Namibië

Namibië: Land van ruimte

Het Sperrgebiet in Namibië was honderd jaar lang alleen toegankelijk voor diamantdelvers. Daardoor is het landschap sinds 1908 vrijwel ongerept gebleven. donderdag, 9 november

Door Chris Eckstrom
Foto's Van Frans Lanting

‘Gewoon recht naar beneden rijden,’ zegt Volker Jahnke. Zijn stem klinkt gruizig door de mobilofoon. ‘Niet stoppen en niet slingeren,’ waarschuwt hij, ‘anders rol je als een meloen omlaag.’ Ik zit in een terreinwagen boven op een zandduin zo hoog als een wolkenkrabber en ik moet naar beneden. Ik tuur naar de helling en naar Jahnkes Land Cruiser, die in de diepte wel een dinky toy lijkt. Om me heen zie ik gouden duinen zover ik kan kijken, alsof ik in een scène uit Lawrence of Arabia ben beland. Maar dit is Namibië, in het zuidwesten van Afrika, op dag twee van een zevendaagse offroadexpeditie door het Sperrgebiet, een streek die bijna 100 jaar lang verboden terrein is geweest vanwege een diamantconcessie van De Beers. Sinds een paar jaar is het een exclusief nationaal park, waar maar één groep tegelijk wordt toegelaten.

Volker Jahnke van Desert Magic Tour is een van de weinige touroperators die met zijn klanten in dit vrijwel onverkende gebied mogen komen. Op dit moment zijn wij – Jahnke, zijn twee chauffeurs, fotograaf Frans Lanting en ik – de enige mensen in deze maagdelijke zandzee van 26.000 vierkante kilometer. Zeven dagen lang hebben wij dit stuk Afrika praktisch voor onszelf.

Namibië is een land van ruimte. Je vindt er overweldigende landschappen van een surrealistische schoonheid in een land met de omvang van Turkije en een bevolking van amper twee miljoen zielen. Die bevolkingsdichtheid van tweeënhalve mens per vierkante kilometer is een van de oorzaken van de rust en vrijheid die je hier aantreft. Dit is een van de zeldzame plekken in Afrika waar je naar de hoofdstad kunt vliegen (in dit geval Windhoek) om op eigen houtje met een gehuurde terreinwagen het land te verkennen.

Reizen is hier een makkie, en nog relatief veilig ook. Ik was voor het eerst in Namibië in 1989, een half jaar voordat het onafhankelijk werd van buurland Zuid- Afrika. De buitenwereld hield het hart vast voor de toekomst, maar de mensen die ik hier sprak waren optimistisch. Zoals de VN-soldaten die op safari waren in nationaal park Etosha. Dat was geen enkel probleem, legde een Egyptische blauwhelm uit: ‘Het is hier zo vredig dat we praktisch niets te doen hebben.’ Vredig bleef het terwijl de Namibiërs hun lot in eigen hand namen en als eerste natie ter wereld de bescherming van het milieu en het behoud van de natuurlijke rijkdommen in hun grondwet vastlegden. Nu ik hier terug ben, tref ik een nog altijd jong land aan – pas 21 jaar oud – dat zijn unieke geschiedenis en zijn ruige grondgebied te gelde weet te maken door middel van duurzaam toerisme.

‘In z’n één, 4H, en gáán,’ zegt Jahnke, en dan rij ik voor mijn gevoel in duikvlucht het duin af. Ik knal bijna met mijn hoofd tegen de voorruit. Het zand golft over de motorkap, en in mijn kielzog ontstaat een grommende lawine. ‘Voorzichtig remmen!’ roept Jahnke door de radio over het gebulder van het zand heen. ‘En dan plankgas het volgende duin op!’

Jahnke, een potige Namibiër van Duitse komaf, weet hoe hij moet navigeren in dit spectaculaire land. We zijn in een uithoek van de Namibwoestijn, die zich over een lengte van bijna 2000 kilometer langs de Atlantische kust uitstrekt. Het moet de oudste woestijn ter wereld te zijn, met de hoogste zandduinen (van wel 350 meter). Hoewel Jahnke hier al bijna tien jaar offroad-expedities organiseert, is hij een fervent natuurbeschermer.

‘Ik heb eens een groep weggestuurd die ik een Jägermeisterfles het raam uit zag gooien,’ vertelt hij. ‘Ik heb ze een dag in de stad laten nadenken of ze wilden terugkomen, op mijn voorwaarden.’

‘Strandwolf ’ heeft Jahnke zijn Landcruiser genoemd, naar de schuwe bruine hyena die zijn jachtterrein heeft in de duinen en langs de zee. Terwijl we een slingerende route door het duingebied rijden, vertelt hij verhalen over de veerkracht van de natuur. ‘De dieren hier – struisvogels, spiesbokken, springbokken – moeten het zonder drinkwater doen,’ zegt hij. ‘Als het mist, gaan de woestijnkevers op hun kop op de duintoppen staan om de dauwdruppeltjes op te vangen met hun bek. En als het heel koud is, gaan de jakhalzen plat op het strand liggen tot er een deken van zand op hun vacht gewaaid is, voor de warmte. Dan steekt alleen hun neus nog uit het zand.’ Lachend schudt hij zijn hoofd. ‘Dat is Afrika! Aanpassen of sterven!’

Een andere natuurkracht verplaatste diamanten van Zuid-Afrika naar Namibië. Honderd miljoen jaar lang transporteerde de Oranjerivier, tegenwoordig de grens tussen de twee landen, de stenen naar zee. Vanaf de monding van de rivier spoelden ze met de ijskoude Benguelastroom uit Antarctica mee langs de kust naar het noorden, en in 1908 werden de eerste diamantafzettingen gevonden bij Lüderitz, het stadje waar Jahnke woont. ‘Op sommige plekken lagen de diamanten gewoon op de grond,’ vertelt hij. ‘De delvers hoefden ze maar op te rapen.’

In zekere zin waren diamanten the desert’s best friend: een paar maanden na de ontdekking werd bijna de helft van de Namibische kuststrook, over een lengte van 725 kilometer vanaf de grens met Zuid-Afrika, tot verboden terrein verklaard. Behalve de diamantdelvers kwam er geen mens in. En doordat de zone 100 kilometer breed was, is het woestijngebied sinds 1908 praktisch onaangetast gebleven. Nog steeds komt er vrijwel niemand.

Als we op de ondergaande zon af rijden, ruiken we de zee. Vanaf de laatste top is het uitzicht fenomenaal: imposante duinen die steil naar de woeste golven van de Atlantische Oceaan afhellen, donkerblauw water dat tegen goudkleurig zand klotst. We rijden naar het strand en slaan ons kamp op in een beschutte kuil, met onze wagens in een kring eromheen. Ik val in slaap bij het gebulder van de branding. Vannacht staan alle diamanten aan de hemel.

‘Moet je horen,’ zegt natuurkenner Abisai Angula. ‘Dat zijn de vleugels.’ We staan in een natuurlijk amfitheater waar zo’n diepe stilte heerst dat die al doorbroken wordt door het suizen van de lucht tussen de veren van twee overvliegende kraaien. Het is een prachtige juliochtend in het hoogseizoen, en toch is hier verder niemand. We zijn vanuit het Sperrgebiet naar de Sossusvlei gereden, een gebied met wit uitgeslagen zoutpannen omringd door machtige duinen, de hoogste van het land. Ik loop hier met Angula, een jonge gids van de nabijgelegen Kulala Desert Lodge, die een eigen toegangspoort naar de woestijn heeft, waardoor we de grote bubs ruim voor zijn.

‘Lang geleden zijn de San, of de Bosjesmannen, langs de rivier hier naartoe gekomen,’ vertelt Angula. ‘Het barstte hier toen van de planten en dieren. Ze noemden dit Sossusvlei, “verzamelplaats van water”.’ Maar de rivier verlegde haar loop, en in de Deadvlei, de zoutpan waar we nu zijn, resten alleen nog de geraamtes van kameeldoornbomen. De bomen zijn volgens koolstofonderzoek 600 tot 900 jaar oud, zegt Angula, en te droog om te kunnen vergaan: monumenten van de kracht van het water – en van het gebrek eraan.

Angula kreeg zijn kennis van de natuur met de paplepel ingegoten. Als jongen moest hij vee hoeden in een gebied met veel leeuwen, jachtluipaarden, olifanten en neushoorns. Toen Namibië onafhankelijk werd, ging hij terug naar school, en daarna kreeg hij een baan bij Wilderness Safaris, een touroperator die met lokale mensen werkt en de gemeenschap in de winst laat meedelen. Angula werkte zich op van klusjesman tot gids en liet zich bijscholen in astronomie, geologie en andere vakken. Wilderness Safaris is een van de bedrijven in de toeristenbranche die armoedebestrijding en milieubehoud koppelen aan een authentieke reiservaring voor de klant.

Er verschijnen steeds meer toeristen op de hellingen van de duinen. Ze strompelen langzaam naarde top, maar eenmaal boven valt alle vermoeidheid van ze af. Sommige mensen hollen lachend en joelend de heuvel af, anderen gaan buitelend, glijdend of zwaaiend met hun armen en benen naar beneden – iedereen in zijn eigen lawine van abrikooskleurig zand.

De meeste toeristen zijn weer weg als ik in de avondschemering naar de zoutpan loop waarnaar Sossusvlei genoemd is. Net als de Deadvlei ligt ook deze zoutpan in een kroon van duinen, maar hier is meer leven: bosschages van narastruiken en sappig groene kameeldoornbomen. Hier moet ergens water in de bodem zitten. Ik ga midden in de vlakte op de grond zitten, en als de laatste wagen is vertrokken, treedt de avondploeg aan. Eerst zie ik springbokken – drie, zes en uiteindelijk wel tien – die aan de narastruiken komen snuffelen. Dan twee spiesbokken en drie struisvogels met schuddende veren. Een jakhals trippelt voorbij, bonte kraaien passeren in glijvlucht, en net als ik wegga en het laatste licht verdwijnt, strijkt er een bleke zanghavik op een duinhelling neer, rondspiedend naar een prooi.

‘Wegwezen,’ zegt Conrad Brain, en hij stuurt de Cessna in een bocht over de duinen. Terwijl we cirkelend opstijgen, zie ik waarom: uit de verte komt een zandstorm op Sossusvlei afstuiven. Vliegen is een mooie manier om de lange afstanden te overbruggen en tegelijk inzicht te krijgen in de krachten die het land hebben gevormd. Brain, die door iedereen ‘Nad’ wordt genoemd, is opgegroeid in Zuid-Afrika, waar hij als kind naar menselijke fossielen zocht met zijn vader, de gerenommeerde paleontoloog Bob Brain. Hij studeerde af op zijn onderzoek naar woestijnbavianen, die van alle niet-menselijke primaten in de extreemste omgeving leven: de Kuisebkloof ten noorden van de Sossusvlei. ‘Daar kan het zo’n 50 graden worden,’ vertelt Nad, ‘en toch kunnen die bavianen wel 117 dagen zonder water.’

Gebrek aan regen is in heel Namibië een probleem. Vanuit de lucht zijn de patronen duidelijk zichtbaar: in de kuststrook zoeken kronkelende rivieren zich door duingebieden en zongeblakerde vlakten een weg naar zee. Ook al staan ze het grootste deel van het jaar droog, of zelfs jaren achtereen, ze vormen cruciale corridors voor de dieren die tussen het binnenland en de koele Atlantische kust heen en weer trekken. Ook de zee vormt een levensader, in de vorm van de mist die van het water opstijgt en naar het binnenland drijft. Er zijn jaren dat mist de enige neerslag vormt in de woestijn, dat de dieren geen ander vocht krijgen.

Als we naar het zuidoosten vliegen, zien we tussen de grote zandzee en de centrale hooglanden vuurrode duingebieden en blonde grasvlakten liggen, afgewisseld met paarsgrijze bergketens. ‘Dit is NamibRand,’ zegt Nad met een brede zwaai van zijn arm. Wat nu een van de grootste particuliere natuurreservaten van Afrika is, met een oppervlakte van zo’n 2000 vierkante kilometer, begon als de droom van Albi Brückner. ‘Hij kocht het eerste stuk grond voor de prijs van een tweedehands Volkswagen Kever,’ vertelt Nad. ‘Hou je vast,’ zegt hij dan. Hotseklotsend vliegen we met de oostenwind mee tot we een luchtstroom te pakken hebben waarop we een zachte landing kunnen maken.

De genadeloze wind moet heel wat potentiële nieuwkomers in Namibië hebben afgeschrikt. Maar niet Albi Brückner, een Namibische zakenman met een vooruitziende blik. ‘Ik was ondersteboven van het landschap,’ vertelde hij toen ik bij hem thuis was in Windhoek. Vanuit zijn luie stoel blikte de witharige Brückner terug op de jaren zestig, toen hij voor het eerst in het huidige reservaat kwam. Destijds was de schrale grond in bezit van 13 Afrikaner schapenboeren, van wie sommigen hun perceel als beloning hadden gekregen omdat ze tijdens de Tweede Wereldoorlog in Noord- Afrika hadden meegevochten tegen de Duitsers. De boeren hadden de wilde dieren verjaagd en hekken om de grond gezet, maar zelfs in goede jaren was de bodem niet echt geschikt voor de schapen. Toen in de jaren tachtig de droogte toesloeg, gingen de bedrijven over de kop. Op dat moment zag Brückner, die een handel had in waterpompen en generatoren voor de landbouw, zijn kans schoon. ‘De boeren waren maar al te blij met het geld.’

In de loop der jaren kocht Brückner steeds meer land op. Hij haalde de schapen en de hekken weg en zette wilde dieren uit. ‘Die grazen heel anders dan vee. Ze houden hun eigen voedselvoorziening in stand. Vee graast alles kaal.’ Het gras en de andere vegetatie keerden terug. Begin jaren negentig bedacht Brückner een ambitieus plan: zijn grond moest een particulier natuurreservaat voor wilde dieren worden, bekostigd uit de opbrengst van hoogwaardig duurzaam toerisme.

De 13 landbouwbedrijven waar NamibRand uit is ontstaan hebben nu negen eigenaren, die allemaal meewerken aan Brückners project. Het duurzame toerisme varieert van wandelsafari’s en comfortabele eco-lodges die ballonvaarten aanbieden tot luxueuze privékampen.

Als Nad het toestel aan de grond heeft gezet, maken we tijdens zonsondergang een safaritocht. Vanaf een panoramapunt zien we honderden spiesbokken in de verte over een heuvelrug trekken. ‘De populaties worden steeds groter,’ vertelt onze gids, Progress Kahandula. ‘Nu de hekken weg zijn, hebben ze de ruimte.’ De giraffe, de luipaard en sinds kort ook de jachtluipaard zijn terug in NamibRand. De jachtluipaarden, vijf mannetjes en twee vrouwtjes, zijn gered van ranches waar ze anders waren doodgeschoten.

Als het bijna donker is, stoppen we te midden van een groep knoestige kokerbomen, die allemaal zo’n expressieve vorm hebben dat het net lijkt alsof we in een kamer vol mensen zijn met ieder hun eigen verhaal. Er is geen wind, geen licht, geen geluid. Ik leun achterover en kijk hoe het uitspansel langzaam fluweelblauw wordt en de zilvere nevel van de Melkweg verschijnt. De ultieme rust – een stukje Afrika voor mezelf alleen.

Lees meer