Reizen

Slovenië: Op zoek naar bruine beren

Verslag van een natuurreis door het zuidwesten van Slovenië donderdag, 9 november 2017

Door Paul Römer
Foto's Van Menno Boermans

‘Ssssshht!’ Menno en ik zitten al vijf uur ononderbroken in een muffe observatiehut van drie bij één meter, hoog in een boom. Met camera’s in de aanslag kijken we door twee raampjes uit over een heuvel vol stronken, struiken en rotsblokken. Zonnestralen zorgen in de vroege avond voor een prachtige warme gloed. Maar de stille wildernis vol zilversparren en beuken, hoe rustgevend en ontroerend ook, is niet de reden waarom de fotograaf en ik nu al uren achtereen in deze krappe ruimte elkaars gezelschap tolereren.

Het gaat ons om de Europese bruine beer, die sinds enige jaren goed gedijt in het loofwoud van de regio Dinarskokraška. In deze contreien, in het zuidwesten van Slovenië, leven momenteel naar schatting meer dan 400 beren – een opmerkelijke comeback nadat de populatie er door houtkap, intensieve landbouw en jacht in de 18de eeuw ernstig werd bedreigd.

Ons was vanochtend te verstaan gegeven roerloos te wachten (omdat elk geluid afschrikwekkend werkt) en intussen niets te eten (omdat de geur de dieren juist kan aantrekken). Met dat advies zette Miha Mlakar, oprichter van SlovenianBears.com en organisator van deze fotosafari’s, ons rond het middaguur in het bos af. ‘Je moet wel binnen blijven, de hut verlaten is vanwege de veiligheid heel onverstandig. En nee, er is geen toilet. Tot over zes uurtjes!’ Zag ik daar een grijns toen hij het deurtje van de schuilpost met een klap dichtgooide?

In deze situatie blijft er weinig over dan kijken en luisteren, lezen en schrijven, de camera’s nog eens controleren en elkaar fluisterend vermaken met verhalen en herinneringen. En nog eens kijken en luisteren. Bij het minste of geringste weten we zeker dat er vanuit de groene vegetatie een beer aankomt en manen we elkaar tot stilte. ‘Ssssshht!’ zeg ik nog eens tegen Menno, de fotograaf. Maar het is wishful thinking, begoocheld als we zijn door het geritsel van bladeren, krassende gaaien, een vallend takje, een specht die hamert. De beren laten zich vandaag niet zien. Zullen we Ursus arctos arctos op deze reis wel waarnemen?

Nodigt het noordwesten van Slovenië – met hoogtepunten als nationaal park Triglav, het Meer van Bled en de gletsjerrivier Soča – uit tot een actieve rondreis (zie Traveler 3-2017), dit gebied net boven de grens met Kroatië is bij uitstek geschikt voor liefhebbers van natuur en rust. Niet alleen de bruine beer trekt reizigers, merk ik. Ook de druipsteengrotten, karstplateaus, verdwijnende meren, stukken oerbos en sublieme rode wijnen vormen een belangrijke drijfveer voor een bezoek aan dit heuvellandschap dat overgaat in de Dinarische Alpen. Er heerst een andere sfeer dan in het noorden, wordt direct duidelijk, ook dankzij de inwoners zelf. Jonge buitensporters in kleurrijke outfits en hippe restaurants hebben plaatsgemaakt voor oudere agrariërs, op traditionele boerderijen. Een onbekend stukje Europa, dit natuurgebied dat Groen Karst wordt genoemd, en toch zo dichtbij.

In totale duisternis varen we op een ochtend in een rubber bootje op een ondergronds meer in de Križna jama (Kruisgrot), onder de Kruisberg die de naam dankt aan de kerkruïnes die er ooit werden aangetroffen. Gids Gašper Modic, voorzitter van de vereniging die deze grot beheert, is een wat magere en bleke kerel – wat gelet op de vele uren die hij doorbrengt in de koude en diepte van dit acht kilometer lange grottenstelsel niet zo heel verrassend is. Menno en ik kozen bewust niet voor de grot Postojna, een belangrijke en populaire toeristische attractie in de omgeving, juist vanwege de toestroom van bezoekers.

Tijdens onze boottocht langs metershoge stalactieten en stalagmieten schijnt Modic met een zaklantaarn langs de muren en over het water, dat hier en daar turquoise oplicht. Voor ons ontvouwt zich een spectaculair maar ook griezelig buitenaards landschap. Wel wat levenloos, opper ik, maar Modic corrigeert me onmiddellijk. ‘Er leven in de acht meren van deze grot zeker veertig diersoorten, waaronder de olm!’ Human fish is de bijnaam van deze zeldzame, min of meer doorzichtige amfibie. Menno en ik kijken meteen naar Modic...

Toen we de grot een uur eerder betraden, liet de gepassioneerde gids ons bij de ingang een tand van een holenbeer zien – die komt er in elk geval niet meer voor. Gelukkig maar. De tand was zo dik als mijn duim. Deze 24.000 jaar geleden uitgestorven soort, aanzienlijk groter dan de bruine beer die nu in Slovenië rondloopt, bracht millennia lang de winterslaap in Križna jama door – het dier zou generaties achtereen de keien langs het huidige pad omlaag hebben gladgeslepen.

Deze onderaardse wereld staat door de poreuze kalksteenformaties in directe verbinding met het landschap erboven. Zoals in Cerkniško polje. Vanaf een uitzichtpunt kijken we uit over een uitgestrekte groene vlakte. Een rode tractor rijdt in de verte onder ons heen en weer. ‘Dit is nou het grootste meer van Slovenië,’ zegt Paul Veenvliet triomfantelijk. Ik kijk hem aan, er is geen water te zien. ‘Dat is inmiddels verdwenen in zinkgaten, de grotten in, waar het stuit op dolomiet en verder stroomt in horizontale richting,’ vertelt de Nederlandse bioloog en natuurgids, die sinds zijn huwelijk met een Sloveense in deze regio woont. ‘Bij regen of een teveel aan smeltwater komt het water door deze gaten weer naar boven. En zo ontstaat het meer van Cerknica, dat groter kan worden dan het beroemde Bohinj, in de Julische Alpen. Met een oppervlakte van bijna veertig vierkante kilometer is het zelfs het grootste verdwijnende meer van Europa!’

Even later, als we zijn afgedaald tot de bodem van het drooggevallen meer, word ik omringd door zinkgaten – ik sta in een landschap vol afvoerputjes! Bij de gaten liggen tientallen dode visjes die achterbleven toen het water wegstroomde, en in de vrijwel volledig opgedroogde klei ontdek ik de sporen van meerdere bruine beren. Een vreemd idee, dat in een ander seizoen op deze dorre vlakte veel recreanten komen zwemmen, varen en surfen.

Veenvliet vertelt intussen honderduit over de schoonheid van het natuurgebied, ook als hij ons later per auto langs enkele plaatselijke hoogtepunten loodst, waaronder de natuurlijke brug in Rakov Škocjan, een oude vallei. Elk bloempje of vogeltje dat we zien of horen krijgt een naam. ‘Kijk!’ Plots remmen we en stapt Veenvliet uit. Hij buigt zich over een hoopje aarde, zo lijkt het. ‘Berenpoep! Dat is nog heel vers. We zitten ’m op de hielen!’

Maar de bruine beer, die hebben we intussen nog niet kunnen spotten, laat staan fotograferen. Menno en ik zitten weer in de observatiehut, in het bos bij Kočevska. Te kijken, te luisteren. Hoewel we een dag eerder geen succes hadden, was het zwijgend nietsdoen in zo’n enge ruimte, in het gezelschap van een andere kerel, een unieke ervaring. Een confrontatie met jezelf. Miha Mlakar was verbaasd toen hij hoorde dat de beren zich gisteren schuilhielden: de door hemzelf in elkaar getimmerde hut staat steevast garant voor succes, weet hij. ‘Ik kan natuurlijk niets beloven, de natuur laat zich niet regisseren, maar jullie gaan vandaag beren zien!’

En zo zitten we weer te turen naar de groene heuvel. En te wachten. Na anderhalf uur begin ik op mijn telefoon maar wat mailtjes te bantwoorden als Menno me plotseling aantikt. ‘Daar zijn ze!’ fluistert hij. Ik kijk door een van de raampjes en ja, vanonder onze hut lopen drie beren ons beeld binnen: een volwassene en twee welpen. De jonge beertjes – pluizige knuffels – huppelen en springen de heuvel voor ons op, terwijl hun moeder voortdurend stopt en haar neus in de lucht steekt. Zal ze ons ruiken, vraag ik me af. Omdat onze boom lager op de heuvel staat, bewegen de beren voor ons op kijkhoogte. De welpen snuffelen tussen de rotsen en planten naar voedsel, ze struikelen over boomstronken, geven elkaar af en toe een speelse tik. Soms lijkt het alsof de dieren ons direct aankijken. Oog in oog.

Zeker anderhalf uur lang kunnen we van deze privé-ontmoeting genieten, dan schuifelt het drietal verder, uit zicht. Menno en ik kunnen een glimlach niet onderdrukken. Slovenië heeft definitief bezit van ons genomen.

Het complete verhaal is te lezen in het septembernummer van National Geographic Traveler. In hetzelfde nummer vind je ook het verhaal:

Krakau: De ster van Polen
Manchester: Stad van de revolutie
In het regenwoud van Suriname
Photogallery: Nieuw-Zeeland vanuit de lucht
Raja Ampat: Paradijs in West-Papoea

 

 

Lees meer