Ierland

Hoog aan de Ierse wind

Een avontuurlijke zeilreis van Belfast naar Galway op barkentijn Thalassa. donderdag, 9 november

Door Jillian MacDonald
Foto's Van Frits Meyst

Het is een prachtige zomerdag met een lichte bries over het dek als kapitein Jacob Dam het commando geeft de zeilen te hijsen. We hebben zojuist de haven van Belfast verlaten en varen langs de grijze kliffen van Noord-Ierland. ‘Jillian, wil je meehelpen met de voorste kluiver?’ vraagt eerste stuurman Nathalie, een sterke Hollandse meid met zeebenen. Ik weet nauwelijks waar ik ben, laat staan waar de kluiver is, en volg haar naar de boegspriet. Balancerend in het net boven vrouwe Thalassa, het boegbeeld, maken we de voorste kluiver los. Matroos Alex is inmiddels de mast ingeklommen om de razeilen los te maken. En dan kan het getouwtrek beginnen. Er zit maar liefst zeven kilometer touw op deze barkentijn, waarmee de zeilen worden bediend.

‘Oké, ik heb drie man nodig om de fok op te zetten,’ roept Nathalie, terwijl ze een paar zoetwatermatrozen aanwijst. Alex heeft met zijn eigen team de tweede mast op zich genomen en na een half uur zijn alle zeventien zeilen gehesen. Nu gaan we brassen – het draaien van de ra’s waardoor we meer wind vangen. Langzaam begint het dek te hellen, trekken de zeilen strak en zetten we koers richting de Schotse Hebriden. Mijn armen voelen als lood en de biceps branden na deze inspanningen. Het is de prijs die je betaalt voor het echte avontuur. Overigens kan de bemanning het best zelf af, maar als ik op een zeilreis ben, moet ik ook meedoen. Samen met dertig gasten en vijf bemanningsleden zitten we op een echt tallship, een barkentijn met drie masten. Het is de eerste keer dat de Thalassa uit Harlingen van Belfast naar Galway vaart en we zullen de hele kustlijn verkennen.

Bij Port Ellen op het eiland Islay is de wind gaan liggen. De zon verdwijnt achter laaghangende bewolking en tegen de tijd dat we de haven invaren, begint het te motregenen. In het schemerlicht ziet het er troosteloos uit. De bevolking zit thuis bij de buis naast de knetterende turfgestookte kacheltjes en ik loop alleen op straat in de walm. Toch voel ik me thuis, dit is namelijk het eiland van mijn clan: de Macdonald’s. In de vorige eeuw vertrokken ze massaal naar Canada en de VS, en nu ben ik weer terug bij mijn roots.

Islay (spreek uit: Ailaa) op de Schotse Hebriden is echter vooral bekend bij de whiskyliefhebber. Het is het eiland van Bruichladdich, Ardbeg, Laphroaig, Bowmore en Bunnahabhain. Dit is het absolute Mekka voor Alex Moens, onze Vlaamse whisky-expert die speciaal daarvoor is gekomen. Hij kwam aan boord met twee kratten met wel dertig verschillende ‘single malts’... om te proeven. Alex neemt ons mee naar de Lagavulin Distillery. Wie van peaty whisky houdt, weet hoe belangrijk de turf is. Op een eiland zonder noemenswaardig bos houdt men zich warm met turf. De turf wordt ook gebruikt om het graan voor de whisky te malten, waardoor het specifieke rokerige aroma in de gouden godendrank komt. Wie op Islay is, moet dus ook een keertje turf steken. Iain McArthur, de storemaster van Lagavulin, neemt ons mee naar een zompig veld dat deint onder onze voeten. Behendig gebruikt hij zijn speciale turfschep en tovert het ene na het andere blok uit de drassige grond. Of ik het ook wil proberen? Tuurlijk. Mijn eerste poging valt met een plons in het water. De tweede breekt in de lucht doormidden, maar bij de derde poging komt het stuk volledig uit de grond. ‘En dat moet je dan op een dag nog 300 keer zo doen,’ lacht McArthur. ‘Maar als je het niet erg vindt, gaan we nu naar de stokerij.’

De toer langs de indrukwekkende metershoge koperen distilleerketels, eindigt natuurlijk in Iains domein: de opslag. Honderden eikenhouten vaten liggen hier in de schemering op stellingen te wachten tot de natuur zijn werk heeft gedaan. Met zijn zware Schotse accent en fonkelende ogen vertelt Iain over ‘zijn’ whisky’s, aangevuld met sappige anekdotes. ‘Als een man naar huis loopt, ruikt zijn vrouw het meteen, daarom zijn zij de beste fijnproevers, tenzij ze zelf ook iets naar binnen hebben getipt, dan ruiken ze helemaal niets meer!’ Op de vraag hoe lang een whisky goed blijft, reageert hij laconiek: ‘Veel langer dan wij.’ Hij heeft gelijk... met een lichte buzz in mijn hoofd arriveer ik terug op het schip. 

Rathlin Island is een rotsblok voor de Antrim Coast and Glens. Er wonen meer zeevogels en zeehonden dan mensen. Liam McFaul is een van de 120 inwoners van het eiland en heeft het vogelreservaat van de Royal Society for the Protection of Birds (RSPB) onder zijn hoede. McFaul is trots op zijn reservaat, dat de grootste zeevogelkolonie van Noord-Ierland huisvest. Hij gelooft zelfs dat de bijna uitgestorven kwartelkoning zal terugkomen en opnieuw zal voortplanten. We verlaten de nederzetting aan de haven en nemen het busje naar het reservaat. De chauffeur met twee-en-een halve tand denkt dat hij ook toergids is en begint een heel betoog in het lokale dialect, waar zelfs de meeste Ieren geen touw aan vast kunnen knopen.

Hoog op de rotsen, bij de vuurtoren, staat een aantal telescopen opgesteld. Enthousiaste vogelaars gaan uit hun dak als ze een paar papegaaiduikers spotten. Ik zie alleen meeuwen, maar dat blijken uiteindelijk stormvogels en zeekoeten te zijn. De RSPBvrijwilliger heeft geduld met me en als ik vertel dat ik vanochtend ben aangekomen op de barkentijn, roept ze enthousiast: ‘Oh leuk! We hebben vanochtend met bewondering staan kijken toen jullie onder ons langs voeren.’ Dit is niet de eerste reactie die we van de wal krijgen. Overal waar het schip ligt, trekken we bekijks. Een van de mannen aan boord heeft ook al in de pub ontdekt dat men het bere-interessant vindt. De pints en de vrouwen verzamelen zich sneller dan dat hij ze kan verorberen. De dag eindigt in de haven van Ballycastle waar het silhouet van de Thalassa magisch afsteekt tegen de zonsondergang waarbij de sluiers met zeemist om de rotsen hangen.

Na een paar dagen op zee heeft iedereen zeebenen gekregen. Maar het fenomeen werkt weer tegengesteld op het land. Ons buurmeisje van 15 jaar, Lily Joan, die samen met haar moeder de reis maakt, zegt op een gegeven moment: ‘Ik voel me altijd zo raar als ik weer aan land ben. Het voelt alsof ik me in een grote golf bevind en niet meer rechtdoor kan lopen!’

Aan land brengen we als eerste een bezoek aan Carrick-a-Rede, een enorme touwbrug over een kloof van dertig meter diep en twintig meter breed. De brug werd ooit gebouwd door zalmvissers, en later herbouwd voor wandelaars. Nu is het nog wel wiebelig, maar zeker veilig genoeg om overheen te klimmen. Sommige mensen zijn niet overtuigd en kijken huiverig toe. Uiteindelijk steekt toch iedereen over naar het eiland.

De echte wandeling begint pas in Ballintoy Harbour. Het is een afstand van 16 kilometer tot de Giant’s Causeway en daarmee is deze etappe van de Causeway Coastal Trail één van de spectaculairste kustwandelingen van Ierland. We lopen over kiezelstranden tussen scherpe rotsen met getijdenplaten en groen zeewier. Toevallig is het ook nog eens prachtig weer. We genieten volop van de zon, hoewel een zilt briesje op zijn plaats zou zijn. De route volgt de kustlijn en na een paar uur staan we hoog op de rotsen boven Dunseverick Castle. Veel meer dan een paar stenen staat er niet meer overeind van dit kasteel uit de 5de eeuw, waar St. Patrick ooit de man doopte die later bisschop van Ierland werd. Dunseverick werd meerdere keren verwoest. Eerst door de Vikingen en later nog eens in de middeleeuwen.

Net voor de Giant’s Causeway worden we overmand door een dikke zeemist. Er is gelukkig maar één pad dat leidt naar de beroemde rotsformaties, het eindpunt van onze wandeling. De Giant’s Causeway is een uniek geologisch fenomeen waarbij de gesmolten basalt als modder opdroogde in zeskantige zuilen, die vervolgens weer afbraken, waardoor de ‘Reuzentrappen’ zijn ontstaan. In de Ierse mythologie werd de Causeway gebouwd door de reus Finn McCool om zo te kunnen oversteken naar Schotland waar hij de reus Benandonner wilde bestrijden. Finn beseft echter dat deze veel te groot voor hem is en laat zich door zijn vrouw verkleden als baby. Als Benandonner hem ziet, redeneert hij dat als dit de baby is, zijn vader wel heel erg groot moet zijn. Hij vlucht terug naar Schotland en breekt de Causeway af. Afijn, dit soort legenden worden natuurlijk heel geloofwaardig in het land van whisky en Guinness. 

Volgende halte is Londonderry, dit jaar de culturele hoofdstad van het Verenigd Koninkrijk. Ook in deze haven krijgen we een warm welkom. Dit keer zelfs met een receptie in de Guildhall met de burgemeester. Het is tenslotte toch niet vaak dat een barkentijn Derry aandoet. Na een korte toespraak, waarbij de burgemeester zijn spijt betuigt dat de brug niet tachtig centimeter hoger was, drinken we een glas wijn. In de jaren ’80 en ’90 was Noord-Ierland het strijdtoneel van een bloedige sektarische strijd tussen de protestante loyalisten en katholieke republikeinen, een periode die in de volksmond wordt aangeduid als ‘The Troubles’. De Bogside van Londonderry werd in 1972 wereldnieuws toen de Britten dodelijk ingrepen tijdens een vreedzame mars voor de burgerrechten van katholieken. De dag zou bekend worden als ‘Bloody Sunday’.

Het volksverzet bewapende zich en The Bogside werd ongedoopt to ‘Free Derry’, een no-gogebied voor de politie en het leger. Nu de gewapende facties als de UDF en de IRA hun wapens hebben ingeleverd en het vredesproces voltooid lijkt, is de verbroedering tussen katholiek en protestant een aardig eind op weg en kunnen toeristen de wijk veilig bezoeken. Verschillende toeristische uitstapjes voeren langs de Bogside Inn, de plek waar IRA-kopstukken hun pint kwamen drinken. De kroeg heeft tegenwoordig weer ruiten en aan de muur hangen foto’s uit de tijd van The Troubles. Door de ramen zie ik de verschillende muurschilderingen, oude iconen van het voormalige strijdtoneel.

Alle gasten hebben na een week hun draai gevonden en iedereen heeft z’n plekje op het schip veroverd. Sommige slapen in hun kajuiten, anderen hangen op het dek, of lezen op hun gemak een boek in de comfortabele salon.

Jacob legt het schip stil. ‘We moeten even wat makrelen vangen voor het eten morgen,’ verklaart hij. De vislijnen gaan overboard en de ene na de andere makreel springt bijna letterlijk aan boord. We proberen het iets dieper en plotseling staat mijn lijn strak. Zit ik vast op de bodem? Ik trek hard en er komt beweging in. Langzaam komt het gewicht los van de bodem. Het is een enorme kabeljauw. Na een half uur hebben we genoeg voor 35 man en varen we verder. Alex heeft de rookoven voor de makreel al opgestookt als chef Jelle aan de slag gaat met de vis.

De bemanning van de Thalassa loodst ons door de nacht naar de diepwaterhaven van het plaatsje Killybegs in County Donegal. Donegal is het walhalla voor zeekajakkers en we hebben geluk: de zee is spiegelglad.

Niet iedereen heeft ervaring met kajakken, zo blijkt, en dus wordt de groep opgedeeld in drieën, elk met een eigen instructeur en een eigen tempo. Het is laagtij als ik mijn kajak door het groene zeewier duw in de baai van Port, de eerste slagen is altijd even wennen, maar algauw vind ik mijn ritme. We volgen gids Sean naar een waterval die van de hoge rotsen in zee stort. Duizenden jaren erosie hebben diepe zeegrotten uit het gesteente gesleten. De zee is glad en dus peddelen we door tunnels en bogen. Voor mijn boeg steekt een zeehond zijn kop op, hij kijkt net zo verbaasd als ik, om vervolgens het hazenpad te kiezen. De kliffen zijn hier niet zo hoog als de Slieve League, maar zeker niet minder spectaculair. Als ik omhoog kijk besef ik hoe klein we zijn in een kajak. Het waterpeil komt langzaam omhoog en op de terugweg zijn sommige grotten weer onder water verdwenen. Waar eerst rotsen waren, peddelen we nu door smalle kanalen tussen de stenen torens door. Kajakken is toch wel een van de mooiste manieren om een kustlijn de verkennen.

Het dek staat schuin en met een behoorlijk vaartje klieven we door de golven op weg naar Clare Island. De witte zeilen staan bol en de Nederlandse vlag wappert fier in de wind. In de 16de eeuw meedde de Engelse vloot het eiland omdat de kans groot was dat hun lading geroofd zou worden door een vrouwelijke piraat. Grace O’Malley kon zich niet schikken in de rol die vrouwen destijds speelden – vooral in de keuken. In plaats daarvan ging ze liever op jacht naar Engelse buit en verdeelde die onder de bevolking van het eiland. Ze was berucht en op een gegeven moment konden de Engelse heersers haar niet meer negeren: ze lanceerden een actie tegen haar rooftochten. De grond werd haar te heet onder de voeten en ze voer direct naar het hol van de leeuw: Buckingham Palace. Tijdens een audiëntie bij koningin Elisabeth konden de dames het dusdanig goed met elkaar vinden dat ze met een garantie van de koningin terugkeerde naar Clare Island waar ze sindsdien bekendstaat als de ‘Pirate Queen’.

Er stijgt een zwarte rookpluim op van het eiland. Thalassa is de eerste barkentijn die sinds de 16de eeuw het eiland aandoet, en dat moet volgens de eilanders gevierd worden. Met het vuur werden vriendschappelijke schepen binnengeloodst en vandaag worden we verwelkomd door een mini sail. Vissersbootjes, roeiboten en zeilboten puilen uit van de mensen. Ook de veerboot is uitgevaren om ons binnen te halen. Zelfs de bemanning van ons schip heeft het zo nog nooit meegemaakt. De eilanders zijn net zo vriendelijk en gastvrij als alle andere Ieren die we tijdens deze reis ontmoeten. De Guinness vloeit rijkelijk in de enige pub en er wordt tot diep in de nacht gedanst op de live muziek van een lokale band. 

Het mag een wonder heten dat de meeste gasten de volgende ochtend toch paraat staan voor een dag vol avontuur. Er wordt geklommen, geabseilt en ge-‘coasteerd’. Coasteering is een relatief nieuwe sport die lijkt op canyoning, maar het landschap bestaat in dit geval uit kliffen, zeewater en grotten. De meeste gasten zijn terughoudend bij het idee om van een klif af te springen, maar zodra de nieuwsgierigheid van een persoon de angst overwint, volgt de rest ook. Ingepakt in 11 millimeter neopreen en uitgerust met een helm, is iedereen klaar voor de uitdaging. Na de eerste voorzichtige sprong in zee wordt er al snel gezocht naar een hoger punt om vanaf te springen. Niet veel later duiken we keer op keer het koele water in.

Na deze uitdagende dag is het enthousiasme van de bewoners van Clare Island nog niet verdwenen. Als we om drie uur ’s nachts de trossen los gooien om koers te zetten richting Galway, krijgen we een serenade van een groep dronken kroegtijgers die ons vaarwel zingen.

De stad Galway mag gerust de culturele hoofdstad van West-Ierland genoemd worden. Het nachtleven bruist op Quay Street. Na twaalf dagen aan boord is het tijd om de wal op te zoeken.

Natuurlijk kunnen we de Trad on the Prom niet overslaan. Een avond met traditionele muziek en dans die niet onderdoet voor de wereldberoemde Riverdance. Dit is geen plat vermaak, maar een fantastische professionele voorstelling, waarbij we als gasten en bemanning van de Thalassa ook nog eens een vip-behandeling krijgen. De pubs van Quay Street puilen uit van de menigte die hier op zaterdagavond rondstruint. Door de open deuren klinken de klanken van live muziek en gelach. Wie hier in elke pub één pint drinkt, haalt het einde van de straat beslist niet.

Ik neem plaats op een kruk naast een oude baas die van zijn Guinness zit te genieten. Hij vraagt me waar ik vandaan kom. ‘I am on the tallship,’ zeg ik trots. Zijn kraaloogjes lichten op: ‘Welcome to Galway.’ Hij heft zijn glas.‘We have no strangers here, just friends we have not met yet.’

Lees meer