Met ‘voedselbosbouw’ verbeterden inheemse volken de natuur

Stukjes bos die lang geleden door inheemse stammen werden gerooid en bewerkt, leveren ook vandaag de dag nog meer voedsel voor mens en dier op dan het omringende bos.

Gepubliceerd 30 apr. 2021 16:09 CEST
coniferous-forest

In de wouden van British Columbia groeien op kleine stukken bos die ooit door inheemse stammen werden bewerkt nog altijd talloze verschillende eetbare en medicinale plantensoorten.

Foto van Frank Heuer, laif/Redux

Honderden jaren lang rooiden inheemse stammen kleine stukken bos in het midden van de dichte naaldwouden van wat nu British Columbia is. Daar plantten en oogstten ze voedselgewassen en ook bomen en planten met medicinale eigenschappen, waaronder soorten die van honderden kilometers ver waren aangevoerd. Hun ‘voedselbossen’ leverden een overdaad aan noten, vruchten en bessen op. Nadat de inheemse stammen aan het einde van de achttiende en in de negentiende eeuw door meerdere golven van Europese ziekten waren gedecimeerd, werden ze van hun land verdreven door Europese kolonisten en raakten hun weelderige en veelzijdige voedselbossen in vergetelheid.

Een paar jaar geleden ontving Chelsey Geralda Armstrong, etnobotanica aan de Simon Fraser University, een uitnodiging van ouderlingen van de First Nations (de inheemse Canadese volken) om te onderzoeken waarom er in verlaten dorpen langs de kust zoveel hazelnootbomen groeiden. De bomen gedijden ver van hun natuurlijke habitat (in het drogere binnenland) en leken misplaatst te zijn tussen de torenhoge ceders en hemlocksparren. Armstrong vermoedde dat ze te maken had met een ecosysteem dat door mensenhand was gecreëerd en zag dat het nog altijd goed gedijde, zonder enig onderhoud van buitenaf. Toen ze haar vermoedens aan de ouderlingen voorlegde, kreeg ze te horen dat hun voorouders eetbare en medicinale planten in de bossen hadden geplant.

Armstrong zocht een groepje collega’s bijeen om nader onderzoek te doen naar de ecologie van deze ‘voedselbosbouw’. In een nieuwe studie die deze week is gepubliceerd in het tijdschrift Ecology and Society, presenteert haar team een opmerkelijke vondst: na ruim een eeuw aan hun lot te zijn overgelaten, zijn de indiaanse voedselbossen in het Pacifische Noordwesten nog altijd beter in het aantrekken van bestuivers en zaden etende dieren en zijn ze ook soortenrijker dan de natuurlijke naaldwouden waardoor ze worden omringd.

“Toen we deze voedselbossen onderzochten, bleek dat ze het in feite beter doen dan de natuur, waardoor ze weerbaarder waren en meer biodiversiteit vertoonden. O ja, en ze voorzagen mensen ook nog van voedsel,” zegt Armstrong.

De nieuwe studie is mogelijk de eerste waarin precies is onderzocht hoe de ‘functionele diversiteit’ (de mate waarin een ecosysteem bruikbare gewassen oplevert) van een stuk bos met inheemse methoden kan worden verhoogd. Het onderzoek volgt op een reeks wetenschappelijke publicaties waaruit duidelijk wordt dat inheemse volken – zowel in het verleden als tegenwoordig – op het gebied van landgebruik vaak beter zijn in het behoud van biodiversiteit, het opslaan van koolstof en het genereren van andere ecologische diensten dan overheidsorganen en milieuorganisaties. Bovendien ontdekken wetenschappers dat het niet altijd beter is om ‘de natuur met rust te laten’ en dat de oorspronkelijke beheerders van een bepaald landschap vaak het best weten hoe dat landschap gedijt.

De inheemse volken zelf hebben dat al heel lang gezegd. Maar inheemse stammen die ooit in deze bossen en andere ecosystemen leefden en ze mede hebben vormgegeven, vonden weinig gehoor bij westerse wetenschappers. Steeds meer academici zetten nu vraagtekens bij die benadering en pleiten voor een herziening van de methoden die in de ecologie en het milieubehoud worden gebruikt – een herziening die volgens sommigen lang op zich heeft laten wachten.

De inheemse volken zelf hebben dat al heel lang gezegd. Maar inheemse stammen die ooit in deze bossen en andere ecosystemen leefden en ze mede hebben vormgegeven, vonden weinig gehoor bij westerse wetenschappers. Steeds meer academici zetten nu vraagtekens bij die benadering en pleiten voor een herziening van de methoden die in de ecologie en het milieubehoud worden gebruikt – een herziening die volgens sommigen lang op zich heeft laten wachten.

Luisteren naar mensen

De stukken bos die door Armstrong zijn bestudeerd, voorzagen de dorpen van de oorspronkelijke bewoners ooit van voedsel en geneesmiddelen, onder meer afkomstig van planten die van ver waren aangevoerd. “Van oudsher was het heel belangrijk om op één plek over alle mogelijke hulpbronnen te beschikken,” zegt Willie Charlie, voormalig stamhoofd van de Sts’ailes Nation, een groep van de Kust-Salish, en nu medewerker van die gemeenschap. “Als je dat allemaal in jouw familie aanwezig had, was je vrijwel zelfvoorzienend.”

Armstrong en haar team onderzochten in het zuiden en centrum van British Columbia twaalf voedselbossen die elk tussen de honderd vierkante meter (de oppervlakte van een tennisbaan) en één vierkante kilometer (ter grootte van een dorp) besloegen. Deze bewerkte stukken bos zijn open en zonnige plekken te midden van dichte en schaduwrijke naaldwouden die ook veel bladverliezende bomen en heesters bevatten.

De onderzoekers bakenden rechthoekige arealen in zowel de voedselbossen als het aangrenzende woud af, waarna ze binnen de arealen het aantal plantensoorten telden, vastlegden hoe deze werden bestoven en keken naar de zaden die ze produceerden en naar andere factoren.

Vergeleken met het omringende woud telden de voedselbossen circa 1,3-maal zoveel plantensoorten en 1,5-maal zoveel planten waarvan de zaden door dieren werden verspreid. De planten in de voedselbossen produceerden zaden die gemiddeld tweemaal zo groot waren als die in de woudgedeelten, waardoor de voedselbossen veel meer voedsel voor dieren opleverden – en dus een hogere functionele diversiteit hadden. Hazelnoten, vruchtdragende heesters als cranberry en vlierbes, en eetbare planten in de ondergroei, zoals mansoor en rijstlelie, gedijden allemaal beter in de stukken voedselbos dan in de omringende naaldwouden, die door hun overvloed aan coniferen minder voedsel voor mens en dier produceren.

“Functionele diversiteit is nu een veelbesproken thema in de ecologie,” zegt Miller. Veel ecologen beschouwen het als een beter criterium voor de gezondheid en weerbaarheid van een ecosysteem  dan het simpelweg tellen van het aantal soorten, een methode die in conventionele biometrica wordt gebruikt. Miller en Armstrong vermoeden dat die weerbaarheid de reden is dat voedselbossen zo lange tijd zonder enig onderhoud van buiten bewaard zijn gebleven.

De afwijkende gegevens van de stukjes voedselbos leken ook te wijzen op iets wat van groot belang was voor de inheemse stammen die er leefden. Ouderlingen vertelden Armstrong dat de voedselbossen meer dieren voedden dan het omringende bos omdat zij wisten dat het wegens de overdaad aan wild “de beste plekken om te jagen” waren.

Uit het onderzoek bleek dat “mensen een cruciaal onderdeel van de ecologie vormen,” zegt Tony Marks-Block, een antropoloog van de California State University in East Bay die niet bij de nieuwe studie was betrokken. “Het buitensluiten van mensen is dus niet goed voor het herstel van het land.”

Volgens Armstrong is de publicatie van de studie nog maar een eerste stap in een herleving van de gewasverbouwmethoden van de First Nations. “Het doel is om hetgeen we hebben opgestoken nu te gaan toepassen, zodat we dit soort voedselbossen in ere kunnen herstellen” en inheemse gemeenschappen kunnen helpen ze opnieuw te gebruiken, zegt zij.

Met dat doel werkt Charlie aan het aanleggen van bospaden naar de voedselbossen en probeert (vooral jonge) dorpsbewoners te betrekken bij het hernieuwde gebruik en onderhoud van deze stukjes bos. Volgens hem kunnen studies als die van Armstrong daaraan een bijdrage leveren.

“Oude mensen geloven pas iets als ze het van iemand horen, jonge mensen geloven pas iets als ze het zwart op wit zien,” zegt hij.

Idealisering van ongerepte natuur?

De kloof tussen inheemse kennis en westerse wetenschap heeft een lange geschiedenis. Tegen de tijd dat de ecologie tot een academische discipline uitgroeide, in de vroege negentiende eeuw, hadden Europese kolonisten overal ter wereld talloze inheemse stammen van hun oorspronkelijke grondgebied verdrongen. Dus werden deze landschappen vaak als ‘natuurlijk’ en ‘ongerept’ geïnterpreteerd, terwijl ze in werkelijkheid gedurende lange tijd zorgvuldig door de lokale bevolking waren beheerd.

Het uitwissen van het traditionele landgebruik van inheemse volken sloot aan op de benadering van ‘vestingbehoud’, dat inhield dat een natuurgebied alleen beschermd kon worden als de mens uit dat ecosysteem werd geweerd. Een bekend voorbeeld daarvan is het Yosemite National Park, dat onder meer werd gevormd door de uitzetting van de inheemse bevolking.

“In de milieubeweging hebben we de sterke neiging om ‘antropogeen’ [door mensenhanden gecreëerd] als synoniem voor iets slechts te beschouwen,” zegt Miller. “We negeren vaak het indiaans-Amerikaanse beheer van het landschap.”

In de jaren zestig en zeventig, toen indiaans-Amerikaanse groepen in de VS weer een mate van zelfbeschikking bevochten, meenden veel van deze gemeenschappen dat ze het recht hadden om het land waarop ze ooit hadden geleefd volgens traditionele methoden te beheren.

Op basis van de kennis en ervaring van Noord-Californische inheemse stammen wordt een stuk bos in Weitchpec, Californië, doelbewust afgebrand.

Foto van Alexandra Hootnick, Guardian/eyevine

Dat strookte vaak niet met plaatselijk of federaal beleid en evenmin met wetenschappelijke opvattingen. Zo was het vanwege het brandbestrijdingsbeleid, dat berustte op inzichten van de gevestigde wetenschap, voor indiaans-Amerikaanse gemeenschappen vrijwel onmogelijk om stukken land voor ecologische of culturele doeleinden af te branden. In haar boek Braiding Sweetgrass (2013) schrijft ecologe Robin Wall Kimmerer, lid van de Potawatomi Nation, dat toen zij in de jaren zeventig plantkunde aan het College of Environmental Science and Forestry van de State University of New York ging studeren, ze een academisch establishment aantrof dat niet openstond voor de rol van traditionele ecologische kennis en ervaring of de wederzijds voordelige wisselwerkingen tussen mens en dier.

“Ecologen wilden ‘natuurlijke’ systemen onderzoeken, die zij definieerden als systemen waaruit de mens was verdwenen, dus probeerden ze gebieden te vinden waar geen mensen woonden,” zegt Don Waller, emeritus-professor in de ecologie aan de University of Madison-Wisconsin. Ook Waller begon zijn academische carrière in die periode.

Maar toen uit allerlei ontdekkingen bleek dat zelfs het ogenschijnlijk zo ongerepte regenwoud van het Amazonegebied in werkelijkheid gedurende millennia grondig was beïnvloed door de mens, begonnen wetenschappers anders over deze kwestie te denken. In recente tijden heeft de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties ruim driehonderd eerdere wetenschappelijke studies geanalyseerd en daarbij ontdekt dat bosgebieden in Latijns-Amerika die door inheemse groepen werden beheerd, minder zijn aangetast door ontbossing en meer koolstof opslaan dan andere stukken bos en beschermd natuurgebied. Een andere studie, uit 2019, toonde aan dat inheems grondgebied in Australië, Brazilië en Canada een ongeveer even hoge biodiversiteit wat betreft gewervelde dieren vertoonde dan natuurgebied dat door overheden werden beschermd.

En afgelopen week nog kwamen onderzoekers tot de slotsom dat inheemse volken duizenden jaren lang driekwart van de landmassa op aarde hebben bewoond en vormgegeven, maar dat het verlies aan biodiversiteit in deze gebieden pas begon na de wereldwijde kolonisatie.

In de jaren tachtig viel Wallers oog op een uitzonderlijk stuk bos dat behoorde tot de Menominee Nation in het noordoosten van Wisconsin. Het overwegend rechthoekige stuk bos van zo’n anderhalve vierkante kilometer was zó dicht en groen dat het duidelijk op satellietbeelden was te herkennen. Sinds de negentiende eeuw had de stam hier hout gekapt, maar niet sneller dan dat de bomen weer aangroeiden. In 1992 werd dit stuk woud als eerste duurzame bos in de VS gecertificeerd.

Met toestemming van de Menominee Nation begon Waller ecologische gegevens over het bosreservaat en andere stukken bos in de staat te vergaren. In een studie die in 2018 verscheen, keken Waller en een medeauteur naar vijf ecologische maatstaven van de dichtheid en gezondheid van bosgebieden en ontdekten dat bossen in Wisconsin die door Menominee- en Ojibwe-indianen werden beheerd, beter of evengoed ‘presteerden’ dan andere wouden in Wisconsin, waaronder die van de US Forest Service en de National Park Service. Tot de vijf criteria die ze hadden onderzocht, behoorden het aantal zaailingen van bomen, de plantendiversiteit van de ondergroei en de dichtheid van de hertenpopulatie (die weinig afweek van de historische dichtheid).

Zwart op wit

Een nieuwe generatie ecologen en antropologen verdiept zich inmiddels niet langer alleen maar in de vraag in hoeverre de mens ecosystemen kan beschadigen maar ook hoe hij die kan verbeteren. Enkele jaren geleden werkte Marks-Block samen met de inheemse bosbouwecoloog Frank Lake van de US Forest Service, waarbij ze keken naar de uitwerking van bosbranden op hazelaars in het noorden van Californië, waar branden doelbewust worden gelegd door leden van de Yurok- en Karuk-stammen, die de hazelnoten als een belangrijke voedselbron beschouwen en hazelaarhout voor hun traditionele mandvlechterij gebruiken.

In februari van dit jaar berichtte het team dat stukken bos die door traditioneel gelegde branden waren beïnvloed dertienmaal zoveel hazelaarstammen telden als stukken bos die niet in brand waren gestoken; de stammen die door de mandenmakers werden gebruikt, zorgden ervoor dat de stamleden bijna viermaal minder ver hoefden te lopen om het hout te oogsten.

Afgezien van de hazelaar gebruiken de inheemse volken gerichte branden ook voor de vernuftige rotatie van eikenbomen. Daarbij worden de bomen op het juiste tijdstip in brand gezet om insecten te verdelgen die de eikels vaak aantasten en oneetbaar maken, zegt Bill Tripp, directeur natuurlijke hulpbronnen van de Karuk-stam. Sinds de tijd dat deze brandmethoden werden onderdrukt, in de late negentiende eeuw, is de meeste eikensavanne verdrongen door coniferen als de Douglas-spar, waardoor het landschap in het algemeen minder soortenrijk is en minder eetbare planten produceert.

Bevindingen van studies als die van Marks-Block bevestigen vaak wat inheemse volken al uit eigen ervaring en praktijk wisten, maar dat wil niet zeggen dat deze studies niet zinvol zijn, zegt Tripp.

“We wisten wat de uitslag zou zijn,” zegt hij. “Maar niemand luistert daarnaar als we het niet zwart op wit zetten.”

De mogelijkheid om naar wetenschappelijk onderzoek te verwijzen is des te belangrijker omdat inheemse groepen hun rechten steeds vaker opeisen, vooral wat betreft ‘afgestaan grondgebied’ waar ze naar eigen zeggen nog altijd aanspraak op maken. Zo eisen de Karuks meer brandrechten op grondgebied van de US Forest Service, terwijl de naburige Yuroks ernaar streven om in samenwerking met de National Park Service gecontroleerde branden te leggen in het Redwood National Park. Nu Deb Haaland onlangs als eerste indiaans-Amerikaanse minister van Binnenlandse Zaken van de VS is benoemd, zijn inheemse leiders voorzichtig optimistisch over de kans op verandering.

Maar in andere staten blijft er een kloof gapen tussen het overheidsbeleid en de beschikbare inheemse kennis en ervaring. Zo gaf de staat Wisconsin dit voorjaar toestemming voor een wolvenjacht, waartegen door wetenschappers en stamleden was geprotesteerd.

“Mensen buiten de indiaanse gemeenschap denken vaak dat veel van onze standpunten uit onze cultuur voortkomen. Maar ik denk dat ze juist beter stroken met de wetenschap dan het wereldbeeld van niet-indiaanse mensen,” zegt Peter David, wildbioloog van de Great Lakes Indian Fish and Wildlife Commission, waarin elf Ojibwe-stammen uit het Amerikaanse Midwesten zijn vertegenwoordigd.

“Volgens het wereldbeeld van de inheemse volkeren moeten wolven hun eigen populatiedichtheid bepalen en doen ze dat door zeer kleine populaties te onderhouden. Dat strookt veel beter met wetenschappelijke inzichten.”

Ondanks het feit dat wetenschap en inheemse kennis steeds verder naar elkaar toegroeien, ligt er volgens Waller nog werk voor academici. “Ik zou graag zien dat bosbouwscholen hun studenten als onderdeel van hun opleiding naar bijvoorbeeld de bossen van de Menominee sturen,” zegt hij. “Ik zou willen dat ecologen in opleiding de optie hebben om het vak etnobotanie of traditionele inheemse ecologie te volgen.”

Dit artikel werd oorspronkelijk in het Engels gepubliceerd op NationalGeographic.com

Lees meer

Ontdek Nat Geo

  • Dieren
  • Milieu
  • Geschiedenis en Cultuur
  • Wetenschap
  • Reizen
  • Fotografie
  • Ruimte
  • Video

Over ons

Abonnement

  • Abonneren
  • Schrijf je in
  • Shop
  • Disney+

Volg ons

  • Gebruiksvoorwaarden
  • Privacyverklaring
  • Cookiebeleid
Copyright © 1996-2015 National Geographic Society. Copyright © 2015-2017 National Geographic Partners, LLC. Alle rechten voorbehouden.