Marokko

Casablanca: De witte stad van Marokko

Het filmverleden van Casablanca is al een reis naar Marokko waard, maar de échte verrassing is de bruisende stad van nu. donderdag, 9 november

Door Olivi Stren
Foto's Van Sisse Brimberg & Cotton Coulson

Ik ben in een roman van F. Scott Fitzgerald beland. Die gedachte komt in me op wanneer we voor Hôtel et Spa Le Doge in Casablanca parkeren, een van de nieuwste onderkomens van de stad. Het is een woonblok uit de jaren dertig, met suites die werden ontworpen ter ere van bekende art-decofiguren – Fitzgerald, Colette, Coco Chanel, Jean Cocteau... De liftboy begeleidt mijn moeder en mij over het rode tapijt van een weidse trap naar de ‘Fritz Lang-kamer’, naar de regisseur van Metropolis (1927) en passend gedecoreerd met setlampen-op-statief en een fraai behang in filmrol-grijs. De liftboy zet onze koffers neer en zegt dan tegen m’n moeder: ‘Vous avez le ciel et la lumière du Maroc dans les yeux, Madame’ – ‘U heeft de lucht en het licht van Marokko in uw ogen, mevrouw.’ In de met lucht en licht gevulde ogen van mijn moeder wellen tranen op. Met de hand op de borst zegt ze: ‘Je suis Casablancaise. Et j’ai le Maroc dans mon coeur, Monsieur’ – ‘Ik ben van Casablanca en draag Marokko in mijn hart, meneer.’

Claude Stren, née Schétrit – mijn moeder – kwam in 1941 in een taxi in Casablanca ter wereld, een jaar voor de première van de filmklassieker Casablanca. Haar jeugdjaren zijn voor mij als een opwindende, tumultueuze rolprent. In de film met Humphrey Bogart en Ingrid Bergman – opgenomen in de Californische Burbank Studio’s – ging het om verlangen en verlies, en dat geldt ook voor het Casablanca van mijn moeder. Haar Marokko, dat ze vijftig jaar geleden om politieke en religieuze redenen ontvluchtte en waarnaar ze sindsdien heimwee heeft, wekte in mij een verlangen naar een groots en meeslepend leven.

Ik werd geboren in het ziekenhuis en groeide op in het veilige en welvarende Toronto. Daar droomde ik over de geboortestad van mijn moeder – over het scherpe licht, de blinkend witte gebouwen en de woelige Atlantische branding. Zo lang ik me kan herinneren, hadden mijn moeder en ik het over die gedroomde dag dat we naar Casablanca zouden reizen. Maar, bang als ze was dat de stad onherkenbaar veranderd zou zijn, lieten we het bij een vage fantasie – totdat mijn moeder 70 werd en we eindelijk vertrokken.

‘Ik ben bang voor wat de tijd heeft aangericht,’ vertrouwt ze me toe. Ik vertel haar maar niet dat ik ook nerveus ben. Zullen onze hooggespannen verwachtingen in teleurstelling uitmonden?

Vanaf het dakterras van ons hotel zie ik Casablanca voor ons liggen: stadswoningen uit de jaren ’30, met tropische daktuinen vol limoenbomen en planten genaamd filles de l’air (‘meisjes van de lucht’), en met minaretten, wijzend naar het overdreven blauw van de Marokkaanse hemel dat Henri Matisse zo inspireerde. Maar we zien ook morsige flats, waar Perzische tapijten over verroeste balkons hangen.

Toen de Fransen Marokko in 1912 tot protectoraat uitriepen, moest Casablanca het toppunt van koloniale beschaving worden: een kustjuweel van art deco en neo-Moorse architectuur. De Franse kolonie week in 1956 voor de onafhankelijkheid, en vandaag de dag heeft Casablanca een duidelijk ander karakter. Marokko’s grootste stad straalt de melancholie van vergane glorie uit, vergelijkbaar met die van Havana of Buenos Aires. Reizigers op zoek naar het mystieke, slangenbezwerende Marokko ‘doen’ de stad meestal in één avond, op weg naar de ‘koningssteden’ Marrakesh en Fez. Ook veel Marokkanen halen hun schouders op over ‘Casa’, stad van verkeersopstoppingen en big business.

Maar Mounir Kouhen, geboren in Casablanca en eigenaar van Hôtel Le Doge, behoort tot een groeiend aantal Marokkanen dat de architectuur – en de reputatie – van Casa wil herstellen. We spreken hem op het dakterras. ‘We wilden het artistieke leven van Casablanca terug,’ zegt hij. ‘Het kostte drie jaar om dit gebouw te renoveren en we vonden algauw de ziel ervan. Nu moeten we het beschermen.’ En, voegt hij eraan toe: ‘Casa is anders dan andere Marokkaanse steden. Het bruist hier van de energie.’ Hij wordt passend onderbroken door getoeter. ‘Dit is het New York van Marokko. Veel mensen weten niet dat Casa werd aanbeden door Jacques Brel, Édith Piaf...’

‘Dat is mijn Casablanca,’ zegt mijn moeder. ‘Ik ken niets anders.’

Op zoek naar het Casa van Brel en Piaf bezoeken we de Villa Zévaco, in de chique wijk Anfa. Met zijn spierwitte balkons en grote voortuin biedt het rond 1950 door de Frans-Marokkaanse architect Jean-François Zévaco ontworpen gebouw nu onderdak aan de banketbakkersketen Paul. De villa is nog altijd het soort glamoureuze buitenhuis waar Piaf had kunnen wonen, in de tijd dat ze de stad bezocht om bij haar grote liefde te zijn, de Algerijnse prijsvechter Marcel Cerdan. Cerdan stierf in oktober 1949 bij een vliegtuigongeluk. Over hun liefde schreef Piaf de tekst bij haar evergreen ‘Hymne à l’amour’.

We vragen om een van de gewilde tafeltjes op het met palmen en vetplanten versierde buitenterras – dé lunchplek voor Casa’s gegoede burgerij. Het ochtendlicht valt door een filter van zilveren olijfbomen. Naast ons verdiepen vrouwen met buitenmaats zonnebrillen, designtassen en make-up zich in hun BlackBerry’s, terwijl mannen in Adidas-trainingspakken en met glanzend haar van hun muntthee nippen en met hun iPads spelen. Ik neem binnen een kijkje: obers met witte mutsen zweven met dienbladen vol geroosterd stokbrood, olijfolie en honing over vloeren van zwart marmer.

Geïnspireerd door de modernistische pracht van de Villa Zévaco stel ik een trip naar de ‘art-decowijk’ van de stad voor. ‘Daar heb ik nog nooit van gehoord,’ zegt m’n moeder geïrriteerd. Haar onbekendheid met de wijk was – net als de vrouwen met de grote zonnebrillen – het zoveelste verraad, een zoveelste teken dat het leven in deze stad zónder haar verder was gegaan. ‘Ik wil die wijk graag zien,’ zegt ze, ‘maar eerst móet ik mijn flatgebouw zoeken. Mijn buurt. Zolang ik dat huis niet vind, kan ik niet functioneren.’ We proberen een taxi aan te houden. Nadat we ons een kwartier lang strategisch op straathoeken hebben opgesteld – Kouhens vergelijking met Manhattan is terecht –, hebben we beet en volgt een dollemansrit naar het stadscentrum. De buurt waar mijn moeder ronddartelde, het voormalige centrum van la nouvelle ville, blijkt de ‘art-decowijk’ te zijn. ‘Ik woonde in het hartje van de art-decowijk zonder het te weten!’ zegt m’n moeder opgetogen.

‘Het zal in die tijd zeker anders hebben geheten,’ zeg ik droogjes.

‘Welnee. Het was gewoon mijn buurt. Het was prachtig, maar ik vond het niets bijzonders; ik dacht dat alle wijken er zo uitzagen,’ zegt ze als we langs Au Petit Poucet lopen, het café waar de Franse schrijver Antoine de Saint-Exupéry zijn koffie dronk. De vliegenier die boeken schreef, maakte in de jaren twintig op zijn vluchten over de Sahara, naar Dakar in Senegal, vaak tussenstops in Casablanca. Het café herinnert mijn moeder aan een van haar geliefde Saint-Exupéry-citaten: ‘Je suis de mon enfance comme d’un pays’ – ‘Mijn jeugd is als een land waar ik vandaan kom.’

‘Dat ik het land van mijn jeugd niet kan vinden,’ vult ze aan, ‘is voor mij in zekere zin hetzelfde als dat ik mijn thuis, mijn zelf, niet kan vinden.’ Ik stel haar gerust: ‘We zullen het vinden.’

De hoofdstad van het ‘land van haar jeugd’ is de Boulevard de Paris, waar ze woonde. ‘Het was heel erg ‘op stand’,’ zegt m’n moeder, als het trotse meisje van toen. Maar haar familie was verre van rijk (als kind leed ze aan de Engelse ziekte, het gevolg van ondervoeding), dus moesten zij, haar ouders en haar zusje het doen met een kleine flat aan de achterkant van een chique woonblok. Aan deze Boulevard de Paris, ooit bruisend van de terrasjes en stalletjes met jambon-et-saucisson (ham en worstjes), droomde de jonge Claude van het échte Parijs.

‘Ik stelde me voor dat Parijs als Casablanca was – zonnig en mooi. Maar dan met paartjes op bankjes, en kinderen die papieren bootjes in de Tuilerieën laten drijven.’ Toen ze de Lichtstad met zijn grijze luchten en taaie motregen eindelijk bezocht, was ze teleurgesteld. ‘Ik dacht dat Parijs het paradijs was! Maar in Casablanca had ik het voor m’n neus.’

We komen al snel op de Boulevard de Paris, waar we ten minste een hoekje van dat paradijs hopen te vinden. Maar alleen in de herinnering was het een prachtstraat. ‘Dit kan hem niet zijn!’ roept mijn moeder bijna kwaad uit. ‘Wat is hij smal! Hij lijkt voor kabouters gemaakt! En hij was altijd zo smetteloos!’

Gebouwen die ooit in felblauwe en witte tinten straalden, zijn nu morsig en bladderen af. Sommige staan op instorten. We lopen driemaal langs het woonblok. Mijn moeder lijkt van haar à propos. Ze kan de wegwijzers van haar jeugd niet vinden. Ik vraag me af of deze trip wel zo’n goed idee was – het verleden herbeleven is niet echt een succesformule voor een reis.

Dan kijkt ze omhoog en slaakt een zucht: ‘Pharmacie Minuit!’ De apotheek stond een paar meter van haar huis.

‘De flat moet hier zijn. Ik wéét het.’ Ze heeft gelijk. Een paar meter verder staat het gebouw waar ze woonde, maar dan met andere huisnummers, in vervallen staat en met de kleur van uitlaatgas. We stappen een miniprovincie van haar jeugd binnen.

‘Herken je het?’ vraag ik.

‘Ja, maar vroeger werd het onderhouden,’ zegt ze.

Vroeger was de binnenplaats weelderig begroeid met wingerd, nu is hij kaal. Vroeger lagen er keurig groene bloembedjes, nu zijn ze bedekt met beton, als kindergraven.

‘Ik herinner me dat ik in die hoek van de binnenplaats stond, met m’n zus en ouders,’ herinnert m’n moeder zich de Tweede Wereldoorlog. ‘We waren bang dat de flat zou instorten tijdens bombardementen, dus bleven we buiten en zochten veiligheid bij elkaar. Het geluid van de wind in de wingerd maakte me bang, maar ik hield me flink. Ik wilde moedig zijn.’ Mijn moeder was drie jaar en kende amper haar eigen naam. Maar, zo weet ze, het met de nazi’s collaborerende Vichy-regime had de namen van haar en haar familie al op de lijst gezet van mensen die moesten worden gedeporteerd. En toen landden de Amerikanen in Casablanca.

‘Ik hoor de champagnekurken nog knallen,’ zegt ze over die gelukzalige nacht. ‘Soldaten in uniform, lang en knap, gaven ons speelgoedtanks en Herschey’schocolade.’ Ze zwijgt. ‘En Lewis uit Chicago, die bij ons was ingekwartierd, werd dolverliefd op m’n moeder. Iedereen overigens. Ze was knap.’

Later die middag bezoeken we de grandioze Hassan II-moskee. Hij staat op een landtong in zee, ter ere van het koranvers waarin staat dat Allahs troon boven het water verrijst. De bouw van de moskee werd begonnen onder koning Hassan II en was in 1993 voltooid. Zijn 210 meter hoge minaret is de hoogste ter wereld, en gedecoreerd met tegels in de kleuren van smaragd, saffier en toermalijn. We lopen onder marmerbogen door, langs fonteinen. Vervolgens zien we in het westen de vuurtoren ‘El Hank’, die zo gewoontjes is als de minaret magnifiek. Maar zijn onopvallendheid straalt grandeur uit, alsof hij alles heeft gezien en overleefd. Deze vuurtoren wees de Geallieerden de weg bij hun landing in Casablanca.

‘In tegenstelling tot mij is-ie geen spat veranderd. Geen rimpel,’ zegt m’n moeder als we op de kade zitten en naar de golven kijken die zich op de rotsen gooien. ‘Die vuurtoren heeft m’n leven gered.’

De volgende dag keren we terug om de art-decowijk nader te bekijken. We worden rondgeleid door kunsthistorica Florence Michel-Guilluy, die werkt voor de erfgoedstichting Casamémoire en al vijf jaar in Casablanca woont. ‘Casa is een architectonisch openluchttheater,’ zegt ze. ‘Bijzonder is niet alleen de variatie in stijlen, maar de samenhang ertussen. Deze stad moet je le nez en l’air verkennen.’ Dus lopen we met de neus in de lucht, de blik omhoog, langs de Cathédrale du Sacré-Coeur, een ‘slagroomtaart’ van een kerk, die in de jaren dertig verrees. ‘Wat Casablanca modern maakte, was de omgang met traditie,’ zegt Michel-Guilluy, en hij wijst op de minaretvormige torenspitsen.

We komen op de brede Place Mohammed V. ‘Hier vind je het beste uit Casa’s gouden eeuw,’ zegt Michel-Guilluy. We slenteren naar het aangrenzende Parc de la Ligue Arabe, met z’n hoge dadelpalmen, waar mijn en haar moeder rondliepen. Het park ligt tussen het hoofdpostkantoor uit 1918, met alle bogen en mozaïekenvan een Moors paleis, en de statige Banque al-Maghrib, met zijn uitbundig gebeeldhouwde façade. Het opmerkelijkst vind ik de details die je op gewone woonblokken ziet: façades met stenen schelpen, Mediterrane balkons, pauwen in groen en goud op smeedijzeren deuren...

Anita Leurent, die pas vanuit Frankrijk naar Casablanca is verhuisd, voegt zich bij ons. ‘In Casa ligt schoonheid niet voor het oprapen. Je moet er naar speuren, als een chercheur d’or, een goudzoeker. Dat maakt het zo spannend!’

We stoppen bij een stadspaleis uit de jaren dertig, met ramen die worden omlijst door gestuukt kantwerk. ‘Je ontdekt hier altijd wel een detail, een geheim,’ zegt Leurent.

De gouden tijd van Hollywood viel samen met die van Casablanca – een tijd van optimisten en levensgenieters, die van zon, zee en film leefden. In een stad die zó is verweven met zijn Hollywood- versie moeten bioscopen wel monumentaal zijn. De best bewaarde en spectaculairste is de Cinéma Rialto. Het pas opgeknapte Rialto staat symbool voor Casablanca’s herrijzenis. Op het terras van een naburig café drinken we muntthee. De plaatselijke gasten – sommige in spijkerbroek, andere in djellaba’s en op slippers of babouches – zitten in rotanstoelen onder plafondventilators die draaien met de snelheid van opstijgende sigarenrook. Men eet hier kipof lamstajine en drinkt ijskoud lokaal bier. Mijn moeder vertelt dat dit soort cafés voor de lunch geroosterde krekels serveerden – een delicatesse tijdens sprinkhanenplagen. Met Orangina.

Naast het café zie ik verkopers stomende slakken uit enorme ketels opscheppen, naast boekhandeltjes met luxe-edities van Franse klassieken. In al deze contrasten herken ik mijn moeder. Net als de stad is ze tegelijk Oost en West, een geheel van schurende fragmenten en levens. Ik kwam hier om haar geheime stad te ontdekken, maar ik verwachtte niet dat de stad haar zó duidelijk weerspiegelde. Ze valt méér samen met haar Casablanca dan ik had gedacht. Het kan een oergevoel zijn, maar ook ik voel een diepe verwantschap met het land, de kleuren, de smaken (alles is gegeurd met munt en koriander en sinaasappelwater) en zelfs het tempo, tegelijk levendig én loom. In dit Manhattan van Marokko haast men zich naar het café, om daarna de middag al theedrinkend te verdoen.

Op de laatste avond in Casablanca stuiten we bij toeval op die ene bar: Rick’s Café. Het is gevestigd in een oud herenhuis en ingebouwd in de muur van Casa’s medinawijk, die over de haven uitkijkt. Ik zie Arabische bogen, met kwastjes getrimde koperlampen en potpalmen. Wiegende Marokkaanse lantaarns laten hun flikkerende schaduwen op de witte muren vallen, terwijl een barman met donkerrode fez de cocktails mixt. Europese ambassadeurs nippen van hun champagne en storten zich op gouden heuvels van couscous. ‘Rick’ heet hier Kathy Kriger, die deze bar in 2004 opende. (Net als de Rick uit de film woont ze boven de zaak.)

‘Ik wilde de filmlegende in Casablanca weer tot leven brengen,’ vertelt ze. Kriger kwam hier in 1998 wonen, als zakenattaché op het Amerikaanse consulaat. ‘Ik werd verliefd op de architectuur hier,’ zegt ze. ‘Eén dag na 9/11 besloot ik mijn overheidsbaan op te zeggen en Rick’s te openen. Ik stopte er al m’n geld in. Maar mijn budget lag wel 50.000 dollar hoger dan in de film.’

Mijn moeder en ik bestellen twee pastis. Een viermansband zet Charles Trénets nummer ‘Que reste-t-il de nos amours’ in – ‘Wat blijft er van onze liefdes?’ Het nostalgische chanson, over vervlogen jeugd en jonge liefdes, zou Casa’s volkslied kunnen zijn, én de soundtrack bij mijn moeders zoektocht.

‘Ben je blij dat we zijn gegaan?’ vraag ik haar.

‘Ja,’ zegt ze. ‘Casa is aftandser en triester, maar ook mooier dan ik me herinner.’ Ze zwijgt en luistert naar de saxofonist met sneeuwwit haar die, zo hoor ik later, Édith Piaf begeleidde bij haar laatste concert in het Parijse Olympia.

Het is bijna middernacht als we Rick’s verlaten. Morgenvroeg vliegen we huiswaarts.

‘Ik wou dat ik een stukje Casa kon inpakken en naar Toronto kon meenemen,’ zegt m’n moeder, nu al met heimwee naar de stad die haar jonge leven zag beginnen – en dat op een moment dat haar leven grotendeels achter haar ligt.

‘Maar dat is toch niet nodig?’ zeg ik. ‘Jij neemt immers de lucht en het licht in je ogen mee?’

Lees meer