Noorwegen

Noorwegen: Op avontuur in het Nieuw-Zeeland van Europa

Zeekajakken, gletsjerlopen en bergwandelen: het gebied rond de Sognefjord is bij uitstek geschikt voor outdoorliefhebbers. donderdag, 9 november

Door Paul Römer

‘Woooaaah!’

Ruim vier kilometer boven de Nærøyfjord in Noorwegen val ik samen met instructeur Chris Thornton uit een vliegtuigje. Ik schreeuw het uit van spanning, sensatie en gelukzaligheid. De vrije val duurt zo’n 30 seconden voordat de Nieuw-Zeelander, met meer dan 4500 sprongen op zijn naam, onze parachute opent. Wat volgt, is een vijf minuten durende zweeftocht boven het indrukwekkendste landschap dat je je maar kunt voorstellen: besneeuwde bergtoppen, fjorden met kobaltblauw water, hagelwitte watervallen en vegetatie met alle denkbare kleuren groen. Zodra we de fjord binnenzeilen, vliegen we vlak langs een tientallen meters hoge waterval die dankzij de windstilte als een gordijn de diepte in valt. De afstand tot de rots is nog aanzienlijk, maar het is alsof ik het kletterende water met mijn vingertoppen kan beroeren. Langzaam dwarrelen we verder naar de grond, die op het eind nog verrassend snel nadert.

Eenmaal veilig geland op een grasveldje in de fjord, in het plaatsje Gudvangen, wandelen we naar het vlakbij gelegen restaurant. De adrenaline pompt nog door mijn lijf, al ben ik ook wat misselijk van de vele zwenkingen in de lucht. We nemen plaats op het terras met een werkelijk adembenemend uitzicht. ‘Mooi hè?’ zegt eigenares Torill Hylland als ze een glas bier voor mijn neus zet. ‘Wij wonen hier in een ansichtkaart.’ Als ik de fjordwanden links en rechts zo hoog boven mij zie uittorenen, en intussen een slok neem, dringt het tot me door wat we zojuist hebben gedaan en waar ik ben: in een van de mooiste gebieden op aarde.

Een betere introductie tot Noorwegen had ik mij niet kunnen wensen. Nauwelijks drie uur eerder was ik, in gezelschap van de Amerikaanse fotograaf José Azel, vanuit Nederland aangekomen in Bergen. Het is mijn eerste bezoek aan dit land, Azel was er 20 jaar geleden om de Olympische Winterspelen in Lillehammer te verslaan. Onderweg naar het stadje Voss werden we gebeld door Even Rokne,oprichter van de plaatselijke toerismebureaus Destination Voss en EkstremUtvikling en zelf fanatiek springer. Of we later op de avond zin hadden iets geks te doen... Ik ben hem eeuwig dankbaar.

National Geographic heeft met deze sprong een primeur, vertelt Even nadat ons in het restaurant een warme maaltijd is voorgeschoteld. Nog nooit eerder is een tandemsprong, waarbij je met gordel en karabiners bent gekoppeld aan een ervaren instructeur, uitgevoerd op die hoogte boven deze fjord. ‘Jullie waren proefkonijnen,’ lacht hij. Het is een sprong die tegenwoordig wordt aangeboden door het team van Skydive Voss, dat indien gewenst ook nog foto’s en filmopnamen in de lucht maakt. Met het oog op deze reportage had fotograaf Azel zelf een camera op zijn buik gemonteerd, met het beeld hierboven als resultaat.

‘Het Nieuw-Zeeland van Europa’

Ons bezoek aan Voss is de eerste halte in een 7-daagse expeditie langs de Sognefjord, volgens een Noor die ik later zou ontmoeten ‘een Fjord met hoofdletter F’, die Noorwegen min of meer in tweeën scheurt. Chris, de tandem master met wie ik mijn doopsprong maakte, roemde eerder al de puntige kliffen en de ruige kust. ‘Dit is het Nieuw-Zeeland van Europa,’ oordeelde hij. ‘De schoonheid van dit landschap zorgt voor een overweldigende ervaring, elke dag weer. En de Sognefjord is echt de ideale omgeving voor adventure travel.’ Inmiddels heb ik een en ander aan den lijve ondervonden. Maar ik wilde ook met eigen ogen zien – en deels zelf ervaren – hoe het zo vlak voor het hoogseizoen is gesteld met de andere outdoormogelijkheden in deze zuidelijke provincie, Sogn og Fjordane.

Nou ja, hoogseizoen. Hoewel ruim driekwart van alle toeristen het land in juli en augustus bezoekt, is ook dan van drukte nauwelijks sprake. Het kost geen enkele moeite in deze maanden een plek voor je camper, tent of caravan te vinden op de ontelbare campings, verspreid over het hele land en vaak aan de voet van een woeste waterval. Bovendien geldt in Noorwegen het zogeheten allemannsretten, wat betekent dat alle grond, ook particulier, voor iedereen toegankelijk is en dat je vrijwel overal je tent mag opzetten – met de verplichting geen schade aan te richten in de natuur en de landeigenaar met rust te laten.

Aan ruimte dus geen gebrek. Noorwegen kent wel een ander probleem, en het komt met bakken uit de hemel. Het weer is moeilijk te voorspellen, ook in de zomer. Het zuiden, maar ook een aanzienlijk deel van de kust, heeft te maken met een zeeklimaat dat het hele jaar door voor neerslag kan zorgen. Slechts 10 procent van de tijd schijnt de zon. Regen kan een zomervakantie dus letterlijk in het water laten vallen, maar wie zich hier niet aan stoort (ik dus), komt waarschijnlijk superlatieven tekort om het spektakel Noorwegen te omschrijven. Weliswaar had ik voldoende waterproof kleding meegenomen voor deze trip, halverwege juni, maar deze heb ik uitgezonderd de laatste twee etmalen niet hoeven dragen. Dat kan dus ook: stralende zon, hier een daar een wolkje, en een temperatuur van 23 °C.

‘Nog vis gevangen?’

Voss bleek een goed startpunt van onze trip. Het toeristenplaatsje met zo’n 15.000 inwoners ligt op een kleine twee uur rijden van Bergen en heeft ook een station aan de Bergensbanen, de bekende spoorlijn tussen Bergen en hoofdstad Oslo. Maar waarmee Voss zich de laatste jaren vooral in de kijker weet te spelen, is Extreme Week, ’s werelds grootste festival voor sporten als basejumpen, parapenten, mountainbiken en rotsklimmen. Wel logisch: de achtergrond hier in de buurt wordt bepaald door steile berghellingen en snelstromende rivieren als de Strandaelva en de Raundalselva. Meer dan 1200 deelnemers uit 32 landen zouden de week na mijn bezoek Voss onveilig maken met hun soms levensgevaarlijke stunts.

‘Voss is gewoon de ultieme outdoorbestemming,’ wordt mij verzekerd. We staan in het Voss Rafting Senter, hét adres voor raften, abseilen, kajakken en hydrospeeden. Motto? “We guarantee to wet your pants!” Aan het woord is een van de gidsen, Pigner Rokne (inderdaad, de broer van parachutist Even). “Eerst boden we alleen wildwaterraften aan, vandaar de naam van ons bedrijf, maar er waren altijd wel mensen in zo’n groep die niet wilden of konden meedoen. Die moesten dan terug naar hun hotel.” Daarom kunnen bezoekers hier tegenwoordig ook vissen en wandelen, en zelfs gebruikmaken van een spa en sauna. “Je hoeft dus niet verder te reizen!” Pigner begeleidt een groep Duitsers naar een grote bus, waarmee hij even later met hoge snelheid koerst naar een parkeerplaatsje bij Tvindefossen, een van die overweldigende watervallen. Hier vlakbij krijgen de Duitsers nog wat instructies voordat ze, verdeeld over drie rafts, de woeste Strandaelva op gaan. De drie gidsen en hun crew manoeuvreren de boten behendig door de vele bochten, terwijl Pigner de groep met zijn bus volgt en bij riskante stromingen met een touw paraat staat. “Veiligheid gaat voor alles,” zegt hij.

Het wildwatervaren in dit groene en groteske landschap zorgt voor een prachtige aanblik. Als de rafts een hoogteverschil van twee meter proberen te overbruggen, valt de enige vrouw in het gezelschap in het water. Pigner gooit onmiddellijk zijn touw naar haar uit, maar ze is nergens te bekennen: het kolkende water houdt haar kennelijk onder. Maar voordat ook maar iemand ongerust kan worden, plopt ze dankzij haar reddingsvest vanzelf weer boven. ‘Nog vis gevangen?’ roept een van haar reisgenoten, tot grote hilariteit van de anderen. Ze wordt binnenboord gehesen en de groep peddelt luid joelend de bocht om.

Vandaag brengt de etappe ons naar Flåm, maar eerst slaan we af naar Brandsetvegen. Volgens de raftgidsen in Voss hebben we daar de beste kans wildwaterkajakkers in actie te zien. Op het eerste gezicht is het er uitgestorven, maar na 30 minuten rondrijden hebben we geluk: vlak onder de sneeuwgrens ontmoeten we Hannes Langer en Christoph Schuhmacher. De twee breedgeschouderde Duitsers, respectievelijk 28 en 27 jaar oud, maken zich op voor een wandeling door het bos naar de Brandsetelva, die we in de achtergrond al wild horen ruisen. Bijna elk jaar rijden ze in Noorwegen twee weken lang van rivier naar rivier. ‘Het is een verslaving,’ zegt Christoph terwijl hij zich in zijn dry-suit hijst. ‘Als je hier bent geweest, móet je terugkomen. Noorwegen, en dan vooral Sognefjord, is Europa’s topbestemming voor kajakkers. Nergens anders vind je zo veel eersteklas afdalingen in zo’n relatief klein gebied. Ja, dit is het Chamonix van wildwaterkajakken.’

Moeiteloos lopen ze even later met hun boot op de schouder en peddels in de hand door het bos, richting water. Als we dat na een halfuur (!) dan eindelijk bereiken, zie ik een kraakheldere stroom die langs rotsen en over witte kiezels naar beneden schiet. In Noorwegen, weet ik nu, is het overbodig water mee te nemen: ter plekke vul je je fles of drink je direct uit de letterlijk ijskoude rivier.

Christoph checkt de oever voor een geschikte plek om te water te gaan. De rivier is hier klasse IV en V, verder stroomafwaarts moet je denken aan VI, de hoogste moeilijkheidsgraad. Zodra ze wegpeddelen, is het lastig ze wandelend door de bergtoendra aan de kant bij te houden. Hoe ervaren ze zijn, blijkt uit de manier waarop ze op zeker moment een verval van drie meter passeren. De kajaks komen volledig los van het voorbijrazendewater, alsof ze worden afgeschoten, en komen met een harde plons neer in het lagere deel. Niets aan de hand. ‘Yeeaaaahh!’ schreeuwen ze. Triomfantelijk houden ze hun peddels boven het hoofd, om vervolgens geleidelijk uit zicht te verdwijnen.

‘Kijk, een fossekall’

Parachutespringen, raften, wildwaterkajakken: na de actie in Voss en omgeving lijkt Flåm bij aankomst, vroeg in de avond, een oase van rust. Het dorpje ligt aan het einde van de Aurlandsfjord, een zijtak van de Sognefjord, en is aanlegplaats voor grote cruiseschepen. Vorig jaar kwamen hier in 90 dagen 131 schepen aan, de grootste met 3000 toeristen en 1800 personeelsleden aan boord. Belangrijkste attractie is de Flåmsbana, een spoortraject dat volgens kenners behoort tot de juweeltjes van Noorse technologie.

We ontmoeten er Åse Vogel, een Zweedse scholiere die gidst voor Njord AS. Ze neemt ons mee voor een kajaktocht langs de hoog oprijzende fjordwanden die reflecteren in het kalme maar ijzige water. Voorlopig zal de zon nog aan de hemel staan, zegt ze, pas rond middernacht gaat hij voor drie uurtjes onder. Door de monumentale stilte, slechts verbroken door de slagen van onze peddels, voel ik me algauw één met de natuur – een gewaarwording die ik in Nederland zelden meer ervaar. Ik vraag Åse, die hier de hele zomer doorbrengt en met toeristen vooral meerdaagse trips maakt, wat op haar de meeste indruk maakt. ‘Elk moment is bijzonder,’ vertelt ze, ‘maar zo tussen acht en negen uur in de ochtend heb je kans dat je bruinvissen in de fjord ziet. Het is helemaal geweldig als een hele school langs zwemt, af en toe traag boven water komt en water spuit.’

Ook van bovenaf bekeken, vanaf de veelbezochte uitkijkplaats Stegastein, lijkt de fjord een donkere spiegel. Wolken en permanente sneeuw liggen statig op het wateroppervlak. We staan 650 meter boven zeeniveau en de kajakkers die ik nu, in de ochtend, ver onder mij zie, worden opgeslokt door dit natuurwonder. We nemen onze tijd om hiervan te genieten, want een dag eerder hebben we een pittige wandeling gemaakt.

Na het avondkajakken bij Flåm waren we namelijk doorgereden naar Østerbø Fjellstove, een rustiek resort met hotelkamers, berghutten en cottages. Noralv Distad, een stevig gebouwde en ietwat bedeesde vijftiger, gidste ons vanaf halfzeven ’s ochtends tot half één in de middag door de Aurlandsdalen, een 20 kilometer lang traject dat eindigt in Vassbygdi. De wandeling over het rotsige pad bleek een reis door de historie van de vallei. Op ongenaakbare hellingen en afgelegen grasveldjes zagen we soms resten van eeuwenoude stenen boerderijtjes die duidden op een zwaar bestaan, vooral ’s winters, met magere oogsten en grote eenzaamheid. Geen wonder dat de bewoners in vroeger tijden dit moeilijk bewerkbare land en ongunstige klimaat verruilden voor het avontuur op zee.

De horizon lonkte, dat is zeker. Voorbeelden daarvan zijn de ontdekkingsreizen van Noorse grootheden als Roald Amundsen en Thor Heyerdahl. Amundsen bereikte in december 1911 als eerste de zuidpool, en in 1947 kwam Heyerdahl na zijn heroïsche zeiltocht op de Kon-Tiki met zijn theorie dat Polynesië was bevolkt vanuit Amerika – en niet, zoals toen algemeen werd aangenomen, vanuit Zuidoost-Azië. Tegenwoordig is Noorwegen zelf juist een populaire eindbestemming, niet alleen voor thrillseekers maar ook voor kampeerders die rust wensen. In 2007 brachten 3,3 miljoen buitenlanders hun vakantie door in Noorwegen; 157.000 van hen waren Nederlander en daarmee bezetten zij na Zweden, Duitsers, Denen en Britten een vijfde plaats. Ook tijdens ons verblijf hebben de meeste niet-Noorse auto’s een Nederlands kenteken. Wat wil je ook, met zo’n grillig en gevarieerd landschap dat bij uitstek geschikt is voor een (avontuurlijke) vakantie?

De hike, die volgens gids Noralv behoort tot de topvijf van populairste en bekendste wandeltochten in Noorwegen, leidde ons langs honderden watervallen en plassen, kliffen en rotspartijen. Een grillig decor waarin zich volgens de Noorse mythologie trollen schuilhouden. Maar deze dag was het dal verlaten, het enige geluid was afkomstig van onze eigen voetstappen en van vallend, stromend en druppelend water – eindeloos veel water. Gedurende zes uur lopen zagen we twee mensen (Nederlanders!), een dozijn schapen en talloze vogels. “Kijk,” riep Noralv plotseling, “een fossekall.” Wat we zagen opvliegen, de vallei uit, was een waterspreeuw, Noorwegens nationale vogel.

Toen we na enkele uren bij een stroompje neerzaten om te lunchen, en natuurlijk weer koud zuiver water in onze flessen opvingen, voelde ik ineens de vermoeidheid in mijn benen sluipen. Dat zegt meer over mijn conditie op dat moment dan over de tocht, want, vertelde Noralv: “We hebben een nationaal erkend systeem dat de moeilijkheidsgraad van de wandelingen in Noorwegen aanduidt met de kleuren groen, blauw, rood en zwart, waarbij groen staat voor gemakkelijk en zwart voor zeer moeilijk. Maar het systeem is in deze regio nog niet officieel ingevoerd.” En Aurlandsdalen? “Die is rood.”

‘Elke dag is een avontuur’

We laten het curieus ontworpen platform Stegastein achter ons en rijden voor we er erg in hebben door eeuwige sneeuw, die zich door de noordelijke ligging van het land hier al op 1300 meter bevindt. Er is helemaal niemand. Op plekken waar de sneeuw is gesmolten of verwaaid, komt donker gesteente tevoorschijn. Bomen groeien hier niet, slechts wat mossen. Een griezelig maanlandschap.

Zodra we de Sognefjord zijn overgestoken met een autoveerboot, die elk kwartier pendelt tussen Fondnes en Manheller, duurt het nog twee uur voor we het Breheimsenteret Glacier Centre binnenlopen. In dit bezoekerscentrum in het Jostedalsbreen Nasjionalpark worden we hartelijk verwelkomd door directeur Peder Kjærvik, een forse kerel die enthousiast praat over werk en omgeving. ‘Voor mij staat vast dat je in de Jostedalen de beste outdooractiviteiten in de wilde natuur vindt. Je kunt hier skiën, raften, vissen en natuurlijk hiken en kajakken op de Jostedalsbreen, de grootste gletsjer op het vasteland van Europa.’

Wanneer je komt, zegt hij, is het raadzaam een dag van tevoren even te boeken. ‘Wij moeten een gids regelen en zien of we je in een groepje kunnen plaatsen. Zeker, je kunt ook zonder gids gaan, alleen niet op de gletsjer zelf. Daarvoor moet je getraind zijn in het gebruik van touwen en in reddingstechnieken.”

Iemand die deze vaardigheden beheerst, is Carlos Caballero. De 24-jarige Argentijn zal ons vandaag namens touroperator IceTroll (gespecialiseerd in gletsjerlopen en -kajakken) begeleiden. We hebben nog maar een paar minuten in zijn jeep gereden of hij maant ons uit te stappen. ‘Jullie dachten natuurlijk dat we met de auto naar de gletsjer gingen,’ reageert hij op onze verbaasde blik, ‘maar we gaan lekker varen.’ Carlos zet ons meteen aan het werk: pickels, gordels, stijgijzers en touw moeten in twee kajaks worden gestouwd. Tussen ons en de breen ligt een meer met turkooizen, door gletsjerafzet melkachtig smeltwater.

Langzaam peddelend komen we dichterbij. Als we de kajaks op een strandje laten glijden, onze rugzakken omdoen en richting gletsjer wandelen, weet ik niet wat me overkomt. Ik heb oog in oog gestaan met een olifant in de jungle van Gabon, ik heb geklommen in het Joshua Tree National Park in Californië en ik was zo bevoorrecht te mogen snorkelen langs kleurrijk koraal bij Bonaire. Maar nu deze millennia oude ijsmassa voor mij opdoemt, ervaar ik niets anders dan pure schoonheid. En dan te bedenken dat wat zich hier uitstrekt, de Nigardsbreen, slechts een zijarm is van de Jostedalsbreen. Hoe machtig kan de natuur zijn?

Met de verplichte stijgijzers onder onze schoenen en met elkaar verbonden door het touw (eveneens vereist) beginnen we aan de klim. Tijdens zo’n gletsjerwandeling worden je gedachten volledig beheerst door de vraag: waar moet ik mijn voet nu zetten? De rest telt even niet. Hoogte, touw, uitzicht: ze doen er gewoon niet toe. Dat geestelijk isolement geeft een goed gevoel, het is heel rustgevend. Pas als we even stoppen om op adem te komen, na een uur klimmen langs diepe, helblauwe spleten, dringt de omgeving tot me door. Ik sta op een gletsjer!

Carlos koppelt zichzelf even los en gaat ons voor in een gletsjergrot. Hij wil eerst zeker weten dat alles veilig is. Als we hem volgen, wijst hij ons op de elkaar afwisselende lagen winter- en zomerijs. “Elke dag ontdek je iets nieuws. Zeker in de zomer, als de temperatuur stijgt en het ijs smelt, ontstaan voortdurend nieuwe spleten en grotten. Elke dag is een avontuur.”

‘Winnen is not done’

Rogier van Oorschot houdt de donkergrijze lucht in de gaten en heeft weinig hoop dat we het droog houden. We hebben hem eerder deze dag ontmoet in Kalvåg, op het eiland Frøya, waar we hebben afgesproken samen te gaan zeekajakken. De Nederlander is acht jaar geleden met zijn vrouw naar Noorwegen geëmigreerd. Als ingenieur had hij algauw een uitstekende baan gevonden, maar hij kwam erachter dat hij zo niet kon genieten van de voornaamste reden waarom hij bij de Nordfjord, in het noorden van de provincie Sogn og Fjordane, is komen wonen: de natuur. Hij richtte Norway Adventures op, een in outdoor travel gespecialiseerde touroperator, en gidst binnen- en buitenlandse vakantiegangers door de bergen en wateren aan de kust en in het fjordbekken.

Ik heb tijdens deze reis veel Noren gesproken, maar het is aardig nu eens de mening van een buitenstaander te horen over het land, de gewoonten en, natuurlijk, adventure travel. Over het land: ‘Wist je dat Noorwegen van noord naar zuid net zo lang is als de afstand tussen Amsterdam en Lissabon? Het is reusachtig, en het meeste land is ook nog eens privébezit.’ Over gewoonten: ‘Waar ik in het begin aan moest wennen, was janteloven. Een soort gedragscode die is gebaseerd op afgunst. Noren hebben liever niet dat anderen, laat staan buitenlanders, succes hebben. Om die reden, heb ik het idee, geven ze geen cijfers op school en kent het voetbaltoernooitje van mijn zoon geen winnaar. Winnen is gewoon not done. Er wordt dan ook beweerd dat Noorwegen het enige echte communistische land is.’ En over adventure: ‘De Noren leven van en in de natuur. Iedereen die ik ken, gaat in zijn vrije tijd hiken, kajakken, klimmen. Maar ook vissen en jagen. Het jachtseizoen opent in september, deze regio heeft de grootste hertenpopulatie van het land.’

Rogier heeft het goed gezien: zodra we onze veiligheidsvesten aantrekken en de kajaks het water in schuiven, begint het hard te waaien en even later te hozen. ‘Ach, weet je wat ze hier altijd zeggen? Er bestaat geen slecht weer, alleen slechte kleding.’

Het is negen uur ’s avonds als we beginnen te peddelen. De wind zorgt voor een dreigende golfslag, en zo midden op het water, met niemand in zicht, heb ik het idee dat ik opga in de omgeving. De regen slaat op het water, de boot, mijn jas en capuchon, en overstemt zo elk geluid. Mijn schouders blijven draaien. Ze moeten wel, anders neemt de stroming me mee. Het is even hard werken in barre omstandigheden, maar dat ik kan sporten in zo’n dramatisch landschap, is onvergetelijk.

Maar dan. Opeens houdt het op te regenen en gaat de wind liggen. De wolken, die steeds zwarter werden, lijken het te hebben opgegeven en wijken voor een drassig zonnetje. Lange schaduwen – van bomen op de oevers, van rotsen en van onszelf – werpen zich over het water, onze kajaks lichten even als felle lampen op. Het duurt tien minuten, hooguit, dan pakken de wolken weer samen en steekt de wind op. ‘Tijd om terug te gaan,’ roept Rogier. ‘Het gaat volgens mij straks weer regenen.’

Op de weg terug naar de auto begin ik mijn schouders te voelen, al zorgt het ritme van ons gepeddel ook voor een zekere rust. Ik zie het dansende water en mijn gedachten gaan uit naar de sprong op mijn eerste dag in Noorwegen, het kajakken in de fjord, de hike door de Aurlandsdalen en de beklimming van de gletsjer. Dit is een droomland, denk ik. Dit is waarvoor ik hier ben.