Oman

Mysterieus Oman

Oman is het land van wierookbomen en Sinbad de Zeerover, van stoffige bergwegen en duizelingwekkende ravijnen. Maar ook het land waar sinds enkele jaren het outdoortoerisme een hoge vlucht neemt. Een tocht langs oude dorpen en stille oases. donderdag, 9 november

Door Marjolijn van Heemstra

Het is heel simpel, roept de instructeur. ‘Gewoon rennen en springen, dan stijgen we vanzelf op.’ Ik kijk naar de klif recht voor me, de uitgestrekte Arabische Zee erachter, het strand van Zighy Bay ver beneden. Ik controleer nog een keer of het tuigje goed vastzit en vraag voor de vierde keer of het wel eens misgaat, en wat we dan doen. Maar de instructeur is al aan het aftellen. We rennen, springen, touwen klapperen, de vlieger vangt wind. En dan zweven we. Verlamd van angst hang ik onder de parapente. De wind buldert in mijn oren. Ik kijk naar mijn voeten en dan verder. Naar de top van de droge berg, baaien met witte strandjes, de diepblauwe zee, de grillige kust van Oman. Adembenemend.

De reis begon een week geleden. Een autorit van de hoofdstad Muscat (in goed Nederlands: Maskate) naar een wandelaarskamp in de bergen rond Nizwa, een oude vestingsplaats aan de voet van het westelijke Hadjargebergte. Een urenlange rit over stoffige wegen met links en rechts machtige rotspartijen. Niet ver van de autoweg liep ooit een handelsroute waarover slaven en wierook richting het noorden werden vervoerd. Nu kom je alleen nog sporadisch een herder tegen, tussen de droge stenen op zoek naar iets eetbaars voor zijn geiten.

Yousef, de gids, stuurt de 4x4 moeiteloos over de hobbelige weg en praat honderduit. Over de geiten van Oman, de brutaalste van de wereld, die met de auto soms moeilijk te ontwijken zijn en die je verplicht moet kopen als je er een raakt. Over de sultan, een verlicht despoot, die het land in dertig jaar van de middeleeuwen de moderne tijd in slingerde door scholen, ziekenhuizen en wegen te bouwen. Over hoe trots hij is een Omani te zijn omdat, volgens hem, van alle landen in de Perzische Golf alleen Oman zijn eigenheid heeft behouden. ‘Bij ons vinden Saudiërs en Bahreiners wat ze zelf verloren zijn,’ zegt hij. ‘Rust, ruimte, natuur.’

Maar het zijn niet alleen Saudiërs en Bahreiners die op zoek naar rust en natuur de Omaanse grens oversteken. In het vliegtuig naar Muscat zat ik tussen Fransen, Duitsers, Amerikanen en Japanners. Sommigen kwamen voor een luxe resort, anderen voor een woestijntocht en weer anderen voor de bergen, net als wij. 

Sinds de sultan zich realiseerde dat de olie ooit misschien opraakt en extra investeringen deed in het toerisme, is de sector snel gegroeid. Oman mikt vooral op de echte reiziger, de avonturier. Niet vreemd: je kunt hier klimmen, fietsen, wandelen, kamelentochten maken, overnachten onder de sterren, zandduinen ‘bashen’ met 4x4’s, en wie zich aan land verveelt, kan de lucht in met een parasail of duiken met dolfijnen in de Perzische Golf.

We passeren een smal ravijn tussen de rotsen, de zogeheten Snake Trail, voor geoefende wandelaars. Tussen twee hoge rotsen hangt een via ferrata, een staalkabel waar klimmers zich aan zekeren om vervolgens langs de steile wand te lopen. Het idee boven die afgrond te hangen bezorgt me koud zweet. Yousef verzekert ons dat de kabel niet meer wordt gebruikt. Te gevaarlijk. Maar er komen hier nog wel regelmatig klimmers die de vier uur durende tocht door het ravijn afleggen.

De weg slingert zich langzaam omhoog, met het dalen van de zon verandert het gesteente naast ons geleidelijk van kleur. Van grijs-groen, naar een licht oranje. Ik denk aan woorden van Sir Wilfred Patrick Thesiger, de Engelsman die in de jaren veertig door Oman trok en daar verslag van deed in zijn beroemde boek Arabian Sands. Dit landschap is zo eentonig, schreef hij, dat je er langzaam doorheen moet reizen om de schoonheid te zien. Hoe sneller je gaat, hoe saaier het is. Alleen met een geduldig oog merk je de duizenden nuances op. De lijntjes in het steen. De taaie plantjes. Het wegschieten van een woestijnrat.

Wanneer we ons doel hebben bereikt, is het donker. In het verlaten wandelaarskamp steekt eigenaar Hamed een kampvuur aan en eten we op een open plek tussen de bungalows. Ook Hamed zingt een lofzang op de sultan. ‘Ik weet dat er nadelen kleven aan een alleenheerser. Maar als je geen belasting hoeft te betalen, als gezondheidszorg gratis is, als er vrede is en onderwijs, dan zou je toch wel gek zijn om te klagen?’

Ik mompel dat ik er te weinig van af weet. Hier hoog in de bergen lijkt een politieke discussie iets zinloos, iets van een andere planeet.

Ik kijk omhoog, naar de enorme sterrenhemel. Het is doodstil in het kamp. Vreemd, hoe je hier eigenlijk in het centrum van de wereld zit, met Afrika naast je, India om de hoek, Europa boven je, en je toch het gevoel hebt dat je ergens op een verre rand van de wereld balanceert.

‘Welkom in het dorp!’ roept Hamed als we de volgende ochtend uit de wagen stappen. Een kleine verzameling stenen huizen met erachter de duizelingwekkende ‘Grand Canyon’ van Oman. Geiten mekkeren in een geïmproviseerde stal. Een groepje kinderen staat achter een tafel vol stenen uit de omringende bergen. Een euro per steen. ‘Dorp’ lijkt me een groot woord voor deze plek. Ik tel vijf huizen. Een ervan blijkt geen huis maar een majilis, een gastenkamer, waarvan elke Omaanse gemeenschap er een heeft. Bezoek is altijd een schaars goed geweest hier. Een reiziger wegsturen zonder koffie en schaduw aan te bieden geldt vooral in de afgelegen gebieden nog steeds als een zonde. Maar Hamed vindt dat we de koffie eerst moeten verdienen.

Het ruige wandelpad begint vlak achter de geitenstal. Een min of meer gemarkeerde route tussen de stenen door over de flank van de Djabal Sjams, de hoogste berg van Oman. Ver beneden kronkelt de wadi, het droge rivierdal, waarlangs verschillende dorpen liggen. ‘Op deze berg,’ vertelt Hamed, ‘wonen van oudsher twee families. De ene links van de top de andere rechts. Niemand weet precies wanneer ze kwamen, maar dit is hun terrein.’

Hoe ze in hun levensonderhoud voorzien? Hamed lacht. Geiten, geiten, geiten. De mensen hier klimmen hun leven lang achter hun kudden aan. Hij wijst op een overhangend stuk steen met eronder een houten hek. Hier zitten de herders als het slecht weer is. Terwijl ze schuilen, weven ze stof van geitenhaar.

We zijn halverwege de heenweg nu. De zon schijnt heet in onze nek en het stof prikt in mijn neus en ogen, maar het uitzicht is echt overweldigend. De enorme rug van de Djabal Sjams lijkt soms bruin, dan weer rood, dan weer van een groenachtig grijs. Honderden smalle lijntjes lopen van de top naar de voet, waterstroompjes die samenkomen in het een na diepste ravijn ter wereld. Een adelaar zeilt door lucht, die heiig is en bijna wit lijkt nu.

Hamed vertelt dat zijn familie een paar bergen verderop woont. Ik vraag hem wat mensen bezielt om zich hier te vestigen. Op een plek waar je je zo nietig voelt, waar niets groeit en je uren moet lopen voor een druppel water. Waarom niet in een oase? 

Het lijkt misschien leeg en onherbergzaam, antwoordt Hamed, maar als je goed kijkt, is hier meer dan je denkt. Hij wijst naar een onaanzienlijk plantje tussen twee stoffige rotsblokken. Deze bijvoorbeeld, een gras dat zijn water opneemt uit dauw. Hij wijst nog meer groene plukjes aan. Somt hun namen op in het Arabisch. Bout. Tash. Juniper. Namen van overlevers, met wortels diep genoeg om het verre water te bereiken.

Na twee uur lopen begint het pad meer op een pad te lijken. We wandelen in de koele schaduw onder een groot uitstekend stuk rots. En dan zien we de eerste huizen van Sap, het verlaten dorp waar dit wandelpad naar leidt. Lemen hutten, die zich als krabben aan de bergwand lijken vast te klampen. De meeste staan op instorten, maar je kunt nog goed zien hoe klein de deuren en ramen zijn, om de warmte buiten te houden. Een paar minuten klimmen en je bent bij de tuinen. Kleine terrassen waar groente en fruit werden verbouwd, reikend aan een diepte van 500 meter.

Tot ver in de jaren zeventig werd het dorp nog bewoond. Het is bijna onvoorstelbaar dat mensen hier leefden in een tijd dat televisie, tl-buis en de magnetron al waren uitgevonden. Toch wilden veel bewoners hier niet weg. Het was op aandringen van de sultan dat ze uiteindelijk hun huizen achterlieten om dichter bij de nieuw aangelegde wegen te wonen – dichter bij de pasgebouwde scholen en ziekenhuizen. Het pad wat we net bewandelden was in die tijd nog minder begaanbaar dan nu, maar voor de toenmalige bewoners maakte dat weinig uit. Als ze het dorp verlieten, klommen ze recht omhoog, tegen de rotswand op. 

Hamed gebaart ons achter hem aan te lopen. Langs loszittende stenen klimmen we naar het rotsplateau dat over het dorp heen helt. Midden op het plateau openbaart zich het laatste wat ik hier had verwacht: een sprookjesachtig meer. Met helder groen water, uitzicht op de enorme canyon, dikke waterplanten, kikkers en libellen.

Drie uur later zitten we met koffie, dadels en vier dorpsbewoners in de majilis. De verhalen over de oude bewoners komen naar boven. Het waren de vaders en moeder van de mensen tegenover ons. ‘Fitte mensen,’ zegt een van onze gastheren. ‘Wie zoveel loopt en klimt, wordt met gemak 120.’ Ik kijk naar hem. Op zijn voorhoofd staan diepe rimpels, maar onder zijn dunne kleding ziet zijn lichaam er vitaal uit. Ik vraag hem hoe oud hij dan is. Pas 83, zegt hij op verontschuldigende toon. En fit als een hoen. Hij loopt met zijn geiten nog dagelijks twintig kilometer door de bergen. Maar de oude bergbewoners, zegt hij, die waren echt onverslaanbaar, die liepen rustig een marathon per dag. Hij steekt twee oude vingers in de lucht. ‘Of twee.’

‘Dit is hem!’ Mohammed houdt een oude, droge stok in zijn handen. Ik ben in het museum Bait al-Jabal in Al Hamra, een stoffig dorp met 77.000 palmbomen waar we na de wandeling naartoe zijn gereden. Op zoek naar meer informatie over het verlaten dorp Sap en de geschiedenis van deze streek kwamen we hier terecht. Volgens de gids is dit het beste museum van het land. En, gaf hij toe, eigenlijk ook het enige museum in de buurt. 

Tegenover me staat directeur Jaber al-Abri, die ik net vroeg of er nog iets bewaard is uit Sap nadat het dorp werd ontruimd. ‘Deze stok kocht ik van de laatste man die er woonde,’ vertelt hij trots. Jabers museum hangt vol met alles wat je je kunt bedenken. Kanonskogels, paspoorten, sleutels, hoeden, schilden van rhinocerosbeen. Onder de tentoongestelde objecten hangen handgeschreven bordjes met daarop ‘old’ of ‘very old’. Hoe oud ze precies zijn, weet Jaber niet, het varieert van 300 tot 2000 jaar oud. Hij koopt ze van de bejaarde bewoners van het dorp.

Het museum staat in het voormalig centrum. Vroeger zaten de huizen vol families, nu staan de meeste leeg. Het centrum is verplaatst, een paar wijken verderop. Deze wijk oogt als het decor van een bijbelse film. Ik zie velden vol palmen, jongetjes met ezels en geiten, verlaten hutten, en ook roodachtige, kleien huizen met stompe kantelen en zware houten deuren.

Jaber leidt me rond door de stille, schemerige kamers. Hij laat de brievencollectie zien waar een 300 jaar oude correspondentie tussen ligt. En de zelf nagebouwde souk, beneden in de keukenruimte. Het is een surrealistische collectie die hij beheert. Pijlpunten die uit het stenen tijdperk lijken te stammen liggen bij tweedehands nylon rokken. Heden en verleden naast elkaar op een plank van palmhout. Het maakt niet uit. Het is zelfs wel prettig de dingen te bekijken los van uitleg of chronologie. En het prachtige 200 jaar oude huis is op zich al de moeite van een bezoek waard. Zijn museum is een van de weinige buiten Muscat. Hier verzamelt hij wat anders verloren zou gaan. Omdat het nodig is, zegt hij, zelfs als er niemand komt. Er moet iemand zijn die de dingen bewaart. Een oeroude geschiedenis, maar nauwelijks musea. Geld, snelle auto’s, en een conservatieve islam. Een vriendelijke, en tegelijk zeer gereserveerde bevolking die zich modern profileert maar traditioneel leeft. Voorlopig is de kern van Oman nog ongrijpbaar.

En dan nu het onvermijdelijke cliché. Dat wat een auteur niet wil opschrijven in een verhaal over Oman, hoe vaak de vergelijking zich ook opdringt. Maar de geitenmarkt van Nizwa, waar we de volgende dag naartoe rijden, is de ideale plek voor een verfilming van een vertelling uit Duizend-en-één-nacht. Vrouwen met vreemde zwarte maskers, geiten, kamelen, felle kleuren, muziek, kruiden, gerinkel van munten. Het Oosten zoals we het in het Westen zo graag zien. Mysterieus, ongrijpbaar, exotisch. Het enige wat niet in het beeld past zijn de toeristen die zich met hun digitale camera’s een weg banen door het oriëntalistische sprookje.

Toen Wilfred Thesiger hier zestig jaar geleden voor de poort stond, durfden zijn gidsen hem de stad niet in te laten. De bewoners waren zo conservatief dat ze een christen in hun midden niet zouden tolereren. Nu is Nizwa, na Muscat, de grootste toeristische trekpleister van Oman. Vroeger zetelden hier de imams die over het gebied regeerden. In het grote ronde fort vlak bij de markt kun je hun kamers en bibliotheken bezichtigen. Nizwa was eeuwenlang een centrum van islamitische leer, poëzie en wis- en scheikunde. Het was vanuit deze stad dat de islam zich over Oman verspreidde.

In dit conservatieve gebied bestaan er nog steeds wat reserves jegens toeristen, en dat merken we goed in een dorp verderop waar we overnachten in een oud huis tussen de palmen. Op grote plakkaten aan de muur worden toeristen gevraagd niet zomaar te fotograferen en iedereen die ze tegenkomen op straat te groeten. Een oud mannetje dat op de stoep naast het bord zit legt uit dat de toeristen het evenwicht verstoren. ‘Het is al eeuwenlang de regel dat mensen elkaar groeten, en als er dan plotseling een vreemdeling komt die dat niet doet, raakt iedereen in de war.’

Voor hem hoeft het niet, al die toeristen. Hij zucht. Niets tegen te doen. De wereld verandert. Hoewel... hij wijst naar een hoge stapel stenen op een rots boven het dorp. Een sterrenwijzer, waaraan vroeger werd afgelezen hoe de hemellichamen bewogen om zo de verdeling van het water te bepalen. Die sterren, lacht het mannetje, die veranderen niet.

We zweven boven de zee nu. De instructeur schreeuwt iets in mijn oor. Ik versta hem niet. Het maakt niet uit. Ik heb genoeg aan dit uitzicht. De wind, de zon. Eindelijk ben ik op ooghoogte met de bergen die mij al een week lang nietig doen voelen. Eindelijk een overzicht van alles wat dit deel van Oman te bieden heeft. Droogte en zee, stof en oases, luxe en onherbergzaamheid. Een ruig land met verfijnde inwoners. Ontoegankelijk en gastvrij. Zelfs op deze hoogte is Oman niet helemaal te bevatten.

Nog niet uitgedroomd over Oman? Lees de reiswijzer bij dit verhaal en laat je inspireren door praktische tips en reisinformatie.

Lees meer