Kwam er echt minder kanker voor in de pre-industriële samenleving?

Het aantal kankergevallen in Groot-Brittannië voordat tabak en fabrieken hun intrede deden werd geschat op 1 procent van de bevolking. Maar uit een recent archeologisch onderzoek blijkt iets anders.

Gepubliceerd 18 mei 2021 14:10 CEST
Medieval Cancer- Painting of death

Op dit vijftiende-eeuwse Italiaanse fresco van een anonieme schilder staat ‘De triomf van de dood’ afgebeeld. Vaak wordt gedacht dat ziekte in de middeleeuwen drie oorzaken kende: infecties, ondervoeding en letsel door gevechten of ongevallen.

Foto van Art via Werner Forman Archive, Bridgeman Images

Naar verwachting krijgt ruim de helft van alle Britten op een bepaald moment in hun leven de diagnose kanker. Volgens eerder archeologisch onderzoek leed van de pre-industriële bewoners van het eiland slechts 1 procent aan die dodelijke ziekte.

Maar volgens een recent onderzoek is dat getal een grove onderschatting.

De studie werd gedaan onder leiding van Piers Mitchell, die zijn tijd verdeelt tussen het doen van paleopathologisch onderzoek voor de vakgroep archeologie van de Cambridge University en zijn werk als orthopedisch chirurg voor kankerpatiënten voor de National Health Service. Gezien zijn ervaringen met hedendaagse patiënten had Mitchell altijd al vraagtekens bij antropologisch onderzoek waaruit zou blijken dat het aantal kankergevallen in de pre-industriële Britse populatie veel lager lag dan tegenwoordig, wat grotendeels werd verklaard door een aanzienlijk kleinere hoeveelheid kankerverwekkende stoffen in de omgeving.

Pre-industrieel Groot-Brittannië was niet bepaald vrij van dergelijke stoffen: mensen dronken regelmatig alcohol, stonden binnenshuis bloot aan vervuilende stoffen door kachels die op hout of kolen brandden en liepen kans op celmutaties bij het ouder worden. Maar het risico op kanker steeg aanzienlijk toen kankerverwekkende stoffen als tabak (in de zestiende eeuw geïntroduceerd in Groot-Brittannië) en vervuiling door industriële activiteiten (begin achttiende eeuw) deel uit gingen maken van het dagelijks leven.

Enkele van de voor het onderzoek gebruikte stoffelijke overschotten waren afkomstig van middeleeuwse begraafplaatsen op het terrein van het voormalige ziekenhuis St. John the Evangelist in het Engelse Cambridge.

Foto van Cambridge Archaeological Unit, St John's College

Oppervlakkige waarneming

Eerdere onderzoeken naar de mate waarin kanker voorkwam in pre-industriële samenlevingen gingen meestal uit van de visuele waarneming van stoffelijke overschotten. Daarbij werd gekeken naar het kenmerkende letsel dat wijst op de aanwezigheid van bepaalde soorten kanker.

Volgens Mitchell is dat de oorzaak van het feit dat het aantal kankergevallen dat in het verleden plaatsvond wordt onderschat. Kanker begint meestal in zacht weefsel en wanneer de tumoren zich naar de botten uitzaaien, gebeurt dat vanuit het beenmerg. Onderzoek naar alleen de buitenkant van het bot geeft dus geen volledig beeld.

Voor een betere identificatie van mogelijke tumoren in oude stoffelijke overschotten maakten Mitchell en zijn team gebruik van CT-scans en röntgenfoto's, waarmee hij ook kanker opspoort in de botten van hedendaagse patiënten. De onderzoekers analyseerden zo 143 skeletten van volwassenen die afkomstig waren van zes middeleeuwse begraafplaatsen uit de omgeving van het Engelse Cambridge. Ze dateerden uit de periode tussen de zesde tot begin zestiende eeuw n.Chr.

Het aantal onderzochte personen was beperkt vanwege de kwaliteit van de beschikbare beenderen, vertelt Mitchell: ‘Wanneer je tussen de vijfhonderd en duizend jaar begraven ligt, vallen je botten meestal uit elkaar of ze raken beschadigd door de boomwortels of knaagdieren.’ Hij richtte zich op skeletten waarvan het bekken, de ruggenwervel en het dijbeen nog intact waren; in deze goed doorbloede gebieden komen botuitzaaiingen het vaakst voor.

De pijl wijst op kankerletsel in de ruggenwervel van een persoon die in de middeleeuwen leefde. De onderzoekers richtten zich op skeletten waarvan het bekken, de ruggenwervel en het dijbeen nog intact waren; in deze goed doorbloede gebieden komen botuitzaaiingen het vaakst voor.

Foto van Jenna Dittmar

Het team stelde de diagnose kanker alleen wanneer de beoordeling van Mitchell van zowel het CT- als het röntgenmateriaal overeen kwam met die van radioloog Alastair Littlewood van het Peterborough City Hospital. Door middel van deze tweeledige aanpak werden bijna alle skeletten uitgesloten. Het team stelde uiteindelijk kanker vast in de beenderen van vijf van de 143 onderzochte overledenen.

Maar daarmee is waarschijnlijk niet ieder geval van kanker in de onderzochte populatie ontdekt: in slechts een derde tot de helft van de hedendaagse sterfgevallen aan kanker is sprake van uitzaaiingen naar het bot, en in slechts zo'n 75% van de kankergevallen zijn bottumoren op CT-scans te zien. Extrapolatie van deze cijfers naar de onderzoeksresultaten van de middeleeuwse skeletten leidde ertoe dat de onderzoekers eropuit kwamen dat tussen de 9 en 14 procent van de pre-industriële Britten vermoedelijk kanker had. Dit getal ligt maar liefst tien keer zo hoog als de eerdere schatting van ongeveer 1 procent.

Omdat de mogelijkheid ontbrak om via bloedonderzoek of biopten andere ziekten uit te sluiten, was het niet met zekerheid vast te stellen dat alle gevallen van botletsel inderdaad het gevolg van kanker waren. Bovendien werd het onderzoek uitgevoerd op personen die afkomstig waren uit een beperkt geografisch gebied, waardoor het per sé representatief is voor heel middeleeuws Groot-Brittannië. Maar Cambridge was toentertijd een ‘heel gemiddeld’ Brits plaatsje, aldus Mitchell.

De gecompliceerde werkelijkheid over ziekte in het pre-industriële tijdperk

In het veertiende-eeuwse Europese handboek Tacuinum Sanitatis staan afbeeldingen voor de behandeling van bepaalde aandoeningen. Hier plukken vrouwen salie.

Foto van Art via Bridgeman Images

Volgens het veertiende-eeuwse handboek Tacuinum Sanitatis werden in de middeleeuwen zure appels geoogst voor de behandeling van ziekten.

Foto van Art via Bridgeman Images

Dit nieuwe onderzoek werpt een nieuw licht op het stereotype historische beeld van middeleeuwse ziekten, waarin standaard sprake is drie factoren: infecties, ondervoeding of letsel door oorlog of ongelukken.

‘Dit is een geweldige nieuwe stap in bioarcheologisch en paleopathologisch onderzoek,’ vindt bioarcheoloog Roselyn Campbell, die aan het hoofd staat van de Paleo-oncology Research Organization, een samenwerkingsverband van wetenschappers die onderzoek doen naar kanker in de oudheid. (Campbell was niet betrokken bij het nieuwe onderzoek.)

Hoewel archeologen steeds vaker gebruik kunnen maken van röntgenapparatuur, zijn ze volgens Campbell vanwege de kosten en logistieke problemen meestal niet in staat om CT-scans te maken. Ze hoopt dat die laatste technologie door meer van haar collega's zal worden ingezet.

‘Wetenschappers zijn pas enkele decennia serieus op zoek naar aanwijzingen voor kankergevallen in het verleden,’ vertelt ze. Ze waarschuwt dat het gevaarlijk is om op basis van één enkele studie grootschalige conclusies te trekken over de mate waarin kanker in het verleden voorkwam, maar wijst er ook op dat onderzoekers gebruik kunnen maken van de methoden van Mitchell om kankergevallen te onderzoeken in grotere onderzoeksgroepen en in grotere gebieden en over langere perioden.

Mitchell zelf is enorm enthousiast over de implicaties die het onderzoek heeft voor de hedendaagse geneeskunde. Wetenschappers weten dat kankerverwekkende stoffen als tabak en de uitstoot van fabrieken en auto's een negatief effect op onze gezondheid hebben. Maar wanneer bekend zou zijn in welke mate kanker voorkwam in de pre-industriële samenleving, kunnen onderzoekers in de toekomst mogelijk berekenen wat de invloed is van kankerverwekkende producten. ’Als klinisch medicus is het nuttig om enig inzicht te hebben in het verleden, om te zien of er sprake is van een bepaalde toename van het aantal kankergevallen. Wat is dan het effect van het weren van die kankerverwekkende stoffen?’ Naar zijn zeggen kan het onderzoek ook bijdragen aan meer kennis over niet-industriële kankerverwekkende factoren, zoals de straling van de zon, lood, binnenshuis gestookte kachels, virussen en parasieten.

Op deze middeleeuwse tarotkaart, Bekers drie, staat een arts aan het bed van een patiënt afgebeeld. Er werd algemeen aangenomen dat kanker in middeleeuws Europa weinig voorkwam.

Foto van Art via Bridgeman Images

Beide onderzoekers benadrukken dat niet ieder geval van kanker het gevolg is van kankerverwekkende stoffen als tabak of industriële vervuiling; ook leeftijd, genetische aanleg en toevallige celmutaties kunnen een rol spelen. ‘Als er geen enkele vervuiling meer zou zijn, en niemand meer zou roken, dan zou het aantal kankergevallen afnemen, maar de ziekte zou niet verdwenen zijn,’ aldus Mitchell. Toch zou de combinatie van paleopathologie en moderne geneeskunde ooit kunnen ‘helpen om te bepalen in welke mate bepaalde factoren het risico op kanker kunnen vergroten of verkleinen.’

En zelfs als dat niet zou lukken, dan is het nog steeds de moeite waard om onderzoek te blijven doen naar kanker in het verleden, stelt Campbell. ‘Er is altijd een bepaalde mate van onzekerheid, en dat is niet erg,’ zegt ze. ‘We moeten ons erbij neerleggen dat we niet altijd het definitieve antwoord hebben,’

Dit artikel werd oorspronkelijk in het Engels gepubliceerd op NationalGeographic.com

Lees meer

Ontdek Nat Geo

  • Dieren
  • Milieu
  • Geschiedenis en Cultuur
  • Wetenschap
  • Reizen
  • Fotografie
  • Ruimte
  • Video

Over ons

Abonnement

  • Abonneren
  • Schrijf je in
  • Shop
  • Disney+

Volg ons

  • Gebruiksvoorwaarden
  • Privacyverklaring
  • Cookiebeleid
Copyright © 1996-2015 National Geographic Society. Copyright © 2015-2017 National Geographic Partners, LLC. Alle rechten voorbehouden.