Turkije

Turkije: Daphne Bunskoek in Cappadocië

Televisiepresentator en reisjournalist Daphne Bunskoek doet exclusief voor Traveler verslag van haar reis door het wonderlijke rotslandschap van Cappadocië. donderdag, 9 november 2017

Door Daphne Bunskoek
Foto's Van Menno Boermans

Hoe meer zielen, hoe meer vreugd. In dit geval is het echt zo, bedenk ik me, als ik me rillend probeer op te warmen aan een bakje koffie. Om me heen, in de landstreek Cappadocië, worden zo’n 60 heteluchtballonnen in allerlei kleuren volgeblazen, en het vuur ziet er om halfzes in de ochtend, nu het nog donker is, indrukwekkend uit. Zodadelijk zullen we met twee dozijn Fransen en luidruchtige Italianen opstijgen, en onze gids, een vrolijk type met de prachtige naam Cihangir Cihangiroglu, gebaart ons plaats te nemen in de mand die met zes compartimenten genoeg ruimte biedt aan ons allemaal. Even later ment hij ons ervaren langs de andere ballonnen, omhoog en omlaag over het land van de feeënschoorstenen – zelfs zo laag dat Menno Boermans, de fotograaf met wie ik reis, behendig een blaadje plukt uit de top van een boom. De vlammen die de ballon met hete lucht vullen, warmen me aan de rand van de mand heerlijk op, al zie ik de mensen dichter bij het vuur af en toe bezorgd naar hun haar grijpen. De zon komt op, kleurt de vallei roze en bewijst zo waarom dit fotogenieke deel van Turkije een van de meest bezochte bestemmingen van het land is.

Cappadocië – Kapadokya in het Turks – bevindt zich in een kuil van een hoogvlakte die werd gevormd door drie vulkanen. Na een enorme uitbarsting van de Erciyes Dagı (3916m), de Hasan Dagı (3268m) en de Melendiz Dagı (2963m), ongeveer 40 miljoen jaar geleden, volgden er nog duizenden jaren van vulkanische onrust voordat het extreme klimaat, de rivieren en de wind het landschap zijn specifieke, sprookjesachtige vormen bezorgden – met rotsen als puntmutsen, paddestoelen, kegels en de beroemde feeënschoorstenen. Door de samenstelling van de verschillende lagen – sommige delen werden gevormd door lava, andere door magma of as – is het landschap continu aan verandering onderhevig. Het zachte, poreuze tufsteen erodeert snel en het hardere gedeelte, dat bestaat uit basalt, graniet en koper, zorgt ervoor dat de rotsen hun vorm krijgen en behouden.

Het heeft iets vreemds om met pakweg 1500 toeristen neer te kijken op het bijna verlaten landschap onder ons – het landschap dat ik de komende dagen hopelijk beter leer kennen. Het voornemen is een actieve reis te maken die me verder brengt dan de uitkijkplateaus waar de meeste toeristen een halfuurtje doorbrengen. In hoog tempo rijden hier de touringcars langs bijzondere en via de weg bereikbare plekken. Maar met 48 uur doe je het gebied echt tekort. De juweeltjes van Cappadocië laten zich niet allemaal vanaf de weg bewonderen, en we zijn vastbesloten de komende dagen niets aan ons voorbij te laten gaan.

Varen in een luchtballon is weliswaar nauwelijks een ‘activiteit’ te noemen, het is een goed begin van een ondernemende reis door Cappadocië. Het gehele gebied, zo’n 300 kilometer ten zuidoosten van Ankara, bestrijkt bijna 2000 vierkante kilometer, iets kleiner dan de provincie Limburg. En op deze manier overzien we de prachtige weidsheid.

Op de eerste dag ontmoeten we Ugur Ünal, een ietwat slungelige twintiger met een innemende glimlach en, zo zal blijken, een enorme schat aan kennis van de geschiedenis en cultuur van dit gebied. Hij begint zich direct te verontschuldigen voor zijn gebrek aan rijvaardigheid, en nadat hij in charmant Engels samenvat wat hem precies tot zo’n beroerde autorijder maakt (‘Ik rijd eigenlijk nooit, word snel afgeleid en kan niet tegelijk praten en rijden’), besluiten we dat Menno de komende dagen achter het stuur plaatsneemt. Ugur wijst ons de weg naar de Devrentvallei. Cappadocië kent veel van zulke valleien met elk een bijzonder landschap. De rotsen hebben roze, witte, groene en rood-oranje schakeringen, bepaald door de verschillende mineralen in het gesteente: zout, calcium en ijzer. In dit maanlandschap zijn de rotsen uitgesleten tot figuren en beesten; Ugur wijst ons op een haan, de hoed van Napoleon, een kameel, walvissen, zeehonden en zelfs op de heilige maagd Maria. Ondanks die prachtige verwijzingen zie ik in de rotsformaties toch vooral een enorm bos met fallussymbolen. Een van de valleien met 30 meter hoge, smalle losstaande rotsen met spitse toppen heet ‘Liefdesvallei’. Dat lijkt me een heel correcte naam.

Voor een echt actieve reis zullen we iets beter ons best moeten doen. Cappadocië betekent oorspronkelijk ‘het land van prachtige paarden’, dus het ligt voor de hand de streek vanaf het zadel te verkennen. De enige reden dat ik niet gelijk overloop van enthousiasme wanneer wij ons melden bij The Dalton Brothers, een stal in Göreme, is dat deze edele dieren een sluimerende angst in mij aanwakkeren. De keren dat ik op een paard zat, spraken wij zelden dezelfde taal. Het zijn vooral paardenliefhebbers die medan bemoedigend toespreken. ‘Wees vooral niet bang. Een paard voelt die angst onmiddellijk,’ wordt mij verteld. En: ‘Neem jij het gezag niet, dan neemt het paard het.’ Waardoor ik dus op een paard zit te veinzen dat ik niet bang ben, terwijl het dier dat natuurlijk donders goed doorheeft en alsnog de totale macht grijpt. Prima. Zolang we allebei maar weten hoe de stand van zaken is.

Met ietwat samengeknepen billen zit ik op Sude, een prachtige, niet al te grote bruine dame met blonde manen. Samen met Mohammed Yalçin gaan we op pad, de Rode Vallei in. Het paard is nogal sloom, wat ik een heel prettige eigenschap vind, maar bij tijd en wijle zet ze een wilde, ongecontroleerde draf in. Met een oncharmant gehops sluit ik me dan weer aan bij de groep.

Op een paar wandelaars na zijn we alleen, wat me hogelijk verbaast. De zon gaat langzaam onder en de rotsen verschieten van kleur. Het is nogal onwerkelijk om hier nu te zijn, het paardrijden krijgt op deze manier iets meditatiefs. Inderdaad, de rit begon voor mij angstig, maar door deze stilte, de veranderende kleuren van de rotsen en de schoonheid van de omgeving ben ik een stuk meer ontspannen. Uiteindelijk komen we aan bij Çavusin, met vele, in het zachte vulkanische tufsteen uitgehakte grotwoningen, waar we net op tijd arriveren om de zon in het dal te zien verdwijnen. Abidin, een grote grijze hond die tot dezelfde stal behoort als onze vervoersmiddelen, voegt zich bij ons, en gezamenlijk vormen we een bont gezelschap op de weg terug.

Terug bij de stal spreek ik Ekrem Ilhan, een kerel met bruine lange haren, getekend gezicht en scherpe, fonkelende ogen. Hij is de eigenaar van de stal, paardentrainer en -fluisteraar. Op zijn erf lopen wat katjes, een paar honden, een papegaai; in totaal heeft Ekrem op dit moment elf paarden. Hij heeft ze eigenhandig gevangen in het Erciyesgebergte en getemd. In Erciyes lopen zo’n 800 wilde paarden rond. ‘Dit zijn de beste paarden voor dit gebied,’ vertelt hij. ‘Ze zijn klein, behendig en niet bang. Elke dag rijd ik met een van de paarden door de omgeving, zodat ze precies weten wat ze kunnen verwachten.’ Hij beklimt daartoe steile rotsen en rijdt door smalle paadjes, en ze krijgen enkel biologisch verbouwd voedsel voorgezet.

Na een laatste kop thee ga ik met stramme spieren, die weinig goeds beloven voor de volgende dagen, op weg naar mijn bed in hotel Serinn House, een van de vele kleine boutiquehotels in Ürgüp, waar je kunt slapen in prachtig verbouwde grotten

Het stadje Göreme ligt in het hart van Cappadocië. Het nabijgelegen en gelijknamige nationaal park werd begin jaren tachtig door Unesco op de werelderfgoedlijst geplaatst. Hier vind je een uitgesleten vallei met duizenden kegels en paddestoelen met op de achtergrond de Roze Vallei, de Honingvallei en de Duivenvallei. Ten noorden van Göreme ligt het dorpje Zelve, waar de mooiste, surrealistische feeënschoorstenen zijn te bewonderen. Dit gebied leent zich uitstekend voor mountainbiken.

Een ervaren gids is daarbij onontbeerlijk, want hoewel het er ongevaarlijk is, raak je er door de vele kronkelpaadjes en op elkaar gelijkende rotsformaties snel de weg kwijt. Onze fietsgids Muslum is een man die liever fietst dan praat. Hij heeft een flinkesnor, vriendelijke ogen en een onverwacht buikje dat opbolt onder zijn strakke shirt. Zonder al te veel plichtplegingen stappen we op de fiets.

De tocht door de Pancarlikvallei brengt ons langs kloosters en oude kerken die ooit in de rotsen werden uitgehouwen. In de tijd dat het christendom nog niet werd toegestaan en christenen te lijden hadden onder voortdurende aanvallen van onder anderen de Arabieren, werden deze onopvallende kerken ook gebruikt als toevluchtsoord. In 313 n.Chr. werd het christendom getolereerd, en 520 jaar later werd ook het verbod op iconen afgeschaft waarna er nieuwe kerken werden bebouwd met prachtige fresco’s. We zien vele indrukwekkende schilderingen die passages uit het Nieuwe Testament verbeelden, en komen bij het zien van al dit moois welgeteld drie andere reizigers tegen.

Hoezeer ik ook geniet van de waanzinnig mooie omgeving, kost elke berg me meer moeite. Ik trap als een bezetene, maar mijn fiets lijkt maar centimeters vooruit te komen. De rit voert ons verder stroomopwaarts door de bedding van een smal beekje. Ik kom weer een beetje bij van de steile hellingen en kan zowaar een beetje rondkijken en genieten.

Bij Osman Arici, die een stalletje heeft bij het beekje, brandt een knapperend vuurtje en drinken we appelthee. Een grote hond ligt languit op vrolijk gekleurde kussens. Ik vraag Osman hoe hij op deze afgelegen plek terecht is gekomen. ‘Ik ben met pensioen,’ vertelt hij. ‘Uit liefde voor deze plek besloot ik thee en koffie te verkopen aan passanten. Daar’ – en hij wijst naar de typische uitgehakte tillen in de rotsformaties achter hem – ‘houd ik 23 duiven.’ Wij zijn pas zijn tweede klant vandaag, voegt hij nog toe. Het is bijna halftwee...

Na deze aangename pauze volgt nog een pittige klim in het plaatsje Ortahisar, waarbij ik besluit dat lopen hier toch echt sneller gaat dan fietsen. Niet veel later arriveren we bij een sfeervol restaurant dat uitkijkt op het drukke dorpsplein en op het kasteel hier, een typisch Cappadocisch fort. Ortahisar betekent zoveel als ‘middenvesting’, wat duidt op de centrale ligging tussen de steden Göreme, Ürgüp, Uçhisar en Nevsehir. We eten er een voedzame linzensoep, en Mulsum biedt me een ouderwets ‘sneeuwwitje’ aan: een Efesbiertje met 7-up. En ja, ik grijp nu alles aan om de uren die voor me liggen gemakkelijker te maken en drink het gulzig op.

Maar dan. Na het eten volgt de echte verrassing. We moeten nog vijf minuten klimmen, daarna gaat het een uur lang alleen maar bergafwaarts. In een heerlijk tempo zoeven we van Ortahisar naar Ürgüp over een prachtig paadje tussen rotsen, graan en bomen. En ik besluit dat dit al het geploeter meer dan waard is. Ontspannen rijden we Ürgüp binnen, waar ik mijn laatste energie nog enkel wil besteden aan het zoeken naar manti.

Hier komen we aan bij mijn persoonlijke culinaire queste. Sinds ik ooit bij restaurant Mira in Almelo manti heb gegeten, kan ik er soms watertandend naar verlangen. Manti zijn een soort ravioli die via nomaden vanuit Centraal-Azië Turkije is binnengekomen. De nomaden zouden gedroogde manti hebben meegenomen omdat het makkelijk op te warmen was bij een kampvuur. De manti die tegenwoordig worden gemaakt komen uit een Ottomaans 15de-eeuws recept waarbij het deeg wordt gevuld met een mix van lam of rundergehakt en fijngestampte kikkererwten, vervolgens gestoomd en geserveerd met yoghurt, knoflook en sumac. De meest geprezen manti in Turkije zijn die uit de stad Kayseri. Na enige research blijkt dat ik niet eens de tocht naar Kayseri hoef te maken. In Zeytin, een restaurantje aan de hoofdweg van Ürgüp, vind ik heerlijke, zelfgemaakte manti. Zeytin is een kleine zaak met open keuken, die op de professionele afzuigkapna heel huiselijk aandoet. Achter het fornuis staat Emine Yagizer, een kordate, energieke vrouw. Samen met haar man Huseyin runt ze al een café en nu sinds 4 maanden ook dit restaurant. Ze zijn elke dag geopend, van 7 uur ’s ochtends tot 11 uur ’s avonds. Alles wordt vers klaargemaakt, het is er lekker druk.

De manti die ze ons serveert, vertrouwt ze me toe, zijn niet door haarzelf gemaakt. ‘Ik neem het af van mijn beste vriendin, want door de nieuwe zaak heb ik er zelf geen tijd meer voor. Om voor vijf personen manti te maken heb ik ongeveer twee uur nodig.’ Het vergt de nodige handigheid en concentratie om de ravioli zo klein gevouwen te krijgen. Er is een gezegde in Kayseri dat stelt dat er 40 stukjes manti op een lepel moeten kunnen liggen om te spreken van geslaagde manti. Ik tel er 36, maar de goddelijke smaak smoort elk protest. De manti is boterzacht, de knoflook aanwezig, maar niet overheersend en het vlees precies de juiste pittigheid. Het smaakt precies als in mijn herinnering. Geluk op een bord. Na een hartelijk afscheid en de belofte het restaurantje aan te prijzen keren we terug naar onze ‘grot’.

Als ik de volgende ochtend in de auto zit, vallen me de velden vol overrijpe geel-oranje meloenen op. Klaar om geoogst te worden. Overal tussen de kenmerkende rotsen staan bomen in vuur en vlam. Langs de weg staan hier en daar groepjes vrouwen te roeren in enorme pannen die pruttelen op een houtvuurtje. We stoppen om te zien wat daarin schuilgaat en leren al snel dat het om pekmes gaat. ‘In de oogsttijd,’ vertelt Fatma Kumral, een van de vrouwen, ‘koken we het rijpe fruit in, tot er een dikke, zoete marmelade ontstaat.’ Fatma is blijkbaar wel wat toeristen gewend, want terwijl ze me vertelt over de pekmes, tovert ze een paar zelfgebreide sloffen uit haar zakken tevoorschijn die ze me met charmante overredingskracht weet te verkopen.

We zijn, ter afsluiting van deze trip, op pad naar Camardi, dat deel uitmaakt van de Taurus. In dit gebergte gaan we rotsklimmen. We doen er bijna twee uur over met de auto, en het blijkt nog vrij lastig de plek te vinden waar we hebben afgesproken met onze klimgids. Maar de zoektocht is beslist geen straf, want al rijdend door de dorpjes aan de voet van de Taurus zien we overal dorpbewoners druk aan het oogsten in de gaarden met overvolle appelbomen. Uiteindelijk schudden we de hand van Recep Ince, een rustige maar bevlogen kerel. Hij laat ons zijn grote trots zien: Aladaglar Camping, bestaande uit twee chalets, twee bungalows, een cabin en enkele kampeerplekken. Zijn vrouw Zeynep loopt binnen met op haar arm een baby van een paar maanden oud. Het kind heeft zijn eerste klimtocht er al op zitten, vertelt Recep, op de rug van zijn vader in een stevige doek...

Het stel komt uit Istanbul. Klimmen is hun passie, en na vele reizen werden ze verliefd op de bergen van de Taurus. ‘Hier heersen ideale klimcondities: veel zon, droge lucht en weinig mist. Daarom bouwden we er eerst een klein toevluchtsoord, een paarjaar later besloten we de hectiek van Istanbul volledig achter ons te laten en ons hier te vestigen.’ Recep neemt ons mee naar de Kaziklivallei, oftewel: Vallei van de Stokken. Zo’n 100 jaar geleden, zo gaat het verhaal, was er een dorpeling genaamd Ali. Hij hamerde houten stokken in de spleten van de rotsen om zo naar boven te kunnen klimmen en toegang te krijgen tot de honing van de wilde bijen die daar huisden. Recep laat ons de bewuste plek zien, en inderdaad: uit de indrukwekkend steile wand steken her en der nog wat oude houten stokken. De meeste klimroutes in deze vallei werden door Recep uitgezet. Uit pure liefde, zegt hij. Van de 230 sportroutes die het gebied telt, staan er zo’n 160 op zijn naam. Hij wil zelf klimmen en ook anderen de kans gevenop een sportieve manier te genieten van dit hof van Eden. Ikzelf heb nog nooit geklommen. En als we van start gaan, kalk ik mijn handen in alsof er nooit meer een nieuwe mogelijkheid zal komen. Ik begin aan mijn eerste uitdaging, een rots van het kaliber 4+. Aangezien de routes beginnen bij 4 en oplopen tot 8+, lijkt me dat een uitstekende rots voor beginners.

Ik ben meteen enthousiast. Als een spin tegen de rotswanden gekleefd, terwijl je vingers en voeten zoekend het steen aftasten voor enige houvast: het lijkt mij onmogelijk dichter bij de natuur te komen. Omdat het klimmen een enorme concentratie vergt, ben ik verbaasd als ik de top blijk te hebben bereikt. Nu alles goed is gegaan, waag ik me aan een rots van het kaliber 5. Er is niemand in de wijde omtrek te bekennen, en dat heeft één nadeeltje: er klinkt weinig applaus zodra je de top hebt bereikt. Maar dan is daar Menno, de fotograaf en zelf een ervaren klimmer. ‘Heel goed, Daphne!’ klinkt het aanmoedigend. ‘Als ik vanuit deze positie jou in beeld breng, lijkt het net alsof de rots heel steil is en je naar grote hoogte geklommen bent.’

Fijn, Hollandse nuchterheid op Turkse hoogte.

 Voor de beste tips voor een reis naar dit gebied, lees je onze reiswijzer.

Lees meer