Slechts enkele kleine Inuit-gemeenschappen hadden zich in het noordpoolgebied gevestigd, maar hun minimalistische levensstijl trok maar weinig aandacht van kooplieden uit andere streken. Zo bleven deze gebieden eeuwenlang geïsoleerd en onbekend. Totdat er een economisch belang ontstond: de walvisvangst.
De jacht op walvissen werd steeds populairder naarmate de zoogdieren steeds vaker werden gezien in de zeeën van het poolgebied. Maar ook al waagden walvisvaarders zich noordelijker, verder volgde niemand dit voorbeeld. Waarom zou men ook? Er was daar alleen maar ijs. De noordpool was niets meer dan een geografisch gegeven, een punt op 90° noorderbreedte zonder economische betekenis. Voor de mens viel er net zo weinig te halen als op de maan.
De interesse wordt gewekt
Eind achttiende eeuw veranderde die opvatting. Regeringen kregen steeds meer belangstelling voor ontdekkingsreizen. Voorheen waren het vooral de kooplieden geweest die schepen rond de wereld stuurden, op zoek naar nieuwe mogelijkheden om handel te drijven.
Nu lieten verschillende landen marineschepen uitvaren om hun politieke belangen op zee veilig te stellen. Daarnaast werden de expedities aangegrepen om wetenschappelijk onderzoek te doen.
Ook het grote publiek raakte gefascineerd door de verre reizen, vooral door de verhalen over moeilijk begaanbare gebieden waar men het poolijs had moeten trotseren. In deze context ondernam Groot-Brittannië, de grootmacht van die tijd, na afloop van de napoleontische oorlogen een serie poolexpedities.
Leestip: Tanden van gesneuvelde soldaten uit Napoleons leger onthullen hun doodsoorzaak
Sommige daarvan trokken noordwaarts, maar waren niet specifiek gericht op het bevaren de noordpool. Het voornaamste doel van de Britten was het bereiken van de Beringstraat (tussen Rusland en Alaska) via het noordpoolgebied. Men vermoedde dat daar een open zee was, omringd door een gordel van ijs.
De expedities hadden aanvankelijk weinig succes. Veel schepen stuitten onderweg op ijsmassa’s, waardoor ze strandden en schipbreuk leden.
En als de bemanning besloot de schepen achter zich te laten en met sleden verder te trekken over het drijvende pakijs, ontdekten de expeditieleden tot hun wanhoop dat het ijs vaak niet richting van de noordpool dreef. Na een korte rustpauze waren de expeditieleden dan weer terug bij af; het was dweilen met de kraan open.
Op zoek naar Franklin
De meeste Britse expedities waren opgezet met het doel de Noordwestelijke Doorvaart te vinden, een route langs de kustlijn van Noord-Amerika die een snelle verbinding moest vormen tussen de Atlantische en de Grote Oceaan.
In 1845 raakte een van deze expedities vermist: Sir John Franklin, zijn twee schepen en meer dan honderd bemanningsleden verdwenen spoorloos. De Britten waren diep geschokt door deze tragedie, en in de tien jaar erna voeren ruim honderd schepen uit om Franklin en zijn mannen te zoeken.
Er werden marineschepen uitgezonden, maar ook expedities op initiatief van Britse en Amerikaanse industriemagnaten. Alle scheppen zetten koers naar het labyrint van zeestraten in het noordpoolgebied rond Canada. Maar hun pogingen leverden geen succes op: er werd geen enkel spoor gevonden naar de expeditie van Franklin.
Nieuwe vaarroutes
Toch bleek de vruchteloze zoektocht niet voor niets te zijn geweest: de expedities boden ruimte voor het ontdekken van nieuwe vaarroutes. Waar een kapitein op een marineschip verplicht was de orders van zijn meerdere op te volgen en waar de schipper op een koopvaardijschip altijd de belangen van de reder voor ogen hield, had een kapitein op een expeditie om schipbreukelingen op te sporen, van wie niemand weet waar ze zijn gebleven, meer vrijheden en kon hij zijn eigen beslissingen nemen.
Leestip: Er was eens... een plan om de Noordpool te smelten, omdat Siberië te koud is
Dat laatste is precies wat Edward Inglefield in 1852 deed. Hij voerde het bevel over een schip dat op zoek ging naar de vermiste ontdekkingsreizigers. Tijdens die tocht ontstond het idee om naar de vermisten te gaan zoeken in de Smith Sound, aan de noordwestkust van Groenland.
Toen hij daar aankwam, werd hij bevangen door het ‘wilde idee om naar de noordpool te varen’. Hij vond de vermiste schepen niet en zou ook de noordpool niet bereiken; het pakijs belemmerde de vrije doorgang. Eenmaal teruggekeerd in Engeland, deed hij verslag van zijn bevindingen: richting het noorden had hij zicht gehad op een open zee.
Dromen van een poolzee
De gedachte dat de nieuwe route mogelijk toegang gaf tot de open poolzee, en dat op die manier de noordpool zou kunnen worden bereikt, leidde tot enthousiasme bij veel Amerikaanse avonturiers. Het lukte sommigen om investeerders te vinden voor hun ondernemingen.
En zo vertrokken in de daaropvolgende twee decennia verscheidene Amerikaanse expedities. Allemaal kregen ze te maken met geduchte vijanden als kou, honger en uitputting. Maar ondanks alle gevaren en ontberingen wisten ze steeds een stukje verder te komen dan hun voorgangers.
Toch werden ze uiteindelijk allemaal tot staan gebracht door het pakijs. Niet alleen liepen de schepen daarop stuk, maar ook de hoop van de opvarenden. Gedesillusioneerd keerden ze terug in reddingsbootjes, of soms zelfs lopend over het ijs. Sommige ontdekkingsreizigers legden tweeduizend kilometer te voet af voordat ze werden gered door walvisvaarders.
Europeanen naar de Noordpool
Ondertussen zaten ook de Europeanen niet stil. In 1869 en 1870 probeerde een Duitse expeditie tevergeefs een theorie van August Petermann, een van de grote geografen van die tijd, te bewijzen. Petermann meende dat de Golfstroom, of Noord-Atlantische drift, die warm zeewater aanvoert van Mexico naar het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan, doorloopt tot in het hart van het noordpoolgebied en zo een bres slaat in het ijs.
Leestip: De enerverende eerste expeditie naar de Noordpool met een luchtballon
Ondanks deze mislukking deed een schip dat onder Oostenrijks-Hongaarse vlag voer twee jaar later een nieuwe poging. Aanvankelijk leek alles voorspoedig te verlopen: de Golfstroom was inderdaad ook in het hoge noorden te vinden. Maar al snel ontdekten ze dat deze niet zo warm was als gedacht.
Hun schip lag ruim twee jaar vast in het ijs. De zeevaarders dreven stuurloos rond, tot ze terechtkwamen bij een eilandengroep die ze Frans Jozefland doopten, ter ere van hun keizer. Maar daar sloeg de ijskoude zee wederom toe. Hun boot leed schipbreuk op de kust van de archipel.
De expeditieleden maakten hun reddingssloepen vast aan sleeën en baanden zich zo een weg richting het zuiden. Dat was een zware en demoraliserende onderneming, want ook al trokken ze met man en macht verder, de stroming zorgde ervoor dat de ijskap waarover ze liepen juist weer afdreef naar het noorden.
Na een voettocht van twee maanden bleken ze hemelsbreed niet meer dan vijftien kilometer te zijn opgeschoten. Toch wisten ze uiteindelijk de open zee te bereiken en richting de Russische kust te varen, waar ze werden opgepikt door een vissersboot.
De expeditie van Nares
De tragedie van Franklins expeditie zorgde er in Engeland voor dat het enthousiasme over poolexpedities flink werd getemperd, vooral nadat duidelijk werd dat Franklin zijn toevlucht had moeten zoeken in kannibalisme om te kunnen overleven.
Leestip: Dit moordmysterie op de Noordpool is na 150 jaar nog steeds onopgelost
Maar de Britse marine zag met lede ogen aan dat de Amerikanen steeds dichter bij hun doel kwamen. Dat stak de Britten en ze wilden laten zien dat ze nog altijd de belangrijkste wereldmacht waren, ook in het poolgebied.
In 1875 zonden ze een nieuwe expeditie uit, onder leiding van George Nares. De tocht begon hoopgevend. Nares’ schip, de Alert, voer door Smith Sound en daarna door de zeestraat die sindsdien de naam Straat Nares draagt.
Toen de winter aanbrak, bevond de expeditie zich noordelijker dan de mens ooit eerder was geweest. Maar daarna kwamen de tegenslagen. De Amerikaanse expedities gebruikten, naar het voorbeeld van de Inuit, honden om hun sleden voort te trekken.
De Britten waren daarentegen trouw gebleven aan hun eigen stijl. Dat betekende dat ze de sleden op eigen kracht voortsleepten en niet keken naar hoe de inheemse bevolking overleefde in barre omstandigheden. Tot overmaat van ramp werden verschillende expeditieleden getroffen door scheurbuik.
Wil je niets missen van onze verhalen? Volg National Geographic op Google Discover en zie onze verhalen vaker terug in je Google-feed!
Nadat Nares en zijn team een enorme inspanning hadden geleverd en op wilskracht N 83° 20' hadden bereikt (waarmee ze op zevenhonderd kilometer van hun einddoel waren), moest de missie uiteindelijk toch worden afgebroken, waarna de Alert huiswaarts keerde.
De Britten dropen teleurgesteld af en concludeerden dat de open poolzee niet bestond, behalve ‘in het brein van een handvol krankzinnige wetenschappers’, en dat de noordpool ‘volstrekt onbereikbaar is’.
In 1882 kon een Amerikaanse wetenschappelijke expeditie onder leiding van Adolphus Greely de verleiding niet weerstaan om te proberen het Britse record weer over te nemen. En dat lukte, hoewel het verschil slechts zeven kilometer was. De prijs die Greely betaalde voor dit succes, was hoog: slechts zes van de 25 expeditieleden keerden heelhuids terug, onder wie de commandant zelf.
Nog een poging
Enkele jaren eerder besloot de uitgever van de New York Herald zijn eigen expeditie uit te rusten. Niet voor het eerst, want in 1871 had de krant met succes de journalist Henry Morton Stanley naar Centraal-Afrika gestuurd om de verdwenen ontdekkingsreiziger David Livingstone te gaan zoeken.
In 1879 voer de Jeannette met George De Long als kapitein via de Beringstraat naar het noordpoolgebied. Zijn plan was om zich te laten meevoeren door de warme Kuroshio-zeestroom.
Walvisvaarders die bekend waren met de streek, hadden De Long al gewaarschuwd dat die stroming niet krachtig genoeg was, en dat de onderneming niet zonder gevaar was. Maar De Long sloeg de adviezen in de wind. Het schip voer door de koude wateren totdat het vast kwam te zitten in het ijs. Twee jaar later zonk het.
De expeditieleden werden gedwongen van boord te gaan en hun reddingsboten over het ijs te slepen totdat ze weer bij open water kwamen. In de herfst van 1881 wisten ze de kust van Siberië te bereiken. Het was zo’n barre tocht dat slechts een derde van de bemanning het overleefde.
Leestip: Nieuwe studie onthult waarom Antarctisch expeditieschip Endurance in 1915 zonk
Verrassend genoeg spoelden delen van het wrak van de Jeannette drie jaar na de schipbreuk aan bij de kust van Groenland. Die ontdekking gaf de Noorse wetenschapper en ontdekkingsreiziger Fridtjof Nansen het idee dat er een zeestroming moest zijn die door de hele Noordelijke IJszee loopt.
Daarom, zo redeneerde hij, zou een boot die zich doelbewust zou laten meevoeren door de stroming het hele poolgebied doorkruisen en ook de noordpool passeren.
Nansens poolexpeditie
Nansen besloot zijn theorie te testen. Hij bouwde een schip met een speciaal ontworpen romp, die bestand was tegen de gigantische kracht van het ijs. Hij doopte het de Fram (‘voorwaarts’). Nansen begon aan zijn tocht in 1893.
Aanvankelijk leek de boot stevig genoeg en werd hij inderdaad door de stroming in de juiste richting geduwd. Maar nadat hij zich meer dan een jaar had laten meevoeren, besefte Nansen dat hij helemaal niet onderweg was naar de noordpool. Toen besloot Nansen, die net als zo veel anderen werd bevangen door de lokroep van de noordpool, de Fram achter te laten en te voet verder te trekken.
Hij wist driehonderd kilometer dichter bij zijn doel te komen dan zijn voorgangers, maar het lukte ook hem niet om de noordpool te bereiken. Dat hij veilig terugkeerde – een reis waar hij meer dan een jaar voor nodig had –, is een van de grootste prestaties in de geschiedenis van de poolexpedities.
Amerikanen gaan naar Groenland
De volgende die een poging waagde, was Umberto Cagni, onder wiens leiding in 1899 een expeditie vertrok vanaf Frans Jozefland, ten noorden van Nova Zembla. Ondanks de ellende die de groep op deze barre tocht doormaakte, wist de expeditie de noordpool tot op zo’n 250 kilometer te naderen.
Leestip: Geen pinguïns op de Noordpool? Dat klopt niet helemaal – en nog 4 feiten over pooldieren
Het leek een onmogelijke taak om vanuit Europa het noordelijkste punt van de aarde te bereiken. Daarom richtten alle blikken zich op de noordwestkust van Groenland, waar de Amerikanen hun expedities startten.
Een van die Amerikanen was Robert Peary. Het was al moeilijk genoeg om langs de kust van Groenland naar het noorden te varen. Maar eenmaal aangekomen bij de bevroren poolzee, leek verdergaan al helemaal een onmogelijke opgave.
Het pakijs raakte op drift door de zeestromingen, waardoor het niet mogelijk was om er voedselvoorraden of materieel op te slaan voor de terugweg. Daarnaast ontstonden er brede geulen doordat de ijsplaten bewogen, waardoor er moest worden uitgeweken of gewacht tot de geulen weer dichtvroren.
Ondanks alle tegenslagen heeft de onvermoeibare Peary in achttien jaar tijd liefst zes poolreizen ondernomen. Van de Inuit leerde hij overlevingstechnieken en bij elke expeditie kwam hij iets verder dan de vorige. Uiteindelijk zette hij op 9 april 1909 voet op de noordpool.
De poolpolemiek
Na zijn terugkeer ontdekte Peary dat een landgenoot, Frederick Cook, beweerde dat ook hij op de noordpool was geweest. Cook werd aanvankelijk als een held binnengehaald, maar zijn verhaal bevatte inconsistenties. Cook werd weggezet als een fantast, terwijl men Peary wél geloofde.
Maar ook zijn verhaal is niet waterdicht. Hij kon geen precieze metingen laten zien, en ook zou de snelheid waarmee hij zich over het ijs had voortbewogen vier keer zo hoog zijn als die van andere ontdekkingsreizigers.
Experts begonnen ook aan zijn relaas te twijfelen. Tegenwoordig denken de meeste deskundigen dat beide ontdekkingsreizigers niet op de noordpool zijn geweest. Maar nog altijd hebben ze allebei een trouwe schare fans die hartstochtelijk opkomen voor hun helden.
De Koude Oorlog
In de jaren erna waagde niemand zich aan een nieuwe poolexpeditie. In 1937 werd een Sovjetexpeditie met een vliegtuig gedropt op het pakijs om zich met het ijs mee te laten voeren. Ze hadden echter geen interesse in het noordelijkste punt van de aarde, maar kwamen om onderzoek te doen.
In 1948, in de Koude Oorlog, stuurde Jozef Stalin een team onder leiding van kolonel Aleksandr Koeznetsov met een vliegtuig naar de noordpool. De deelnemers van deze expeditie waren de eersten van wie onomstotelijk vaststaat dat ze voet hebben gezet op de topografische noordpool.
Leestip: Dagboeken van tienerjongens uit de Sovjettijd geven uniek inkijkje in het leven van toen
Stalin deed dit om de Amerikaanse onderzeeër Nautilus te snel af te zijn, die onder het pakijs door zou varen en precies bij de noordpool boven zou komen. Hierna verloor de wereld zijn belangstelling. Tot de Britse ontdekkingsreiziger Wally Herbert in zijn eentje het hele poolgebied doorkruiste en op 6 april 1969 aankwam op de noordpool. Dat maakt van hem de eerste persoon van wie vaststaat dat hij de noordpool te voet heeft bereikt – de droom van tientallen poolreizigers werd na bijna twee eeuwen werkelijkheid.
Tegenwoordig is de noordpool vooral een toeristenbestemming geworden. Vakantiegangers maken er selfies en laten op sociale media bewijs achter dat ze op de ooit zo mythische plek zijn geweest.
Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!



















