Verliefd op Sevilla

In Sevilla lijkt de tijd soms te hebben stilgestaan. Verslag van een citytrip in het zuiden van Spanje.donderdag 9 november 2017

Door Bruce Schoefeld
Foto's Van John Kernick

Boven de bescheiden houten toog van El Rinconcillo hangt een rijtje pata negra-hammen in het gelid. De bediening laveert als in een spontaan ballet tussen de tafeltjes door om iedereen van tapas te voorzien. Gemarineerde ansjovis, gefrituurde croquetas en dungesneden ham worden veelvuldig besteld en uitgeserveerd. Er is hier sinds 1670, toen dit restaurant in Sevilla voor het eerst zijn deuren opende, niet zo veel veranderd. Zoals op talloze andere plekken in deze eeuwenoude stad worden ook hier de wanden gesierd door met de hand beschilderde Moorse tegels. Om me heen klinkt rap Andalusisch Spaans en ik versta het ook nog, want ik heb hier dertig jaar geleden een tijd gewoond. Een keurige man op leeftijd schuifelt naar een vrouw aan een ander tafeltje. Het pak dat hij draagt ziet eruit alsof hij het in jaren ’40 heeft gekocht, en zijn getekend gezicht zou niet misstaan op een schilderij van Goya. Met een zwierig armgebaar reikt hij de vrouw een stevig papieren servet aan waar iets op geschreven is. ‘Voor u, een gedicht,’ zegt hij. Dan buigt hij. Ze leest het hardop voor.

* Droombeeld in zwart / Uw lange lokken zijn prachtig / Uw schoonheid overtreft die van de sterren aan de nachtelijke hemel! / Kusjes

Voor het eerst in zes jaar ben ik terug in Sevilla. Ik ben nog geen uur geleden geland en voel me, zoals altijd na een lange vliegreis, wat ontheemd; het is alsof er tussen mij en mijn omgeving een sluier hangt. En toch weet ik al na een paar minuten bij El Rinconcillo weer precies waarom ik zo dol ben op deze stad. Een hoffelijke oude man benadert een vrouw die hij niet kent met een vers dat spontaan in hem opwelde, met als enige doel haar schoonheid te bezingen. Niet bepaald een 21ste-eeuws tafereel, maar in Sevilla gebeuren dit soort dingen nog. 

Voortdurend stappen er gasten met een drankje in de hand door de voordeur naar buiten om hun gesprek daar voort te zetten. Deze bar is met zijn sfeervolle balkenzoldering bijzonder door zijn lange historie, maar enig in zijn soort is hij zeker niet. In de hele stad zijn er tientallen, zo niet honderden van dit soort tentjes te vinden. Hoewel ik al zeker dertig keer eerder in Sevilla ben geweest en er een kwart eeuw geleden zelfs negen maanden heb gewoond om research te doen voor een boek, ben ik voor het eerst op deze plek. En toch voelt het heel vertrouwd. 

Ik ken geen stad die de moderne tijd zo goed buiten de deur weet te houden als Sevilla. Of het nu gaat om de passie voor het stierenvechten of de hang naar de pracht en praal van het katholicisme, de hoofdstad van Andalusië koestert zijn traditionele levenswijze. 

‘Sevilla is een vrouwelijke stad,’ schreef James Michener in Iberia, zijn meesterwerk over Spanje (1968). Hij vergeleek de stad ‘met een onbuigzame oude weduwe die met de jaren nogal halsstarrig en zelfgenoegzaam geworden is’. Hij voegt eraan toe: ‘Het is geen toeval dat Sevilla vasthoudt aan bewegingen die in de rest van Spanje steeds meer worden losgelaten.’ 

Het is een riskante houding in het internettijdperk, waarin een stad die in het verleden blijft hangen hopeloos achterop kan raken. Maar voor wie hier komt om het zoete aroma van sinaasappelbloesem op te snuiven, in kerken tussen oude zuilengalerijen door te wandelen en om een stierenvechter te belonen met een enthousiast applaus, schuilt het wonderbaarlijke juist in het vertrouwde. 

‘Elke keer dat je hier komt, zeg je precies hetzelfde,’ zegt mijn vriendin Irene López-Melendo streng, die ik bel om te zeggen dat ik ben aangekomen. ‘Je weet toch dat er nergens zo weinig verandert als in Sevilla.’ 

Bij elk bezoek aan Sevilla verval ik meteen in oude gewoonten. Zo ga ik hier uren later naar bed dan thuis. Sevilla ligt in het zuidwesten van Spanje, op een uurtje rijden van de Atlantische Oceaan, in het westelijkste deel van de tijdzone. Eigenlijk zou de stad beter in de volgende kunnen liggen, net als Lissabon, en niet in die van Brussel en Amsterdam. In het voorjaar bereikt de zon de smalle straatjes pas tegen het middaguur, maar daar staat tegenover dat hij pas rond tien uur ’s avonds ondergaat. 

Zo komt het dat de Sevillanen nog later eten dan de meeste Spanjaarden, vaak pas tegen middernacht. Veel inwoners lopen dan ook overdag doodmoe rond op hun werk. Dit zomerse levensritme is een van de oorzaken van de uitzonderlijk lage arbeidsproductiviteit waar de stad bekend om staat. Om de hitte en het felle daglicht buiten te houden zijn de oude gebouwen voorzien van dikke muren en houten zonwering. Niet verwonderlijk dus dat ik de eerste ochtend kort na het ontwaken de kerkklokken al twaalf uur hoor slaan. 

Ik heb een kamer in Palacio de Villapanés. Dit hotel is gevestigd in een schitterend oud pand dat in ‘mijn tijd’ nog werd bewoond door de eigenaren. Wanneer ik voor een kop thee naar beneden ga, werp ik bewonderende blikken op geboende parketvloeren, gewelfde plafonds en fris geschilderde wanden die worden gesierd door portretten van matadors. Ik was blij verrast toen ik zag dat mijn minibar gevuld was met Manzanilla-sherry. 

Het lijkt wel of de hele stad pas is voorzien van een lik verf. Wijken die vroeger behoorlijk sjofel waren, maken nu een levendige indruk. Bij mijn vorige bezoek bijvoorbeeld was de Alameda de Hércules, een van de oudste parken van Europa, compleet overwoekerd door onkruid. De twee Romeinse zuilen rezen op boven een parkeerplaatsje dat was ontstaan voor de Cineplex, en onder de populieren werd openlijk gedeald. Ik kreeg er op weg naar de bioscoop eens op klaarlichte dag drugs aangeboden. Nu zijn er aan beide zijden van het plein goedlopende tapasbarretjes gekomen waar gasten genieten van hapjes en een drankje. 

‘Het gaat heel goed met Sevilla,’ vertelt López-Melendo me bij een glas wijn in een bar aan de Alameda. ‘Maar of dat zo zal blijven, weet ik niet. In Andalusië wordt niet echt iets geproduceerd en daarom moeten we het vooral hebben van het toerisme. Als de stad te veel verandert, komen de mensen misschien niet meer.’ Ze is 50 en is een telg uit een oude, conservatieve familie die, toen wij elkaar in 1989 leerden kennen, nog treurde om de dood van Francisco Franco. In die tijd studeerde ze en sprak ze elke avond met vrienden af in een bepaald deel van de stad. Toen ik voorstelde om eens ergens anders iets te gaan drinken, keek ze me bevreemd aan. ‘Hombre,’ zei ze dan. ‘Wij gaan altijd naar een van deze bars en nergens anders heen.’ 

Ik snap dus best dat ze de ontwikkelingen in de stad met enige zorg volgt. Ook ik bemerk een lichte verschuiving in de richting van de moderne, internationale bezoeker die in zijn hotelkamer CNN wil kijken en misschien zelfs wel een keer sushi wil gaan eten. Tijdens een van mijn omzwervingen door de wirwar van straten in het centrum zie ik tot mijn verbazing dat er speciale paden zijn aangelegd voor hardlopers en een fonkelnieuw metrostelsel. Maar gelukkig ziet het ernaar uit dat verder alles wat Sevilla in mijn ogen uniek maakt onveranderd is. 

Aan de skyline van de stad is een controversiële eyecatcher toegevoegd: de Metropol Parasol, een golvende overhuiving met een opvallend rasterpatroon. De ‘parasol’ wordt gedragen door zuilen zo sterk als brugpijlers en strekt zich uit over een lengte van wel twee huizenblokken. Met de bouw wilde het stadsbestuur schaduw creëren op de Plaza de la Encarnación en deze arbeiderswijk, in de woorden van architect Jürgen Mayer Hermann, ‘nieuw leven inblazen’ door nieuwe bars, restaurants en winkels aan te trekken. 

Het is een warme dag en ik wandel op mijn dooie akkertje onder de houten constructie door. Toch fijn, die schaduw. Ik neem een roltrap omlaag om de Romeinse ruïnes te bezichtigen die tijdens de bouw werden ontdekt. Even later voert een lift me naar het hoogste punt van de constructie. Eenmaal boven loop ik over een verhoogd gangpad dat als een bobsleebaan de houten golven van de parasol volgt. Vanaf die plek geniet ik van een weergaloos panorama over de stad – of eigenlijk een reeks panorama’s, want het uitzicht verandert met elke stap. Ik doe mijn best misprijzende gedachten op te roepen, want het was natuurlijk een belachelijk idee – López-Melendo noemt het een ‘grote fout’ – om midden in een eeuwenoude stad zo’n postmodern gevaarte neer te zetten. Maar elke bocht brengt weer een ander, onverwacht vergezicht waarvoor ik toch echt even blijf staan. In gedachten oefen ik vast wat ik straks zal zeggen tegen López-Melendo. ‘Het maakt de verwachtingen wel waar.’ Of: ‘Geef toe: in welke andere stad heb je nou zoiets?’ 

Die avond ga ik uit eten met kunstenaar Ricardo Rodriguez Llinares, geboren en getogen in de staden mede-eigenaar van restaurant ConTenedor. ‘Sevilla blijft zijn tradities in heel veel opzichten trouw en dat maakt het extra lastig om het nieuwe te omarmen,’ zegt hij. ‘We worden nooit een tweede Barcelona. Wat levensritme en klimaat betreft zitten we dicht tegen Afrika aan. We leven in de 21ste eeuw en moeten de moderne tijd omarmen. Maar dit moet wel met zorg gebeuren, anders dreigen we onze identiteit te verliezen.’ 

Ik merk dat mijn mening over de parasol is gekanteld. Het is in mijn ogen een on-Sevillaans bouwwerk, ingegeven door de drang om te ‘veranderen om het veranderen’ en dat is nooit een goed idee. De Metropol Parasol is een groots gebaar, vergelijkbaar met de 15de-eeuwse kathedraal van Sevilla, het op twee na grootste kerkgebouw van Europa en onmiskenbaar het hart van de stad. De parasol is een seculier bouwwerk, dat lijdt geen twijfel, maar toch zie ik het als een poging van de huidige generatie iets na te laten in een stad die lange tijd in het teken stond van traditie en de grandeur van een voormalig wereldrijk. 

Op zondag word ik wakker met aangename kriebels in mijn buik. Vandaag ga ik naar het stierenvechten in de Maestranza, de oudste en hoogste arena ter wereld. Ik heb al in geen jaren een stierengevecht bijgewoond. De inwoners lijden hier aan twee obsessies: de Semana Santa en toros. In geen enkele Spaanse stad zijn stieren zo geliefd als hier. 

‘Sevilla is de stad van de stier,’ schreef V.S. Pritchett in zijn boek The Spanish Temper. Hij illustreerde dit treffend door te vermelden dat koning Ferdinand VII, op de dag dat hij de grootse universiteit van de stad liet sluiten, een school voor stierenvechters opende. Ik heb een boek geschreven over de stierengevechten in Spanje in 1989. In Sevilla is het voorjaar het stierenseizoen, en als het even kan, kom ik ervoor naar Spanje. 

Ik heb al zeker honderd keer in de arena gezeten en heb rondom het stierenvechten zo mijn eigen gewoonten ontwikkeld. Ik begin de dag met een wandelingetje naar een kiosk om de ochtendkranten te kopen. Dan strijk ik neer in een café, waar ik mijn variant op een Sevillaans ontbijt bestel – een stuk brood met een punt van een tortilla española (omelet) – en lees wat de critici schrijven over de protagonistas van die dag. 

De hoofdpersonen? Ja, want stierenvechten is geen sport, zoals zo vaak ten onrechte wordt beweerd, maar een kunstvorm en een spektakel bovendien. Stierengevechten worden in de kranten besproken in het culturele katern, bij de toneel- en operarecensies. Vandaag wordt de ring betreden door drie novilleros, dat zijn beginnende toreros. Eén van hen, Francisco Lama de Góngora, is de neef van Curro Romero, een stierenvechter die zo geliefd was dat er voor de Maestranza een standbeeld van hem is opgericht. Stierenvechten is echter een onvoorspelbare kunstvorm. Want in welke andere discipline geven we vrij spel aan een oerkracht die de artistieke creatie om zeep kan helpen? 

Na de lunch doe ik een gestreken overhemd en een jasje aan. Het is dat ik vergeten ben een das in te pakken, maar anders had ik er eentje om gedaan. Nette kleren zijn niet verplicht; veel toeristen bezoeken de arena gewoon in een T-shirt en een korte broek. Ik zie mijn nette kleding als een uiting van respect; door me met zorg te kleden laat ik zien dat ik me ervan bewust ben dat de toreros hun leven wagen voor de kunst, of als dat een te zware term is: om het publiek te vermaken. 

De lokale bevolking weet wel raad met kritische opmerkingen over dierenwelzijn. Zij wijzen erop dat er zonder het stierenvechten nooit zulke enorme lappen weidegrond in stand zouden worden gehouden. Ook benadrukken ze dat een vechtstier een veel beter leven leidt dan stieren in gevangenschap. De karkassen van verslagen stieren worden vaak aan de armen geschonken. Alleen wie nooit vlees eet en geen leer draagt mag tegen het stierenvechten zijn. De rest kan zijn geweten tijdens een corrida sussen met de gedachte dat de stier een even ‘humane’ behandeling ten deel valt als in het slachthuis. 

De Maestranza is door zijn omvang behoorlijk imposant, maar tegelijkertijd heel sfeervol. Ik kom er heel graag, maar niet omdat je er nu zo lekker zit. De arena werd gebouwd in 1756, toen de mensen een stuk minder lang waren dan nu. Ik heb 55 euro betaald voor mijn kaartje en toch zit ik ingeklemd tussen twee andere toeschouwers, met mijn knieën tegen de rug van de vrouw voor me en met die van de man achter me in de mijne. Het is alsof ik een vlucht van twee uur maak in het toestel van een goedkope airline. 

Ik heb een plek in de schaduw, zes rijen boven het zand van de ring. Wanneer de eerste van de zes stieren zo dichtbij komt dat ik zijn gehijg kan horen, buigt mijn buurman zich naar me toe. ‘Je ziet een stierengevecht pas echt als je er heel dicht bij bent,’ zegt hij in het Spaans. Ik knik maar wend me, om verder contact te ontmoedigen, iets van hem af. Net als bij de meeste voorstellingen is het ook bij het stierenvechten van belang goed op te letten. Wie gaat zitten kletsen, kan net het mooiste moment van de dag missen. En het terughalen van beelden behoort bij het stierenvechten nu eenmaal niet tot de mogelijkheden. 

Lama de Góngora laat met zijn eerste stier wat mooie dingen zien. Hij beweegt als een danser en maakt goed gebruik van zijn cape. Maar na een tijdje lijkt de concentratie bij stier en torero wat te verminderen. 

Nada, nada,’ oordeelt de man naast me en ik kan hem geen ongelijk geven. Nadat de twee andere stierenvechters zijn geweest, komt Lama de Góngora de ring in voor zijn tweede stier. Hij is vastberaden zijn optreden tot een succes te maken – dat blijkt uit de blik in zijn ogen en de intensiteit waarmee hij de stier in beweging probeert te krijgen. ‘Toro! Eééhhh! Toro!’ Ditmaal is het de stier die wat teleurstelt. Hij staat met zwiepende staart in de zon en weigert tot de aanval over te gaan. 

De teleurstelling valt echter al snel van me af; ik ben tenslotte in Sevilla en de avond is nog jong. Ik verlaat de arena en loop langs de Guadalquivir in de richting van de Torre del Oro, de twaalfkantige Moorse toren uit 1220, die in het zachte avondlicht lijkt op te lichten. In een zijstraatje ontdek ik een bar die ik nog niet ken. Vanbuiten oogt hij vagelijk internationaal; een tent als deze kun je ook verwachten in Brooklyn of Brussel. Maar dat gevoel verdwijnt wanneer ik, eenmaal binnen, de tegels aan de wanden en de flessen sherry achter de tapkast zie. Zo’n bar vind je alleen in Sevilla, in het Sevilla dat ik me van vroeger herinner. 

Bruce Schoenfield schreef The Last Serious Thing: A Season at the Bullfights (1992). Fotograaf John Kernick vond Sevilla net zo heerlijk loom als bij een bezoek een jaar eerder. Foto boven dit artikel: Marques/Shutterstock.

Nog een paar tips van Bruce Schoenfeld

Sevilla is op zijn best hartje zomer, wanneer de hitte van de warmgele zandstenen gevels slaat en de gebouwen vanbinnen toch koel blijven. Tijdens de Heilige Week en de Feria de Abril is het extreem druk in de stad. 

Bekijken

De kathedraal van Sevilla, de grootste gotische kerk ter wereld, herbergt een van de grootste altaarstukken ooit gemaakt, een weelderig meesterwerk met fraai bewerkt en verguld hout. In de kerk is ook het graf van Columbus te zien, een feit dat in 2006 met een DNA-test werd bevestigd. Beklim de Giralda, de klokkentoren, voor een fraai uitzicht over de stad – en gebruik de toren als oriëntatiepunt tijdens je verkenningstocht door de kronkelende straten van Sevilla. De Metropol Parasol, een bouwwerk dat in 2011 werd opgetrokken uit gelamineerd berken hout, is voorzien van uitkijkplatform, museum en eetgelegenheden. Kunstenaars Francisco de Zurbarán en Bartolomé Murillo zijn misschien niet zo beroemd als Diego Velázquez of Francisco Goya, maar hun schitterende werken in het Museo de Bellas Artes, een prachtig museum in een voormalig klooster, kunnen nog een aardige verschuiving teweegbrengen in uw toptien van meest geliefde Spaanse schilders. 

Eten en drinken

Bij ConTenedor, een van de succesvolste restaurants van Sevilla, geniet u in een informele sfeer van creatieve gerechten; de eend met paddenstoelen is een aanrader. La Pepona schenkt zo’n tachtig wijnen en heeft daarmee naar verluidt het grootste assortiment van heel Spanje, en de tapas (sardientjes met tomatencompote, ceviche) gaan daar heel goed mee samen. Je zou een toeristenfuik verwachten op een toplocatie als die van Vinería San Telmo, maar deze bar/restaurant is zowel authentiek als vernieuwend; de porties van de met zorg bereide tapas zijn vergelijkbaar met een hoofdgerecht elders. Eslava, niet ver van de Alameda de Hércules, is een van de beste nieuwe tapasbars van nu. Men serveert er speelse gerechten als ‘gebakken bloed met ui’, en ‘inktvissigaren’. Vroeger was Modesto een wat ondergewaardeerd buurtrestaurantje, maar op de schaduwrijke patio van dit tentje in Puerta de la Carne wordt nog altijd eersteklas gegrilde vis geserveerd. 

Overnachten

Het Hotel Palacio de Villapanés ademt met zijn klassieke binnenplaats een traditionele sfeer, maar biedt tegelijkertijd moderne faciliteiten zoals computers en gratis wifi op de kamer (vanaf 200 euro).

Het kleine, stijlvolle boetiekhotel Corral del Rey is gevestigd in een 17de-eeuws gebouw. De ligging is perfect: op slechts een kleine loopafstand van het centrum van de stad, maar zonder de onvermijdelijke touringcars. De faciliteiten, waaronder een zwembad op het dak, zijn prima in orde (vanaf 245 euro). 

Lezen

In zijn levendige werk Iberia, een van James Micheners meest gelezen non-fictiewerken, brengt de schrijver Spanje – en Sevilla – tot leven. Ernest Hemingway had zijn hart verpand aan Spanje en beschreef het stierenvechtseizoen van 1959 in Sevilla in zijn postuum verschenen boek The Dangerous Summer.

Atlas

De heilige Isidorus van Sevilla probeerde in de 7de eeuw alle kennis te bundelen in een reeks boeken – wat hem volgens sommigen de beschermheilige van het internet maakt. 

De Romeinse keizer Trajanus werd even buiten Sevilla geboren, in de oude Romeinse stad Italica. 

In een winkelcentrum in Kansas City staat een replica van de Giralda. 

Kalender: in de arena 

De belangrijkste corridas de toros van Sevilla worden gehouden in de Maestranza, vlak voor en tijdens de jaarlijkse Feria de Abril (informeer naar de data). In de zomer zijn er op de meeste zondagen en tijdens een feestweek in september ook stierengevechten: dan betreden de aspirant-stierenvechters de ring. Vroeger moesten liefhebbers eindeloos in de rij staan om een kaartje te bemachtigen voor het stierenvechten. Het loket was slechts periodiek geopend en er kon alleen contant worden afgerekend. Er waren wel erkende verkooppunten, maar de kaartjes waren daar duurder. Tegenwoordig is het loket ’s morgens en ’s middags geopend, en kan er met creditcard worden betaald.

Lees meer