Vietnam

Varen door de Mekongdelta

Een groot deel van het leven in Vietnam speelt zich af op het water – zoals in de idyllische Mekongdelta. donderdag, 9 november

Door Marjolijn van Heemstra

Het zou het nationale symbool van Vietnam kunnen zijn; de bont gekleurde Cao Dai-tempel in Vung Liem waarin elementen van het toaisme, boeddhisme, confucianisme, christendom en de islam zijn verenigd tot een polychroom gebedshuis. De Cao Dai-religie, die in de jaren ’20 in Vietnam ontstond en meer dan drie miljoenen leden telt, maalt niet om een wereldgodsdienst meer of minder. Harmonie is het sleutelwoord en het is misschien niet toevallig dat deze godsdienst hier ontstond, op een plek die al duizenden jaren strijd voert om de harmonie te bewaren. 

De conciërge van de tempel, meneer Tien (het tiende kind van zijn ouders), zet thee onder een afdak van golfplaten en somt intussen de buitenlandse machten op die zijn land de afgelopen duizend jaar binnenvielen: China, Frankrijk, Japan, Cambodja, de VS. In plaats van hun religies te verwerpen werden ze in Cao Dai verzameld in een vreedzaam verhaal. In het dorp hangt een grote poster: ‘Harmony in the nation, happiness in the family’ staat erop. Maar voor die harmonie is een hoge prijs betaald.

Of meneer Tien zich de onafhankelijkheid herinnert? Hij maakt een wegwerpgebaar met zijn hand. Onafhankelijkheid, snuift hij, het zal wel. Het eerste wat ze deden was Cao Dai verbieden. Echt beter gaat het met het land pas sinds eind jaren ’90, zegt hij. Sinds de markten opengingen en de buitenlanders kwamen. 

De thee is klaar, meneer Tien schenkt in en vraagt of ik een mango wil. 

We zitten in Vung Liem, een stadje in de Mekongdelta in zuidelijk Vietnam. De delta, die uit dertien provincies bestaat, is het armste deel van het land. Wegen zijn er weinig, het meeste vervoer gaat per boot over de talloze vertakkingen van de brede Mekong. De rivier is de levensader van dit gebied waar markten drijvende kraampjes zijn, de meeste huizen aan de oever staan en elke voordeur opent naar de rivier.

Sinds de Japanners in 2011 een brug bouwden die de delta verbindt met de provincies erboven zijn er dingen veranderd. Zelfs in de kleine dorpen is dat merkbaar. Ik ben de zevende toerist die meneer Tien deze week zag. Vroeger zag hij er nauwelijks één per maand. 

Vung Liem is een tussenstop op weg van My Tho, de hoofdstad van een van de delta’s noordelijkst gelegen provincies, naar het zuidelijker gelegen Can Tho, beroemd om zijn drijvende markt. Op een twaalf meter lange sampan, een traditionele Vietnamese boot, is het twee dagen varen. Snel gaat dat niet, zestien kilometer per uur. Langs heuvelvormige fabriekjes die als reuzenmierenhopen op de oever staan en waar de rivierklei tot rode bakstenen wordt gebakken, langs velden vol peper en rijst en langs de kokosnootboeren die op steigers aan het meer de olie uit hun vruchten koken. Met 53.000 hectare kokospalmen is de Mekongdelta de kokosnootprovincie van Vietnam. Sap, kool, poeder, olie, touw, netten, mest: de vruchten transformeren hier tot zo’n beetje alles wat ik maar kan verzinnen en zijn de trots van dit gebied. Elk jaar wordt het mooiste meisje van de delta tot Miss Kokosnoot gekroond. 

De Mekong is een slaperige rivier, af en toe vaart er een boot voorbij, vol zand of vruchten. In ondiepe delen zwemmen kinderen tussen de grote roze waterhyacinten. Ooit was dit het rijk van de Khmer, wat nu Combodja is, daarna van de Cham, nu een minderheid in Vietnam, en daarna van de Fransen. In 1976 werd het land na de Vietnamoorlog onafhankelijk en in de jaren ’70 viel de Rode Khmer binnen, gesteund door China. De bevolking van nu is een mix van stammen, nakomelingen van oude dynastieën en nieuwe import. In de dorpen wisselen de Chinese tempels en de katholieke kerken elkaar af.

Maar wat hier ook vereerd wordt, er is één constante factor: voormalig leider Ho Chi Minh. Staat er geen standbeeld, dan hangt er wel een poster, een foto desnoods. Ho Chi Minh, die Vietnam van de Fransen bevrijdde en opstootte in de vaart der volkeren, wordt liefkozend ‘Ho’ of ‘Ome Ho’ genoemd. Breng hem ter sprake en er wordt geglimlacht, geknikt, verteld hoeveel talen hij sprak, hoe bijzonder intelligent hij was. 

Hij heeft ons eigenwaarde gegeven, antwoordt onze gids Tom as ik hem vraag wat Ho Chi Ming voor de Vietnamezen betekent. ‘We waren gewend dat iedereen op ons neerkeek, gewend om de underdog van de wereld te zijn. Ho gaf vertrouwen, hij is een bindende factor in dit land.’

En kritiek op Ho? De gids schudt snel zijn hoofd. Waarom zouden mensen dat doen, zegt hij zachtjes. Het is opvallend hoe snel het volume van Vietnameze stemmen daalt zodra ’s lands politiek ter sprake komt. Het land staat nog altijd slecht bekend als het om vrijheid van meningsuiting gaat. Dat durft de gids nog wel te beamen. Maar dat komt, voegt hij er snel aan toe. Het komt allemaal, en dat zal niet lang meer duren.

In het dorp Phong Nam wil Bao dat we zijn jasmijnthee proeven. We zitten op een stenen plein voor een kleine tempel, omringd door papayabomen. Af en toe fietst er iemand langs, verborgen onder een traditionele kegelvormige hoed, dan weer zoeft er een scooter voorbij, bemand door twee of drie tieners. Als Bao de thee heeft ingeschonken, begint hij met plechtige stem te reciteren. De gids vertaalt, het is de eerste strofe van het verhaal van Kieu, een episch gedicht over een dappere vrouw die door het lot van haar geliefde wordt gescheiden en steeds opnieuw door het leven wordt belazerd. ‘Iedere Vietnamees,’ zegt Bao, ‘kent dit. En als je dit begrijpt, begrijp je Vietnam.’ Hij neemt een slok thee en praat op gedragen toon verder. ‘Je eigen keuzen komen steeds weer in conflict met het lot. Je wilt loyaal zijn aan wie je bent en van wie je houdt, maar het leven beslist anders dus moet je meebewegen, flexibel zijn als bamboe, buigen en niet breken.’

Het 18de-eeuwse gedicht werd geschreven door de beroemde Vietnameze dichter Nguyen Du die worstelde met een loyaliteitsconflict toen zijn oude heerser de macht verloor en de nieuwe hem sommeerde bij hem in dienst te komen. Centrale vraag: kies je voor jezelf of voor het grotere geheel? Het individu of de groep? 

Hier en daar slingeren de dorpen in de delta je terug in de tijd. Op een plein waar de kinderen in identieke pakjes voor een grijs betonnen gebouw groepsgymnastiek doen. In de straat waar een grote luidspreker de dagelijkse propaganda verkondigt aan de buurt en grote posters, geschilderd in rood, geel en blauw voorbijgangers van moralistische boodschappen voorzien. Buurland China moderniseert in razend tempo, Vietnam heeft een ander ritme, trager, aarzelend Maar naast het kraampje met ratten-, slangen- en kikkervlees hangt in Phong Nam sinds kort ook een rek T-shirts met het logo van Apple en de grijnzende kop van popidool Justin Bieber. 

Na 48 uur dobberen door het toverachtige landschap varen we vroeg in de ochtend de drijvende markt van Can Tho op. Een stuk of 200 houten boten volgeladen met uien, kokosnoten, mango’s, rieten manden, mensen, honden, hanen, koffie en blikjes cola, kool en cassave. Aan lange bamboestokken op de voorplecht van de boten hangt wat er op het betreffende te koop is. Slingers knoflook en ananassen wiegen in de wind. 

Tussen de boten vol koopwaar varen de bootjes van de kopers. In het midden drijft een groot café waar ze aan piepkleine tafeltjes zoete Vietnamese ijskoffie en noedelsoep serveren. Af en toe hangen de koopmannen en -vrouwen de was op of springen met een stuk zeep in de rivier voor een snelle douche. Sommigen van hen zijn al dagen onderweg en blijven op de boot tot hun voorraad is verkocht.

Dit is niet de enige drijvende markt in de buurt, maar wel de grootste, en het is een indrukwekkend plaatje: de boten, de stapels groente en fruit, de slaperige verkopers in het ochtendlicht.

Vlak achter de markt ligt de nieuwe brug, die zo veel voorspoed brengt maar tegelijkertijd de drijvende markt langzaam overbodig maakt, omdat de landmarkten nu toegankelijker zijn. Gids Tom geeft de drijvende markten nog een paar jaar. Ze hebben geen plek in het Vietnam van de toekomst. 

Een paar uur later zitten we op veerboot naar de laatste bestemming: het eiland Phu Quoc, in het uiterste zuiden van Vietnam. Het is een schril contrast met de oude houten boten van die ochtend. Op de ferry draaien twee grote tv’s urenlang de nieuwste clips van Andy Quach, de hipste zanger van Vietnam. De jongeren zingen de nummers mee vanuit hun airconditioned stoelen. Steeds hetzelfde verhaal, Andy wordt bedrogen en komt er bovenop, met steeds een andere Aziatische schone in de hoofdrol.

Op het achterdek staan mannen te kaarten. Een sporadische toerist zit op de rij stoelen in de vlammende zon.

Phu Quoc is voor de meeste van hen de laatste bestemming van de reis. Het eiland om uit te rusten, indrukken te verwerken op het strand. Phuket zoals het dertig jaar geleden was, zo adverteert Vietnam dit meest zuidelijk gelegen eiland. De boodschap is duidelijk: hier bestaan nog mooie stranden, bossen, hotels en restaurants en een gemoedelijkheid die op soortgelijke locaties in Thailand allang niet meer zijn te vinden. 

Het eiland is dunbevolkt. Wat vissers en verder de mensen van het vasteland die in de hotels werken. Je kunt er fietsen, of een rondje rijden langs de stille bossen en bergen. Je kunt er van alles, maar je kunt er ook niets. 

Op weg van de haven naar het hotel passeren we tientallen bouwputten. Op Phu Quoc, waar armoede heerst, zijn de verwachtingen hooggespannen. Er is vorig jaar een nieuw vliegveld gebouwd en als het even meezit, stromen de toeristen straks binnen. Er wordt druk gebouwd; wegen, hotels, appartementen.

Maar voorlopig is het rustig. Groepen toeristen zie ik alleen op de oude peperplantage en op excursie in de vissaus­fabriek die, zo wordt geclaimd, de beste vissaus van Vietnam maakt. Verder liggen ze in plukjes op de stranden van hun hotels en zitten ze rond een uur of zes in rijen op het zand om de magistrale zonsondergang in de Golf van Thailand te fotograferen.

Het massatoerisme lijkt, ondanks de hotels en wegen in aanbouw, op Phu Quoc nog toekomstmuziek. 

Voor sommigen mag het dat ook blijven. Voor Huy bijvoorbeeld, de oude visser die de ontwikkelingen van de afgelopen jaren met lede ogen aanziet en mij aanpreekt in een klein café in Duong Dong, de grootste stad van het eiland.

Hij strandde hier in de jaren ’70 toen zijn familie na de burgeroorlog probeerde Vietnam te ontvluchten. Ze kwamen niet verder dan Phu Quoc, en veertig jaar later is hij blij dat het zo gelopen is. Hij had deze prachige zee, de rust en de bergen niet willen missen. ‘Ik moet het nog zien,’ zegt hij, ‘dat massatoerisme hier. Phu Quoc is er niet op toegerust, het zal vast langer duren dan iedereen denkt.’

Hij vraagt of ik het verhaal van de lime­stone ken en begint dan te vertellen. Een broer en een zus hadden van hun ouders de opdracht gekregen op elkaar te passen. Op een dag verwondde de broer de zus per ongeluk toen zijn mes uit zijn hand schoot. Hij dacht dat hij haar gedood had en vluchtte. Twintig jaar later kwamen ze elkaar weer tegen. Ze herkenden elkaar niet, trouwden, kregen een kind en waren gelukkig. Totdat de vrouw vertelde over haar broer, die was weggerend en hoe haar ouders stierven van verdriet. De broer, verteerd door schuldgevoel, stapte daarna op zijn boot om voor altijd weg te varen. De vrouw wachtte op het strand op zijn terugkeer, hun kind in de armen. Ze wachtte zo lang op haar geluk dat ze van steen werd. 

Die vrouw die steen werd, dat is dit eiland, zegt Huy. Wachten, wachten, hopen. 

Lees meer