Wetenschap

Fossielen schetsen ander beeld van vervaarlijke sabeltandtijger

Door de vondst van honderden tanden in de teerputten van La Brea moeten wetenschappers het beeld van dit icoon van de IJstijd bijstellen.woensdag 7 augustus 2019

Door John Pickrell
In het vlekkerige licht dat door het bladerdak valt, doen sabeltandtijgers zich te goed aan een planteneter die in bebost gebied leeft, terwijl reuzenwolven op het open grasland van het Pleistocene Californië op bizons jagen. Op basis van een analyse van hun tanden leefden de sabeltandtijgers in het westen van Noord-Amerika waarschijnlijk in beboste omgevingen en jaagden ze op dieren als tapirs en herten.

Tot ongeveer 10.000 jaar geleden was de sabeltandtijger Smilodon fatalis een angstaanjagend roofdier in een gebied dat nu het noordwesten van Noord-Amerika is. Uit de sterk riekende smurrie van de La Brea-teerputten in Californië zijn de fossielen van inmiddels ruim drieduizend katachtigen geborgen, en onderzoekers die ze hebben bestudeerd, hebben Smilodon lange tijd afgeschilderd als een leeuwachtig roofdier dat op weidse grassteppen jaagde op bizons en wilde paarden.

Maar de analyse van honderden gefossiliseerde tanden uit La Brea levert een ander beeld van dit vervaarlijke prehistorische dier op, dat een gewicht van ruim 270 kilo kon bereiken en hoektanden van achttien centimeter kon ontwikkelen.

“Het beroemde beeld van sabeltandtijgers die een bizon tegen de grond werken – dat wordt door deze vondsten absoluut niet gestaafd,” zegt onderzoeksleidster Larisa DeSantis, paleontologe aan de Vanderbilt University in Nashville, Tennessee. Uit het onderzoek, dat gisteren in het tijdschrift Current Biology werd gepubliceerd, komt naar voren dat Smilodon daarentegen een bosbewoner moet zijn geweest en het vooral gemunt had op dieren die zich met boombladeren voedden.

“Het ging eerder om dieren als tapirs en herten, niet zozeer om wilde paarden en bizons,” zegt DeSantis.

Het uitgebreide onderzoek van haar team verklaart misschien ook waarom kleinere roofdieren als coyotes en wolven tot in de huidige tijd wisten te overleven terwijl grotere vleeseters als sabeltandtijgers, reuzenwolven en holenleeuwen allemaal tussen de 10.000 en 12.000 jaar geleden uitstierven.

De doorslaggevende factor was volgens het team de mate waarin deze roofdieren hun dieet konden aanpassen toen veel van de grote prehistorische planteneters van Noord-Amerika, waaronder reuzenluiaards, mammoets, mastodonten en Amerikaanse kamelen, uitstierven. Bij eerder onderzoek werd bijvoorbeeld ontdekt dat coyotes na het verdwijnen van deze grote planteneters twintig procent kleiner werden, terwijl uit een nieuwe analyse van hun tanden bleek dat ze ook hun levenswijze aan de nieuwe realiteit aanpasten.

“Toen de prooidieren van de grote roofdieren uitstierven, werden de roofdieren niet alleen kleiner maar pasten ze hun dieet ook grondig aan, zodat ze zich ontwikkelden tot de opportunistische aaseters die we tegenwoordig kennen,” zegt DeSantis.

Aan de tand gevoeld

De wetenschappers bestudeerden ruim zevenhonderd gefossiliseerde tanden die in La Brea waren ontdekt en ooit toebehoorden aan verschillende planteneters en daarnaast aan sabeltandtijgers, holenleeuwen, reuzenwolven, poema’s, coyotes en wolven. Het team keek naar microscopische slijtagepatronen, die veel kunnen vertellen over het soort voedsel waarop de dieren kauwden, en ook naar de verhouding tussen twee koolstofisotopen in het tandglazuur.

Deze subtiel van elkaar verschillende varianten van het koolstofatoom worden op verschillende manieren opgebouwd in planten in beboste omgevingen en planten in open steppelandschap. Planteneters die zich met deze vegetatie voeden, zijn te herkennen aan de chemische handtekening van de omgeving, een kenmerk dat weer wordt overgenomen door de roofdieren die op deze planteneters jagen. Dat betekent dat uit de resten van vleeseters kan worden opgemaakt of ze zich ooit voedden met prooidieren die in een bebost landschap leefden of op dieren die over open grassteppen trokken.

In eerdere studies was al gekeken naar de verhouding tussen koolstof- en stikstofisotopen in overblijfselen van het eiwit collageen, dat in de botten van roofdieren uit La Brea werd aangetroffen. Uit die onderzoeken bleek dat de grootste roofdieren – waaronder Smilodon, de reuzenwolf en de holenleeuw – waarschijnlijk allemaal op open grasland jaagden.

“Tot nu toe wezen alle gegevens erop dat ze vochten om dezelfde prooidieren,” zegt DeSantis. Sommige experts meenden dan ook dat deze rivaliteit zou hebben bijgedragen aan de uitsterving van de grote roofdieren. Maar de analyse van het tandglazuur wordt inmiddels gezien als de ‘gouden standaard’ voor dit soort isotopisch onderzoek, zegt DeSantis.

“Tandglazuur is betrouwbaarder dan collageen,” zegt Julie Meachen, een paleontologe van de Des Moines University in Iowa die geen deel uitmaakte van het onderzoeksteam. Tandglazuur zal gedurende het gestage fossilisatieproces en door het langdurige verblijf onder de grond minder sterk veranderen.

“Toen we het tandglazuur bestudeerden, zagen we een totaal ander beeld,” zegt DeSantis. “We ontdekten dat sabeltandtijgers, holenleeuwen en poema’s deden wat katten ook nu nog doen, namelijk jagen in beboste ecosystemen, waarbij ze gebruik maakten van het struikgewas om hun prooi te overvallen.”

Daarentegen waren het hondachtigen als de reuzenwolf, de coyote en de wolf die in meer open landschappen jaagden.

“Katten en honden begonnen zich apart van elkaar te gedragen,” zegt zij.

Optimale overlevers

Uit de bevindingen komt naar voren dat er onder de grootste vleeseters van het Pleistoceen feitelijk veel minder competitie om prooidieren bestond dan werd aangenomen, vooral tussen sabeltandtijgers en reuzenwolven.

Het nieuwe onderzoek is belangrijk omdat “het de eerste studie is waaruit blijkt dat Smilodon en de reuzenwolf wat betreft de keuze van hun prooidieren met heel verschillende dingen bezig waren,” zegt Meachen. “Het is logisch dat Smilodon in een meer beboste omgeving jaagde, gezien het feit dat hij zijn prooi waarschijnlijk niet over grote afstanden achtervolgde. Uit hun morfologie blijkt dat het eerder sluipmoordenaars waren.”

bekijk galerij

Het nieuwe onderzoek “voegt nieuwe inzichten toe aan onze kennis over Smilodon fatalis en over zijn favoriete omgeving,” zegt paleontoloog Christopher Shaw, assistent-curator van het Idaho Museum of Natural History en voormalig beheerder van de paleontologische collecties van het museum van de La Brea-teerputten. Ander bewijs lijkt erop te wijzen dat de Smilodons uit La Brea soms bizons aten, zegt hij, maar dat is misschien niet zo tegenstrijdig als het klinkt.

“Er leefde ooit een ondersoort van de bizon die goed was aangepast aan beboste habitats en mogelijk een ideale prooi is geweest,” zegt Shaw.

Het belangrijkste is misschien nog wel dat het nieuwe onderzoek erop lijkt te wijzen dat een menu van specifieke prooidieren de voornaamste oorzaak is geweest van het uitsterven van soorten als Smilodon en de reuzenwolf, terwijl coyotes de ecologische veranderingen wisten te overleven dankzij hun grote aanpassingsvermogen; zij stapten over op kleinere prooidieren als ratten of konijnen en ontwikkelden zich ook tot aaseters.

Volgens Meachen kunnen coyotes “veranderen van prooidieren en zelfs van jachtstrategie om hun kansen op overleving te optimaliseren.”

Volg John Pickrell op Twitter.

Dit artikel werd oorspronkelijk in het Engels gepubliceerd op NationalGeographic.com

lees verder

Hyena’s trokken ooit door Noordpoolgebied, blijkt uit fossielen

Hyena’s trokken ooit door Noordpoolgebied, blijkt uit fossielen

De prehistorische roofdieren moeten een wolharige vacht hebben gehad die ’s zomers en ’s winters van kleur veranderde, zodat ze meer succes hadden in de jacht op kariboes en mammoeten.
Deze verrassende dieren hebben slagtanden
Video
3:14

Deze verrassende dieren hebben slagtanden

Van walrussen tot narwals tot olifanten: deze dieren gebruiken hun doorgeschoten tanden als multitool om te overleven.
Fossiel van 25 meter lange walvis is grootste ooit

Fossiel van 25 meter lange walvis is grootste ooit

Deze zeereus leefde rond anderhalf miljoen jaar geleden, wat erop wijst dat blauwe vinvissen veel vroeger hun kolossale omvang bereikten dan tot nu toe werd gedacht.
Lees meer