar beide seksen verwees. De suffragettes moedigden vrouwen daarom aan deel te nemen aan de verkiezingen. Een van hen, Lily Maxwell, verscheen dankzij een fout op de lijst van stemgerechtigden en ging naar het aangewezen stembureau om te stemmen op een kandidaat die de suffragettes steunde. Om te vermijden dat dit andere vrouwen op ideeën zou brengen, werd een paar maanden later verduidelijkt dat met de wet in geen geval vrouwen werden bedoeld. 

Dit affiche uit 1897 voor het toneelstuk De nieuwe vrouw van Sydney Grundy laat de gevolgen zien van de groeiende informatiestroom over het vrouwenkiesrecht.

Al was deze slag verloren, de zaak kreeg meer publiciteit, reden tot grote zorg bij de tegenstanders van de suffragettes. Die vonden dat vrouwen al werden vertegenwoordigd door hun echtgenoten en dat ze daarnaast enorm door hen werden beïnvloed, dus vrouwen kiesrecht toekennen stond gelijk aan hun mannen twee stemmen geven. Erger nog: als ze verschillende stromingen aanhingen, zou er in talloze gezinnen onenigheid ontstaan. Bovendien zou het stemrecht nog maar het begin zijn: als vrouwen mochten stemmen, werd gevreesd dat ze binnen de kortste keren in het parlement zouden willen of deel zouden willen uitmaken van de regering. En dat zou zowel het belang van het land schaden als de gezondheid van de vrouwen, die hoogstwaarschijnlijk niet bestand waren tegen de intense activiteit die bij de politiek hoorde. 

Al waren de tegenstanders in de meerderheid, toch groeide de steun voor de strijd om het vrouwenkiesrecht – stukje bij beetje. In 1869 werd er in de Verenigde Staten een fundamentele stap gezet: in Wyoming mochten vrouwen stemmen. In 1881 leek door een nieuwe overwinning het vrouwenkiesrecht in Groot-Brittannië binnen handbereik te zijn: op het Britse eiland Man kregen weduwes en alleenstaande vrouwen stemrecht. Ondertussen werd ook stilaan toegestaan dat vrouwen een plek kregen in het bestuur van onderwijsdistricten, waarvan de leden werden verkozen. Daarnaast mochten ze in 1894 ook deelnemen aan lokale verkiezingen, waardoor het langzaamaan minder vreemd werd een vrouw in een stemlokaal tegen te komen. 

Steeds meer prominente personen hadden sympathie voor de suffragettes, maar ze waren bang hun politieke carrière in gevaar te brengen als ze het vrouwenkiesrecht verdedigden. 

De suffragettes beseften maar al te goed dat ze samen sterker stonden. In 1897 verenigden verschillende kiesrechtorganisaties zich in de National Union of Women’s Suffrage Societies (NUWSS) onder leiding van Millicent Fawcett. 

Millicent Fawcett, oprichtster van de NUWSS, een meer gematigde suffragettegroep en vrouwenkiesrechtorganisatie.

De leden legden zich er met name op toe politici aan hun kant te krijgen en op straat protestbijeenkomsten te organiseren. Al lijkt het nu misschien de normaalste zaak van de wereld, destijds moesten vrouwen een taboe doorbreken om in het openbaar het woord te nemen. Margarette Nevinson, overtuigd suffragette, zag die toespraken op straat als iets vulgairs en agressiefs. Vrouwen werden opgevoed met het idee dat ze zich buitenshuis onopvallend moesten gedragen. In het openbaar de aandacht trekken werd op z’n minst vreemd en gênant gevonden. Een deel van de toehoorders was het daarmee eens, en soms werden de spreeksters ontvangen met een regen van beledigingen, objecten en zelfs klappen. Op een van die bijeenkomsten ging de suffragette Charlotte Despard gewoon door met haar toespraak nadat iemand een ei tegen haar gezicht had gegooid. Anderen kregen seksueel getinte opmerkingen naar het hoofd geslingerd, moreel gezien stonden ze immers gelijk aan prostituees. Het kwam dan ook regelmatig voor dat de politie ze moest beschermen tegen een woedende menigte. 

Het was voor vrouwen ook niet gemakkelijk om de bijeenkomsten als publiek bij te wonen. Toen de vader van Esther Knowles erachter kwam dat zij naar een vergadering van suffragettes was geweest, barstte hij in woede uit en gaf hij haar moeder ervanlangs, die toestemming had gegeven. Maar veel mensen leerden de feministes kennen door deze acties, waarop aanvankelijk maar een paar belangstellenden af kwamen, maar die aan het begin van de 20ste eeuw massaal werden bezocht. In die eeuw kregen vrouwen steeds meer kansen: bij studies als medicijnen werden ze zoetjesaan toegelaten in de collegezalen, en duizenden vrouwen hadden plaatsgenomen in besturen van onderwijsdistricten, tegenover enkele tientallen in 1870. 

Heldinnen in de gevangenis

Al was er het een en ander verbeterd, het stemrecht leek nog altijd een verre droom, vonden de grondlegsters van de Women’s Social and Political Union (WSPU), die in 1903 door Emmeline Pankhurst was opgericht om effectiever te strijden voor het vrouwenkiesrecht. Emmeline meende dat de organisatie, om haar doel te bereiken, moest functioneren als een leger. Haar orders stonden niet ter discussie. Verzoeken om interne democratie werden steevast van tafel geveegd door Emmeline, die iedereen die het niet eens was met haar beslissingen uit de vereniging zette. Zelfs een van haar dochters, Sylvia, moest de organisatie verlaten, omdat ze contacten onderhield met de Labourpartij. De leidster had zich voorgenomen om met geen enkele andere politieke partij samen te werken tot vrouwen mochten stemmen. Ook militante mannen duldde ze niet. Het ledenaantal van de WSPU daalde dan ook gestaag: in 1914 waren het er nog maar vijfduizend, tegenover de vijftigduizend bij de NUWSS. 

In oktober 1906 werd een aantal militante WSPU-leden gearresteerd bij een protest in de vestibule van het Lagerhuis in het paleis van Westminster.

De militante tactieken van de WSPU kregen veel aandacht in de pers. Ze onderbraken bijvoorbeeld bijeenkomsten van andere partijen, deden pogingen om het parlement binnen te vallen, doken op bij huizen van regeringsleden of ketenden zich zelfs aan hen vast. Door dergelijke acties kwam het regelmatig voor dat er leden werden opgepakt. Deze weigerden dan de boete te betalen die hun werd opgelegd en daardoor belandden ze in de gevangenis. Wanneer ze vrijkwamen, werden ze vereerd als heldinnen, wat enorme propaganda opleverde. Ze werden steeds populairder: in 1908 trok een manifestatie in Hyde Park ruim vijfhonderdduizend bezoekers. Zelfs de conservatieve krant The Times stelde dat er in de voorgaande 25 jaar geen massalere bijeenkomst was geweest. 

De acties van de suffragettes werden steeds spectaculairder en soms zelfs gewelddadig. Toen hun het recht werd geweigerd petities voor te leggen aan de koning – een recht dat officieel al zijn onderdanen bezaten –, gooide een aantal vrouwen van de WSPU stenen tegen de ramen van parlementsgebouwen. Dat ging de NUWSS te ver: die besloot definitief met Pankhurst te breken. Fawcett beschouwde het als een fout geweld te gebruiken om iets te bereiken wat was gebaseerd ‘op het groeiende bewustzijn dat onze eis rechtvaardig is, en op gezond verstand.’ Ook binnen de organisatie groeide de onenigheid: suffragettes van het eerste uur zoals Charlotte Despard keurden het gebruik van geweld en de weigering om met andere partijen samen te werken af, en stapten eruit. De verdeeldheid vertaalde zich ook in hoe de leden van de radicale vleugel werden aangeduid: suffragettes, de gematigden werden suffragists genoemd. 

In campagnes van tegenstanders werd een toekomst waarin vrouwen mochten stemmen afgebeeld als een tijd van lachwekkende veranderingen in de sociale orde. LINKS: Deze satirische platenhoes uit 1913 laat zien dat veel mannen vreesden dat het vrouwenkiesrecht zou leiden tot het omdraaien van de traditionele rolverdeling tussen mannen en vrouwen. MIDDEN: Op veel ansichtkaarten, zoals deze uit 1910, werden gekwelde echtgenoten afgebeeld die als een madonna het huishouden moesten bestieren en op de kinderen moesten passen wanneer hun vrouw de deur uitging. RECHTS: Voor het parlementsgebouw (het ‘Huis van waaruit – mannelijke – staatslieden de wereld onverschrokken en dapper hebben geregeerd’) schrikt een vrouw van een muis. ‘Kan een vrouw verwachten te heersen over zo’n huis?’

De reactie van de regering liet niet lang op zich wachten. Honderden suffragettes werden gevangengezet en onder erbarmelijke omstandigheden vastgehouden. Om de status van politieke gevangenen te krijgen, zodat hun leefomstandigheden in de gevangenis zouden verbeteren, werd een hongerstaking afgekondigd. Dat stelde de autoriteiten voor een groot probleem. Zij wilden koste wat het kost voorkomen dat deze vrouwen martelaressen zouden worden. Hun oplossing was dwangvoeding, een pijnlijk en gevaarlijk proces, waardoor onder de bevolking de sympathie voor de suffragettes alleen maar groeide. 

De protesten op straat werden harder aangepakt. Het parlement had een voorstel besproken om alleenstaande vrouwen en weduwen kiesrecht te geven, en in november 1910 werd een manifestatie georganiseerd om te eisen dat dit opnieuw werd besproken. Om het protest te sussen, werden politieagenten uit de arme wijken van Londen ingeschakeld, die dat deden door erop los te slaan en de opstandelingen seksueel lastig te vallen. Een groot aantal voorbijgangers deed vrolijk mee. Drie deelneemsters overleden aan hun verwondingen, en de foto van een neergevallen vrouw met ernaast een agent die op het punt staat haar te slaan, choqueerde het publiek. De overheid gaf de suffragettes de schuld van die ‘Black Friday,’ omdat zij iedereen hadden opgeroepen deel te nemen aan het protest. Het gevolg was een wetswijziging waardoor ze iets beter werden behandeld in de gevangenis. 

Radicale oplossingen

In 1912 vond het laatste parlementaire debat over het voorstel plaats. Verschillende ministers uit de liberale regering verwachtten dat de vrouwen over wie het ging, huiseigenaressen die weduwe of alleenstaand waren, grotendeels conservatief zouden stemmen, en stemden daarom tegen. Het voorstel waarvan zo veel werd ver­ wacht, werd in 1912 verworpen. 

Volgens Pankhurst was het moment aangebroken om het krachtigste politieke wapen in te zetten: ingegooide ruiten. Een minderheid begon weer met vandalistische acties, nu op grotere schaal: ze lieten ook bommen exploderen of sta­ ken lege huizen in brand. De regering reageerde door steeds meer suffragettes gevangen te zetten. Om de impopulaire dwangvoeding te voorkomen, voerde de overheid in 1913 een wet in die bekendstond als ‘de wet van kat en muis’; gevangenen die door de honger waren verzwakt, werden vrijgelaten – om onmiddellijk na hun herstel weer te worden opgepakt. Die strategie viel in de smaak van de publieke opinie, die niet zo dol was op bommen en ingegooide ruiten. Het geweld bezoedelde het imago van de beweging. 

Bovendien gaf het munitie aan diegenen die stelden dat vrouwen te emotioneel waren om te stemmen. 

Eerste minister Lloyd George in 1918 in Manchester. Naast hem loopt suffragette Flora Drummond van de WSPU.

We zullen nooit te weten komen wat er zou zijn gebeurd als de strijd zo was doorgegaan, want met de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog kwam er een abrupt einde aan de activiteiten van de WSPU. Pankhurst werd een verwoed patriot en bood de regering haar diensten aan. De NUWSS ging echter door met haar campagne. De politieke activiteiten van deze groep en de bijdragen die de vrouwen vanuit het thuisfront leverden aan de oorlog, overtuigden het parlement en een groot deel van de bevolking ervan dat vrouwen net zoveel recht hadden om te stemmen als hun mannelijke medeburgers. In februari 1918 werd een wet aangenomen die het kiesrecht toekende aan vrouwen ouder dan dertig en alle mannen boven de 21 jaar. Het geluk van de suffragettes kon niet op, maar de strijd was nog niet gestreden. Ze bleven nog tien jaar actievoeren, tot in juli 1928 het vrouwen­ kiesrecht gelijk werd gesteld aan dat van de mannen. Dat gebeurde op een parlementszitting waarbij de belangrijkste figuren uit de strijd voor het stemrecht, nu op leeftijd, aanwezig waren. Fawcett bijvoorbeeld, en Despard, van respectievelijk 81 en 84 jaar. 

Charlotte Despard sprak toen: ‘Ik had nooit gedacht dat ik het stemrecht toegekend zou zien worden. Maar als een droom waarheid wordt, is het tijd voor de volgende.’

Dit artikel verscheen in National Geographic Historia editie 2, 2019.

Lees verder

Wie was Abraham Lincoln?

Wie was Abraham Lincoln?

De zestiende president van de Verenigde Staten werd geboren op een eenvoudige boerderij in Kentucky. Hij werd vermoord nadat hij in een bloedige oorlog de afscheiding van het Zuiden had verhinderd en de slavernij had afgeschaft. 
Hoe de Franse koningin Marie Antoinette haar hoofd verloor

Hoe de Franse koningin Marie Antoinette haar hoofd verloor

De echtgenote van Lodewijk XVI werd voor een revolutionair tribunaal geleid op last van samenzwering met de vijanden van de Franse Revolutie. Na een proces van amper twee dagen werd de ‘weduwe Capet’ veroordeeld tot de guillotine.
Waarom Leonardo da Vinci nog steeds voortleeft – 500 jaar na zijn dood

Waarom Leonardo da Vinci nog steeds voortleeft – 500 jaar na zijn dood

Vijfhonderd jaar geleden overleed Leonardo da Vinci. Anno 2019 staan we nog altijd versteld van zijn creativiteit en vooruitziende blik op het gebied van wetenschap, kunst en techniek.