Nepal

Nepal: Land van goden en bergen

Een reis langs de heilige plaatsen in Nepal, tegen de achtergrond van het immense Himalayagebergte. donderdag, 9 november

Door Aart Aarsbergen
Foto's Van Tom van Cakenberghe

‘Namaste, good morning sir, your coffee.’ Een vriendelijke, jonge Sherpa zet een ijzeren kroes, een enorme ketel heet water en een pot Nescafé voor mijn tent. Langzaam word ik wakker, rits ik de voorluifel open en kijk ik naar buiten. De mist die gisteravond rond Thulokharka, op zo'n 2000 meter hoogte in de bergen ten noorden van Pokhara, was neergedaald, is opgetrokken, maar sluierbewolking ontneemt het zicht op het Annapurnamassief. De onverwachte regen in de avond en nacht had de lucht niet schoongeveegd, zoals mijn Nepalese reisgenoten hadden voorspeld.

Missie mislukt. Aangetrokken door inspirerende verhalen van reizigers die mij zijn voorgegaan, hoopte ik met een trekking vanuit Pokhara de spectaculaire zonsopgang boven het Annapurnagebergte in Nepal te zien. Teleurgesteld kruip ik uit mijn tent en probeer me in het klaargezette teiltje met warm water te wassen. Blijkbaar zijn de berggoden me niet goedgezind.

‘Aart, Aart,’ roept mijn gids Nima, een Sherpa die vier keer op de Mount Everest is geweest, maar onder druk van zijn vrouw dit gevaarlijke beroep heeft opgegeven en nu toeristen op trekkings begeleidt. Hij wijst enthousiast in de lucht naar de Annapurna 1, een top van meer dan 8000 meter hoogte die achter haar wolkenvoile vandaan komt en me een blik gunt op haar besneeuwde flanken die in het prille zonlicht roze oplichten. Het is een kort moment van lichte betovering, dan nemen de wolken weer bezit van het enorme massief. Een magische interlude die slechts enkele minuten duurt, maar me bewust maakt van de imponerende pracht van het Himalayagebergte.

Ik kende Nepal sinds mijn studententijd vanwege de Hippie Trail, de route uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, toen de bloemenkinderen, wars van de westerse ‘konsumptiemaatschappij’, via het Midden-Oosten in gammele 2CV’s en Volkswagenbusjes naar India en Nepal trokken. Ze gingen op zoek naar een spiritueel en ongebonden leven, maar werden vooral aangetrokken door de vrij verkrijgbare cannabis. Verder kende ik het land natuurlijk door het alpinisme bij de Mount Everest, het dak van de wereld dat bergbeklimmers over de hele wereld heeft uitgedaagd. Het is een onderwerp dat National Geographic altijd trouw heeft gevolgd.

Maar het ene is verleden, het andere vooral een onderwerp voor buitenlanders. Handel in cannabis werd in 1973 onder druk van de Verenigde Staten verboden, en een van de weinige herinneringen aan die tijd is Freak Street in Kathmandu (de eigenlijke naam is Joche), waar berooide hasjrokers voor een paar roepies onderdak vonden in ranzige hotelkamertjes. Het internationale bergbeklimmersgilde zie je in de beste outdoorkleding uitgedost met het duurste klimmateriaal op het vliegveld van Kathmandu, vaak in gezelschap van een minder uitbundig uitgeruste Sherpa, op weg naar Lukla, het hoogst gelegen vliegveld ter wereld met een amper 600 meter lange start- en landingsbaan die eindigt aan de rand van een diep ravijn. Hier vandaan begint de tocht naar het Everest Base Camp, het startpunt van de meeste beklimmingen naar ’s werelds hoogste bergtop.

Ik ontmoette op mijn reis vooral een diep religieus land. ‘Namaste’, de gebruikelijke begroeting, betekent letterlijk ‘Ik groet het goddelijke in u’. Godsdienst en dagelijks leven, het nu en het hiernamaals gaan op ongekend makkelijke manier samen. Alles ademt religie. Als ik in Pokhara hotel Shangri-La binnenloop, krijg ik als welkomstgebaar een tika, een rode stip als zegen van de goden, op mijn voorhoofd geschilderd. In Bandipur biedt een vrouwtje ons bij het ontbijt bloembladeren van haar punja aan, haar tempeloffer, en als we ons diner in het fraaie restaurant Krishnarpan in hotel Dwarika in Kathmandu willen beginnen, moeten we eerst, zo vertelt onze gastvrouw, een paar stukjes voedsel op het schoteltje boven ons bord leggen om de genade van de goden te ontvangen. Als we bij mijn tent in de bergen staan, vertelt Nima dat een van de toppen die in de mist verscholen liggen, niet mag worden beklommen omdat hij heilig is. ‘De hindoegod Shiva woont in de bergen van de Himalaya.’

Ook in de hoofdstad Kathmandu, die overweldigende, nerveuze stad vol felle kleuren, scherpe geuren en voortdurend kabaal, wemelt het van de religieuze gebouwen. Op het Durbanplein, het belangrijkste stadsplein, staan zo’n vijftig tempels en andere heiligdommen, die soms al vier eeuwen geleden zijn opgetrokken.

Waar het Durbar- en het Basantapurplein elkaar raken, staat het Huis van de Levende Godin of Kumari Bahal. Hier woont de maagd Kumari, een meisje dat is uitverkoren om tot haar eerste menstruatie de levende godin van de stad te zijn, waarna ze haar leven als gewone sterveling zal slijten. Ze geldt als de incarnatie van de god Parvati, de echtgenote van Shiva. Ze woont in een paleis met een binnenplaats versierd met prachtige houtgesneden balkons en ramen. Ze leeft daar in afzondering, maar ze is verplicht tijdens haar bewind aan een aantal jaarlijkse rituelen mee te werken, waarvan de belangrijkste het Indra Jatra festival is, dat in september plaatsvindt. Het festival duurt acht dagen en wordt door zowel hindoes als boeddhisten gevierd. De Kumari wordt dan op een grote praalwagen door de stad geleid.

Soms vertoont de Kumari zich aan het volk. Ik ben verbaasd als de binnenplaats van het gebouw ineens volloopt en begrijp dat er iets staat te gebeuren. Nadat een man, mogelijk een priester, uit het raam roept dat er geen foto’s mogen worden gemaakt, toont zich voor het bovenste open raam een jong meisje, misschien zes jaar oud en opgemaakt als een godin en gekleed in een ceremoniële mantel. Ze kijkt naar de volgelopen binnenplaats, richt haar blik langzaam van links naar rechts en vertrekt weer, zonder een woord te zeggen. Ik had een menselijke godheid gezien!

Waar wij in het westen de dood uit het dagelijks leven weren, wordt zij in Nepal juist openlijk getoond. Achter de belangrijkste hindoetempel van Nepal, de Pashupatinath ter ere van de god Shiva die ik als niet-hindoe niet mag bezoeken, worden langs de heilige Bagmatirivier bij de ghats, de trappen langs de oever, de doden openbaar verbrand. Het is vervreemdend te zien dat te midden van het dagelijks leven en in het rumoer rond de tempel de rouwplechtigheden plein publiekelijk plaatsvinden. Ik sta aan de overkant van de Bagmati. Gebiologeerd kijk ik hoe familieleden allerlei rituelen uitvoeren bij twee lichamen, die onder een doek liggen opgebaard. Eén lichaam wordt op de baar onder de lijkwade ontkleed, waarna het naakt aan de vlammen zal worden prijsgegeven. Omdat ik me aan de overkant van de rivier bevind, lijkt het alsof ik naar een stomme film sta te kijken, totdat ik de luide, klaaglijke snikken hoor van een man die op het punt staat zijn dierbare – vrouw, moeder? – te gaan cremeren. Ik krijg er kippenvel van.

Verderop staat een aantal brandstapels in lichterlaaie. Zwarte rook kringelt als een memento mori over de stad, die onverschillig zijn dagelijkse gang gaat. Een medewerker van het tempelcomplex stookt de vuren met een lange bamboestok op, zodat een stoffelijk overschot in drie tot vier uur volledig is verbrand en de as-resten gestrooid kunnen worden in de bij laag water toch al ongelooflijk vervuilde Bagmati. De belangrijkste rouwende, vaak de oudste zoon die de brandstapel heeft ontstoken, dient volgens de traditie na de crematie een bad in de rivier te nemen om zijn geest te zuiveren. De Bagmati is heilig om-dat de rivier in de Ganges uitmondt. Ik sta er sprakeloos naar te kijken. ‘You can make a picture, of course,’ zegt mijn gids. Ik aarzel en druk toch een beetje schuldig een paar keer af. Dan draai ik me om en stap weer het drukke stadsleven van Kathmandu in. Sadhu’s, kleurig beschilderde heilige mannen met wilde haardos, bieden zich aan om zich te laten fotograferen, kinderen proberen kettinkjes en blikjes limonade te verkopen. In een stad van bijna een miljoen inwoners branden de stapels dagelijks, en telkens als ik in de auto het tempelcomplex passeer, hoor ik de jammerklacht van de man weer in mijn herinnering.

Heel anders is de gedempte stilte bij een ander belangrijk heiligdom, Bouddhanath, een van de grootste stoepa’s van Azië, gelegen ten noordoosten van Kathmandu. De tempel lag oorspronkelijk op de belangrijke handelsroute naar Tibet, en nog altijd spelen de Tibetanen een belangrijke rol. Na de annexatie van Tibet door China in 1959 trokken veel boeddhistische monniken naar Boudha, dat om die reden ‘Little Tibet’ wordt genoemd. De wit gekalkte stoepa wordt bekroond met een vierkante vergulde toren, waar op alle zijden de ogen van Boeddha zijn geschilderd, inclusief het derde, alziende groene oog net iets boven de gewone twee. De toren loopt in dertien treden – de fasen symboliserend die de mens moet passeren voordat hij het nirwana kan bereiken – spits toe, waarboven een soort paraplu is aangebracht. Ik bezoek het heiligdom aan het einde van de dag, wanneer de zon laag staat, de schaduwen lang zijn en de pelgrims zich bij de stoepa verzamelen. Ze lopen in de richting van de wijzers van de klok rond, waarbij ze de gebedsmolens ronddraaien die in de muur aan de basis van de stoepa zijn aangebracht. Een beetje beschroomd zet ik ook zo’n molen in beweging. Sommige pelgrims spreken mantra’s uit en strekken zich tijdens het gebed volledig over de grond uit.

Ik loop over het plein waar zich diverse gompa’s of kloosters bevinden, waar boeddhistische monniken worden opgeleid. Ik slenter langs talrijke winkeltjes waar religieuze gebruiksvoorwerpen worden aangeboden, zoals boterlampen, gebedsvlaggetjes, gebedsmolens en, schotels en andere attributen van gehamerd metaal. Ondanks de vele aanwezigen kent het immense bouwwerk en het omliggende plein een prettige stilte. Misschien is het de kracht van de louterende mantra ‘Om mani padme hum’, een vrijwel onvertaalbare tekst waarin het wezen van het boeddhisme is vervat. De mantra staat in de gebeds- molens gegraveerd en wordt door de draaiende beweging van de pelgrims de wereld ingeblazen, net zoals dat gebeurt met de gebedsvlaggetjes aan de stoepa, waar de tekst door de zon verbleekt en zo in het grotere geheel vervluchtigt.

Nergens is het samengaan van de religies in het tolerante Nepal zo duidelijk te zien als bij de Swayambhunath, ook wel bekend als de apentempel, op een heuveltop ten westen van de stad. Als ik me tegenover gids Bejoy Josti verwonder over deze onderlinge tolerantie, antwoordt hij: ‘Godsdiensten zijn als talen, allemaal andere woorden voor dezelfde begrippen: hemel en hel.’ Zelf hindoe, net als zo’n 80 procent van zijn landgenoten, heeft hij geen enkel probleem met het boeddhisme. Hij praat er met even veel respect over als over zijn eigen goden. Als ik het heiligdom via de veel gebruikte 17de-eeuwse pelgrimstrap aan de oostzijde van de heuvel beklim, word ik begroet door nieuwsgierige resusaapjes die nauwlettend in de gaten houden of ik iets eetbaars bij me heb. Op de top is het een drukte van belang en overal hangt de indringende lucht van wierook en walmende boterlampen. Prominent in het centrum van het heiligdom staat natuurlijk de enorme stoepa, maar er bijna tegenaan gebouwd bevindt zich de mooie pagodeachtige tempel van Sitala Devi, waar duiven zich aan de offerandes op de stoep tegoed doen. Sitala Devi wordt door de hindoes vereerd als de godin van de pokken en is bij de boeddhisten bekend onder de naam Hariti, een plaatselijke moedergodin. Ik word vooral getroffen door de enorme koperen dorje, het krachtig symbool van een bliksemschicht die in Tibetaanse boeddhisme de verlichting verbeeldt waarmee de onwetendheid uit de wereld zal worden verdrijven – een mooie gedachte.

De vergulde ronde toren van de stoepa wordt op het moment dat ik Swayambhunath bezoek met behulp van Amerikaans geld gerestaureerd. Het geeft mij de gelegenheid het restauratieatelier te bezoeken, waar ik de vergulde platen kan zien die door tientallen vaklui minutieus worden schoongemaakt en gerepareerd. Inmiddels is het restauratiewerk klaar en zijn de duizenden onderdelen weer teruggeplaatst, wat de stoepa een ongekende schoonheid heeft gegeven.

Nepal is een door en door godsdienstig land, waar religies in grote harmonie naast elkaar leven, maar er heerst niet de rust die je hierbij zou verwachten. Het land wordt al jaren geteisterd door grote sociale en politieke spanningen. In 1996 brak er een gewelddadige burgeroorlog uit tussen de regering en opstandige maoïsten die tien jaar lang het land in een bloedige greep hield en veel mensen van het platteland verdreef. In 2006 sloten de partijen een vredesakkoord en twee jaar later werd Nepal een constitutionele republiek. Maar daarmee was de rust nog niet teruggekeerd. De maoïsten treden in 2009 na een conflict weer uit de regering en de onderhandelingen over een nieuwe grondwet slepen zich voort. In het openbare leven wreekt zich een gebrek aan een kordate overheid. Het resultaat is dat een stad als Kathmandu verstikt wordt door smog en bijna letterlijk uit haar voegen barst. Nepal zal politiek schoon schip moeten maken, wil het zijn economie nieuw leven kunnen inblazen.

In de Himalaya, ver van de drukte van de stad, merk ik niets van de verhitte politieke discussies. Nadat de wolken het Annapurnamassief weer hebben opgeslokt, pakken we onze spullen. In een paar uur dalen we over de steile, onverharde paden en eindeloze met rotsblokken geformeerde trappen van Thulokharka naar het dal bij Pokhara. De koelte van de bergochtend is verdreven door de klamme hitte van een aprildag, de temperatuur stijgt naarmate we het dal dichter naderen. Ik kijk nog een paar keer om naar de Annapurnatoppen, maar de bergen laten zich niet meer zien. Ik moet nog eens terugkomen om het Himalayagebergte in zijn majesteitelijke schoonheid te zien. Als het de goden behaagt...

Lees meer