Oeganda sluit zich aan bij ‘Rechten van de natuur’-beweging maar blijft naar olie boren

De stap van Oeganda heeft tot doel de lokale biodiversiteit te beschermen tegen een reusachtig aardolieproject, dat de levensomstandigheden van miljoenen mensen moet verbeteren.

De bovenloop van de Murchison Falls, een van de majestueuze natuurwonderen van Afrika. De Oegandese regering heeft toestemming gegeven om binnen het Murchison Falls National Park naar olie te boren.

Foto van Yasuyoshi Chiba, AFP/Getty Images
Gepubliceerd 7 jun. 2021 13:24 CEST

De Westelijke Rift, onderdeel van de Grote Afrikaanse Slenk, trekt een diepe vallei door het landschap van Oost-Afrika en is een van de hotspots van biodiversiteit op aarde. Hoewel deze uitgestrekte keten van gebergten, valleien, wetlands en savannes niet iets meer dan één procent van de Afrikaanse landmassa beslaat, zijn hier de helft van alle Afrikaanse vogelsoorten en veertig procent van de zoogdieren op het continent te vinden. Bovendien komen zo’n vijfhonderd van deze planten- en diersoorten uitsluitend in de Westelijke Rift voor.

In de noordelijke sector van dit geologische wonder loopt een langgerekte klip langs een weidse grasvlakte die aan de ene kant wordt begrensd door het Albertmeer, op het grensgebied van Oeganda en de Democratische Republiek Congo, en aan de andere kant door het Murchison Falls National Park, een van de natuurschatten van Oost-Afrika. Op deze onafzienbare vlakte, en deels binnen het nationale park, treffen grote oliemaatschappijen de laatste voorbereidingen om twee reusachtige olievelden onder de rift aan te boren.

De ontdekking van het grootste niet-mariene oliereservoir in sub-Saharaans Afrika, in 2006, heeft dit verarmde land abrupt veranderd in een van de meest gewilde maar ook omstreden olieregio’s ter wereld. De Oegandese regering steunt de ontwikkeling van de twee aangrenzende olievelden, die Tilenga en Kingfisher worden genoemd, in de hoop dat het zwarte goud het leven van de plaatselijke bevolking zal verbeteren. Ruim de helft van de Oegandezen leeft in armoede en bijna een derde is werkloos. Het project belooft zesduizend nieuwe banen te creëren, hoofdzakelijk voor Oegandezen.

Maar terwijl de omvang van het aardolieproject in de loop van 2019 duidelijk werd, nam de regering een paradoxale beslissing: ze voerde de baanbrekende nieuwe milieuwetgeving van de ‘Rechten van de natuur’-beweging in, waarmee de kwetsbare habitat waarin het project wordt ontwikkeld, beschermd zou moeten worden. In de nieuwe juridische benadering hebben de ‘rechten van de natuur’ formeel dezelfde juridische status als mensenrechten en kan de natuur als ‘rechtspersoon’ worden beschermd tegen schendingen van deze rechten.

Met de erkenning dat wouden, meren en andere ecosystemen als levende wezens geïnterpreteerd kunnen worden en het ‘recht’ hebben om “te bestaan, bewaard te blijven en zich te hernieuwen”, heeft Oeganda zich aangesloten bij de groeiende en wereldwijde ‘Rechten van de natuur’-beweging, waarin de natuur wordt gezien als een evenwaardig en belangrijk onderdeel van onze wereld, in plaats van als een verzameling hulpbronnen die geëxploiteerd kunnen worden. Oeganda is het eerste Afrikaanse land dat de principes van deze beweging heeft onderschreven.

Sinds 2008, toen Ecuador de ‘rechten van de natuur’ in zijn grondwet opnam, hebben veertien landen soortgelijke maatregelen genomen om hun milieuschatten te beschermen. Daarbij krijgen natuurgebieden – vergelijkbaar met rechtspersonen – de mogelijkheid om hun rechten te verdedigen. In de betrokken landen zijn voogdijraden benoemd om tijdens rechtszaken en hoorzittingen als menselijk gezicht van deze ecosystemen op te treden.

“Dit is een spectaculair nieuw juridisch kader, waarin de natuur een stem krijgt,” zegt Grant Wilson, directeur van het Earth Law Center, een milieugroep uit Colorado. “Het is als nieuw DNA voor het rechtssysteem.”

In sommige landen zijn unieke en gewijde natuurgebieden reeds als rechtspersonen erkend, waaronder de rivier de Atrato in Colombia en de rivier de Whanganui in Nieuw-Zeeland, die door de inheemse Maori wordt aanbeden. Afgelopen voorjaar werd de gemeenteraad in het Australische Blue Mountains, een stad die niet ver van Sydney ligt, de eerste in dat land die het ‘Rechten van de natuur’-principe in zijn besluitvorming introduceerde. En in mei werd uit naam van meerdere waterwegen een ‘Rechten van de natuur’-proces aanhangig gemaakt in Orange County, Florida, waar het principe in november vorig jaar per plebisciet was ingevoerd. De aanklacht in de rechtszaak luidde dat meerdere stromen en wetlands in de county het risico liepen om te worden verwoest als gevolg van een projectontwikkeling van 1900 woningen.

Een Rothschild-giraffe foerageert in het Murchison Falls National Park.

Foto van Ami Vitale, Nat Geo Image Collection

Philippe Sands, een advocaat en rechtenprofessor van University College London die is gespecialiseerd in mensenrechten en milieukwesties, ziet de beweging als een “bredere verandering in het collectieve bewustzijn.” Volgens hem is de ‘Rechten van de natuur’-wetgeving “uitdrukking van het besef dat we onszelf niet altijd in het centrum van alles kunnen plaatsen.”

Voortgaande olieboringen 

De Oegandese olievelden die nu in ontwikkeling zijn, liggen onder voorouderlijk grondgebied van de Bagoengoe-stam, een volk van vissers aan de oever van het Albertmeer, in het West-Oegandese plattelandsdistrict Boeliisa. In de wilde natuur van het gebied liggen meerdere gewijde plekken, en de gemeenschap ziet de aanleg van de olie-installaties met groeiende ongerustheid vorderen.

In april ondertekenden Oegandese en Tanzaniaanse regeringsbeambten de definitieve contracten met de Franse oliemaatschappij TotalEnergies en de oliereus China National Offshore Oil Corporation (CNOOC). De bedrijven zijn van plan op een boorconcessie van 1100 vierkante kilometer, die deels binnen een nationaal park en onder een door de UNESCO erkend drasgebied ligt, rond de 1,7 miljard vaten ruwe aardolie te winnen. De aardolie zal vervolgens over een afstand van 1450 kilometer door ‘s werelds langste verwarmde pijpleiding naar de Tanzaniaanse havenstad Tanga, aan de kust van de Indische Oceaan, worden gepompt. De pijpleiding loopt door wildgebieden, en de havenstad wordt omringd door mangrovewouden en koraalriffen. Internationale waarnemers schatten dat het project duizenden akkerbouwers van hun land zal verdrijven. Gepland is dat de eerste olie-exporten in 2025 zullen beginnen.

Vanaf de top van de klif die over het weidse Albertmeer uitkijkt, is te zien hoe grote trucks stof opwerpen op een snelweg die onlangs door Chinese bedrijven is aangelegd en door ongerept grasland loopt. Terwijl bavianen vanuit de dichte jungle de industriële werkzaamheden observeren, prepareren stoomwalsen het asfalt op de nieuwe snelweg, die langs de oostoever van het meer naar de olievelden in het nationale park loopt. Binnen de boorconcessie worden toegangswegen en boorinstallaties aangelegd rond het eenvoudige lemen huis van Alon Kiiza, een 88-jarige ouderling van de Bagoengoe-stam in het slaperige dorpje Boeliisa.

“De olieboringen zullen het ecosysteem verstoren,” zegt hij. “De geest van het land gaat niet goed samen met deze machines.”

Lange rijen opslagtanks voor ruwe olie staan op een Chinese boorlocatie ten zuidoosten van het Albertmeer, in het westen van Oeganda (24 januari 2020).

Foto van Yasuyoshi Chiba, AFP/Getty Images

De olieboom in Boeliisa heeft ook geleid tot een toestroom van arbeidsmigranten, waardoor de druk op het landschap verder wordt verhoogd als gevolg van de sterk toegenomen vraag naar bouw- en brandhout en drinkwater.

Plaatselijke politici die het project vanwege het vooruitzicht op werkgelegenheid aanvankelijk steunden, maken zich nu zorgen. “We hebben deze ontwikkeling nodig, want de mensen hier zijn arm,” zegt Kubalirwa Nkuba, lid van de gemeenteraad. “Maar we willen geen situatie waarin we weliswaar olie hebben maar het milieu verpest zal zijn. Als de olieboom weer voorbij is, wat moeten we dán?”

‘Rechten van de natuur’ van inheemse stammen

Hoewel de ‘Rechten van de natuur’-wetgeving een uiterst nieuwe juridische ontwikkeling lijkt te zijn, komt ze voort uit oeroud inheems gedachtengoed. De 370 miljoen inheemse volken in de wereld maken tezamen slechts vijf procent van de wereldbevolking uit maar leven op grondgebied dat tachtig procent van de biodiversiteit op onze planeet herbergt. Duizenden jaren lang hebben zij deze habitats in stand gehouden en inzicht verkregen in de beste manier waarop de mens in deze ecosystemen kan jagen, gewassen kan verbouwen en vis kan vangen zonder de natuur uit te putten. Hun bewerkelijke en voorouderlijke methoden werden in een koloniserende en snel industrialiserende wereld afgedaan als ‘heidens’ of ‘primitief’.

Volgens activisten bestaat er een direct verband tussen het verdwijnen van traditionele geloofsopvattingen en het verlies aan habitats en biodiversiteit. Volgens hen zal het milieu pas goed beschermd kunnen worden als de stem van deze gemarginaliseerde stammen opnieuw wordt gehoord. Met andere woorden, mensenrechten en de ‘rechten van de natuur’ gaan hand in hand en kunnen niet los van elkaar worden gezien. Volgens Margret Kagole, een Oegandese ouderling van de etnische minderheid van de Bagoengoe, “kunnen onze wetten deze grondgebieden beschermen.” 

In Afrika wordt al veertig jaar gewerkt aan het in ere herstellen van inheemse gebruiken. In 1981 ondertekenden Afrikaanse staats- en regeringsleiders het ‘Afrikaans Handvest inzake mensen- en volkenrechten’, een internationaal pact dat was bedoeld om de instituties van het continent te dekoloniseren en de mensenrechten te bevorderen.

Sindsdien hebben aparte commissies zich in het kader van het Handvest gericht op de status van inheemse volken en zich verdiept in de belangrijke rol die prekoloniale bestuurssystemen in de bescherming van de biodiversiteit hebben gespeeld.

“Voor stammen is het mogelijk om hun tradities in ere te herstellen en opnieuw in contact te treden met de natuur, wat in de context van de klimaatverandering van vitaal belang is,” zegt Liz Hosken, directeur van de Gaia Foundation, een van de ngo’s die er bij de Oegandese regering op hebben aangedrongen de ‘Rechten van de natuur’-wetgeving in te voeren. “Maar ze zijn dusdanig gedemoniseerd dat het enige tijd heeft geduurd voordat ze weer in hun eigen geschiedenis zijn gaan geloven.”

Alon Kiiza, een 88-jarige beschermheer van gewijde plekken in de natuur, zit voor zijn huis in Boeliisa, geflankeerd door zijn vrouw en de Oegandese milieuactivist Dennis Tabaro.

Foto van Jack Losh

Dennis Tabaro, een Oegandese milieuwerker die in Boeliisa – het grootste dorp in de buurt van het Tilenga-olieveld – met Hosken samenwerkt, probeert een “verloren generatie” van inheemse ouderlingen ertoe te bewegen uit de schaduw te treden en weer een invloedrijke rol in het vormgeven van de plaatselijke milieubescherming te spelen. Als voorbeeld daarvan nam de districtsraad vorig jaar december een verordening aan waarin de traditionele wetten van de Bagoengoe werden erkend, alsmede hun recht om gewijde plekken met een natuurlijke en spirituele betekenis te beschermen. Samen met de verordening is ook een orgaan van lokale beambten en inheemse ouderlingen in het leven geroepen, dat moet toezien op de navolging van de milieuwetten in het district.

Wettelijke bescherming?

Volgens Christina Voigt, expert in internationaal milieurecht aan de Universiteit van Oslo, wijst de invoering van ‘Rechten van de natuur’-wetgeving op een “veelbelovende ontwikkeling naar een hogere mate van bescherming.” Maar ze benadrukt dat deze wetgeving slechts “één instrument is in een gereedschapskist van juridische benaderingen. Het één sluit het andere niet uit.”

De toepassing van ‘Rechten van de natuur’-wetgeving leidt niet altijd tot overwinningen voor de milieubeweging. Nadat een Indiase rechtbank in 2017 de wettelijke status van rechtspersoon had toegekend aan de aanbeden rivier de Ganges en zijn belangrijkste zijrivier, de Yamuma, werd dat oordeel door het Indiase Hooggerechtshof weer ongedaan gemaakt. Het Hof oordeelde dat de lagere uitspraak juridisch onhaalbaar was. In een soortgelijke en unieke zaak in 2020 stemden de burgers van Toledo, Ohio, voor het eerst voor de toekenning van de status van rechtspersoon aan het Erie-meer, maar dat besluit werd later door een federale rechtbank afgewezen omdat de juridische grondslag te vaag was.

De Oegandese ‘Rechten van de natuur’-wetgeving bevat een clausule die de regering het recht geeft om te kiezen welke locaties in de wilde natuur onder de wetgeving vallen en welke niet – een zorgwekkende maas in de wet. De regering werkt momenteel aan regelgeving die de besluitvorming op milieugebied moet sturen, maar omdat de olievelden in hoog tempo verder worden ontwikkeld, vrezen activisten dat die regelgeving te laat komt.

Volgens een woordvoerder van TotalEnergies, die op verzoek van het bedrijf anoniem wil blijven, zal de Franse oliemaatschappij de sociale gevolgen en milieuproblematiek in overeenstemming met internationale standaards aanpakken, waarbij “de uitwerking op plaatselijke gemeenschappen tot een minimum wordt beperkt en hun levenskwaliteit waar mogelijk wordt verbeterd.” Mensen die moeten verhuizen, worden gecompenseerd.

“Total is zich volledig bewust van de potentiële gevolgen voor plaatselijke gemeenschappen,” zei de woordvoerder. Volgens hem worden “alle betrokken gedurende elke fase van de uitvoering van het project geïnformeerd en wordt er met hen overlegd.”  Activisten bestrijden dat het bedrijf transparant is.

Oegandese beambten erkennen de ogenschijnlijke tegenstrijdigheid in de pogingen van de regering om conflicterende belangen met elkaar te verzoenen. “De ‘Rechten van de natuur’-wetgeving laat zien hoe serieus de regering het milieu neemt en hoe ver zij wil gaan om de natuur te beschermen,” zegt Naomi Karekaho, woordvoerster van de Oegandese National Environment Management Authority. “Maar dat betekent niet dat er geen uitdagingen zijn. De natuur heeft zeker haar eigen rechten. Maar ook mensen en de ontwikkeling van het land hebben die.” Volgens Karekaho is het terugdringen van de armoede “voor ons een belangrijker prioriteit dan het aanpakken van de klimaatverandering.”

Baanbrekende verandering

Oegandese juristen denken dat ze het project niet kunnen tegenhouden maar wel de negatieve gevolgen ervan kunnen verlichten. Het beroep op ‘Rechten van de natuur’-wetgeving kan daarbij helpen. “Ik ben een juridische realist,” zegt Frank Tumusiime, wiens milieugroep Advocates for Natural Resources & Development heeft bijgedragen aan de creatie van de nieuwe wetgeving. “Het Tilenga-project is een fait accompli. We zouden ons nu moeten richten op een plan om de gevolgen ervan te verlichten.”

Maar op termijn zou de werkelijke waarde van ‘Rechten van de natuur’-wetgeving misschien minder zijn gelegen in het juridische steekspel in de rechtszaal en meer in het aangeven van een paradigma-verandering in deze kritieke overgangsfase van de planeet.

“De wetgeving is nooit alleen maar een middel tot een hoger doel. Ze duidt ook op verandering en daar staat deze Oegandese wetgeving zeker voor,” zegt advocaat Sands. “Werkelijke verandering zullen we pas zien als de volgende generatie beleidsmakers opgroeit in het besef dat een meer ecocentrische benadering nodig is. En dat zal tijd kosten.”

Dit artikel werd oorspronkelijk in het Engels gepubliceerd op NationalGeographic.com

Lees meer

Ontdek Nat Geo

  • Dieren
  • Milieu
  • Geschiedenis en Cultuur
  • Wetenschap
  • Reizen
  • Fotografie
  • Ruimte
  • Video

Over ons

Abonnement

  • Abonneren
  • Schrijf je in
  • Shop
  • Disney+

Volg ons

  • Gebruiksvoorwaarden
  • Privacyverklaring
  • Cookiebeleid
Copyright © 1996-2015 National Geographic Society. Copyright © 2015-2017 National Geographic Partners, LLC. Alle rechten voorbehouden.