Zullen we grote menigten ooit weer vertrouwen?

Als je moeite hebt met drukke plekken, ben je niet de enige. Volgens wetenschappers verandert de pandemie onze gevoelens van angst en afkeer, en het is niet duidelijk hoelang die verandering zal duren.

Friday, October 2, 2020,
Door Philip Kiefer
Volgens neurowetenschappers en psychologen voelen mensen zich in de buurt van vreemdelingen en op drukke plekken ...

Volgens neurowetenschappers en psychologen voelen mensen zich in de buurt van vreemdelingen en op drukke plekken niet ongemakkelijk omdat ze in zulke situaties eerder al emoties van angst en afkeer hadden, maar omdat veel mensen in de samenleving tegelijkertijd een nieuwe emotionele ervaring hebben opgedaan.

Foto van Richard Heathcote, Getty Images

Toen ik weer eens een oude aflevering van de sitcom Seinfeld uit de jaren negentig zag, merkte ik voor het eerst dat de COVID-19-pandemie mijn geest misschien voor langere tijd heeft veranderd. Ik zag dat de personages van de serie gezellig tegenover elkaar zaten in Monk’s Café. Kramer struikelde het beeld binnen en legde zijn arm ontspannen over een andere stoel waarin ook iemand zat. Toen zijn arm die andere persoon aanraakte, kreeg ik kromme tenen.

Destijds was de pandemie nog maar enkele weken in mijn woonplaats New Orleans uitgebroken en stapte ik al van het trottoir af als ik een vreemdeling zag aankomen. Als iemand ondanks mijn paranoia plotseling vlak langs me liep, hield ik mijn adem in en rolde geërgerd met de ogen terwijl hij of zij langs me kwam banjeren. Ik vond mijn gedrag normaal, ook al hadden wetenschappers er halverwege maart al op gewezen dat de kans erg klein is dat het coronavirus in de openlucht wordt overgedragen. Al mijn vrienden vertelden me dat ze soortgelijke gevoelens hadden. Een vriendin zei me dat ze de tv moest uitzetten als er een scène met een drukke metrocoupé in beeld kwam. We zijn dus niet de enigen. Volgens een recente opiniepeiling van Morning Consult zeggen de meeste Amerikanen (ongeacht hun politieke voorkeur) dat ze zich niet prettig voelen op drukke plekken, zowel binnen als buiten, zelfs nu sommige staten al zijn begonnen met het opheffen van de coronabeperkingen.

Volgens neurowetenschappers en psychologen voelen mensen zich in de buurt van vreemdelingen en op drukke plekken niet ongemakkelijk omdat ze in zulke situaties eerder al emoties van angst en afkeer hadden, maar omdat veel mensen in onze samenleving tegelijkertijd een nieuwe emotionele ervaring hebben opgedaan. Het proces waarmee een emotie wordt ingeprent, is een van de manieren waarop onze hersenen onze ‘onderbuikgevoelens’ in de context van de reële wereld plaatsen, zodat we beter de weg kunnen vinden in het woud van angsten dat om ons heen groeit. 

Deze mentale reacties hebben vaak niets te maken met een directe ervaring met het coronavirus, zegt Lisa Barrett, neurowetenschapper en psychologe aan de Northeastern University in Boston. “Je kunt gewoon iets in de krant hebben gelezen of het van iemand hebben gehoord,” zegt zij. Als “je hoort dat iemand met COVID-19 besmet is geraakt en daaraan is overleden omdat hij of zij op een drukke plek was geweest, zijn je hersenen snel geneigd om dat verband vast te houden.”

Om te begrijpen waarom mensen zo’n sterke afkeer tegen drukke plekken ontwikkelen, moeten we eerst stilstaan bij het verschil tussen het ervaren van een emotie en het reageren op een ongemak. Als we naar de geschiedenis kijken, blijkt dat we onze weerzin tegen drukke plekken ook weer kunnen ‘afleren’ als de pandemie eenmaal is weggeëbd.

Van instinctieve reactie naar emotie

Als iemand een instinctieve afkeer voelt bij de aanblik van een drukke plek, wil dat nog niet zeggen dat hij of zij daar ook bang voor is. De overgang van een instinctieve reactie naar een echte emotie komt pas na herhaalde ervaringen, waarbij de hersenen de nieuwe situatie en gevoelens een plek geven. “Jouw lichaam stuurt voortdurend informatie over jouw welzijn naar de hersenen. Je ervaart die informatie als instinctieve gevoelens van kalmte en comfort of van onrust of zorg,” zegt Barrett. “De meeste mensen noemen dat ‘onderbuikgevoelens’ of instinctieve reacties, maar wetenschappers spreken van ‘affecten.’”

Uit het onderzoek van Barrett is gebleken dat niet iedereen emoties op dezelfde manier ondergaat of zelfs dat emoties in de loop der tijd niet altijd hetzelfde worden ervaren door een en dezelfde persoon. Het idee van angst berust op een cluster van situaties die door de hersenen tot één groep wordt samengevat. Bij hoogtevrees kunnen we misselijk worden van de angst, maar we kunnen ook de opwinding voelen van een ritje in een achtbaan of merken dat de rillingen ons over de rug lopen als we in een leeg huis een deur horen piepen. Onze hersenen verbinden al deze ervaringen met elkaar en delen ze in de categorie ‘angst’ in. Daarom kan angst zich op talloze verschillende manieren manifesteren, van een knoop in je maag en een gevoel van verlamming tot het verlangen om gillend weg te rennen. Als gevolg van de pandemie en de onzichtbare dreiging van mensen die geen symptomen vertonen maar het virus wel verspreiden, leren mensen om hun afkeer van drukke plekken of hun weerzin bij het zien van iemand die de coronaregels aan zijn of haar laars lapt, een nieuwe plek te geven, zegt Barrett. De geest zoekt naar de juiste categorie.

Wat bij mij begon als een gevoel van angst of afkeer wanneer ik drukke plekken op de televisie zag, kan zich bij iemand anders als woede manifesteren. Weer iemand anders kan simpelweg de behoefte voelen om andere mensen voor te houden dat ze afstand moeten bewaren, een reactie die ze helemaal niet als ‘emotioneel’ ervaren.

Een scala van instinctieve reacties 

Als we willen begrijpen waarom deze verschillende instinctieve reacties ontstaan, kunnen we te rade gaan bij dieren. Uit onderzoek van de neurowetenschapper Cornelius Gross naar de hersenen van muizen en apen komt naar voren dat uiteenlopende reacties op gevaar onafhankelijke reactiepaden in het dierenbrein volgen. Volgens Gross is het aannemelijk dat hetzelfde in het menselijk brein gebeurt, aangezien een deel van de hersenopbouw gedurende de evolutie bij alle zoogdieren hetzelfde is gebleven. “De angst om een kachel aan te raken omdat hij heet is of de angst voor iemand die jou boos aankijkt, verschilt heel erg van de angst voor een roofdier,” zegt Gross, die hoofd is van de Romeinse vestiging van het European Molecular Biology Laboratory.

Hij vermoedt dat er zulke uiteenlopende reactiepaden bestaan omdat al deze verschillende bedreigingen van ons voortbestaan verschillende risiconiveaus met zich meebrengen en dat onze hersenen zich aan deze niveaus proberen aan te passen. Als onze hersenen eenmaal hebben besloten dat iemand zonder mondkapje een fysiek gevaar betekent, is het volgens Gross niet verrassend dat ze een alarmbelletje laten afgaan als we zo iemand tegenkomen. “Ik denk dat het gebeurt omdat mensen pas recentelijk hebben geleerd om het gevaar van besmetting te voelen,” zegt hij. Sommige mensen brengen dat gevaar in verband met de fysieke aanwezigheid van anderen en voelen dat gevaar zelf ook fysiek.

Deze verwerving van nieuwe vormen van angst doet zich voortdurend voor. Als we misselijk worden bij de gedachte aan een gerecht waar we ooit erg ziek van zijn geworden, gebeurt er feitelijk hetzelfde als wanneer we iemand in een drukke omgeving te dicht in de buurt voelen komen.

Het leven in de tijd dat steden broeinesten van ziekten waren
Steden waren van oudsher centra van handel, bedrijvigheid en… ziekten. In het begin van de 19e eeuw raakten steden zo dichtbevolkt dat ziekten zich op een ongekende schaal verspreidden. Alle hoop leek verloren tot er een aantal cruciale wetenschappelijke ontdekkingen werden gedaan, die een omslag betekenden op het gebied van hygiëne en volksgezondheid.

Mensen hebben dit soort instinctieve reacties ontwikkeld om hun fysieke veiligheid te waarborgen. Volgens Erika Siegel, een cognitief psychologe van de University of California in San Francisco die onderzoek doet naar de relatie tussen ons lichaam en onze gevoelens, worden dit soort reacties ook gebruikt in culturele en sociale contexten. Volgens Siegel wordt er in de Amerikaanse cultuur vaak in termen van fysieke weerzin over sociale taboes gesproken: ‘weerzinwekkende moord’, ‘moreel verwerpelijk’, et cetera. “Mensen die de geldende normen overtreden, worden vaak omschreven alsof ze mensen misselijk maken.” Tijdens de pandemie hoeft een drukke menigte dan ook niet gevaarlijk te zijn om zo’n instinctieve respons uit te lokken – de drukte komt gewoon over als het verkeerde signaal.

Dankzij ons vermogen tot empathie kan de weerzin tegen drukke plekken zich ook uiten bij mensen die helemaal niemand kennen die door het virus is besmet. Gross wijst op onderzoek naar ‘spiegelneuronen’, zenuwcellen waarmee ratten pijn kunnen ervaren wanneer ze zien dat een andere rat een schokje krijgt. En uit psychologisch onderzoek blijkt dat angstgevoelens na rampen (zoals epidemieën of schietpartijen) duidelijk in verband staan met het lezen of bekijken van het nieuws over zo’n gebeurtenis. Daarom kunnen televisiebeelden van drukke menigten of mensen die elkaar aanraken ook zo storend zijn. Volgens Gross moet je je maar eens voorstellen hoe je zou reageren als je iemand anders een hete kachel ziet aanraken: je zou zelf een instinctieve terugtrekreactie voelen. “Mensen hebben een ongelooflijk sterk vermogen om zich in de situatie van iemand anders te verplaatsen,” zegt Gross.

Waar gaan we naartoe?

Ondanks de emotionele intensiteit die de pandemie met zich meebrengt, komt uit onderzoek naar andere momenten van collectieve stress en angst naar voren dat de huidige instinctieve aanvechting om mensen uit de weg te gaan, weer zal wegebben. Dat komt mogelijk doordat ons geheugen zeer tijdelijk is of doordat de meeste mensen zich veel beter kunnen aanpassen dan ze denken. Historische voorbeelden zijn er legio. “Het is verbazingwekkend hoe snel mensen de Spaanse Griep weer zijn vergeten,” zegt Peter Stearns, emotiehistoricus aan de George Mason University. “Uit onderzoek naar de Amerikaanse reactie op de Spaanse Griep blijkt dat de enige permanente verandering die daaruit voortkwam, het feit was dat scholieren daarna niet meer uit een en hetzelfde glas mochten drinken.”

Dat onderzoek, door de lokale historica Judith Johnson, gaat in op de manier waarop mensen in de staat Kansas op de grote pandemie van 1918 reageerden. Volgens Johnson probeerden gezondheidsautoriteiten de plaatselijke overheden ertoe te bewegen om openbare ziekenhuizen te financieren om zo de slachtoffers van de pandemie beter te kunnen verzorgen. Maar dat voornemen verdween weer in de la toen de ziekte eenmaal was uitgewoed. Op het hoogtepunt van de pandemie liepen kinderen volgens Johnson “in een grote boog om huizen heen waarvan ze vermoedden dat er de griep heerste” en werden duizenden bedrijven gesloten om verdere verspreiding van de ziekte tegen te gaan. Maar toen die beperkingen weer werden opgeheven, verdwenen ze snel uit het collectieve geheugen. Het enige wat overbleef, waren die wegwerpbekertjes, die in de plaats kwamen van de drinkglazen die voorheen door scholieren werden gedeeld.

Dat kan ook het gevolg zijn van het feit dat de Griep van 1918 de laatste “klassieke pandemie” was die alle lagen van de westerse samenleving trof – tot aan COVID-19. Stearns vraagt zich nu af of deze pandemie dankzij de moderne media misschien niet een groter psychisch litteken zal achterlaten. Onze blootstelling aan de enorme hoeveelheid nieuws en informatie over de pandemie is totaal anders dan de communicatie rond de Spaanse Griep in 1918.

Uit sommige van Stearns’ bevindingen komt naar voren dat mensen ook na het verstrijken van de tijd angstig op soortgelijke gebeurtenissen zullen reageren. Verwijzend naar zijn boek American Fear (2006), waarin hij krantenartikelen en andere historische bronnen over de aanval op Pearl Harbor en de terroristische aanslagen van 9/11 met elkaar vergeleek, zegt hij dat “je zou kunnen zeggen dat de angsten na 9/11 sterker waren.” In krantenartikelen en orale verslagen uit de periode na de aanval op Pearl Harbor erkenden de geïnterviewden dat “het een zware tijd zal worden.” Maar ze waren ook vol vertrouwen dat de Amerikaanse regering het land door deze crisis heen zou slepen. Daarentegen beschreven mensen die na 9/11 werden geïnterviewd meer angsten en zorgen over de toekomst.

George Bonanno is professor in de klinische psychologie aan de Columbia University en doet onderzoek naar mensen die zich zonder blijvende symptomen hebben hersteld van ernstige trauma’s of het verlies van dierbaren. Volgens hem zijn de gevolgen van COVID-19 op lange termijn moeilijker te voorspellen, omdat de pandemie in zijn ogen eerder een vorm van chronische stress dan een plotseling trauma veroorzaakt.

Uit zijn onderzoek is gebleken dat de meerderheid van de mensen die zich herstelt van acute stress (als gevolg van een aanslag, een opname wegens SARS, het verlies van nauwe verwanten) weinig blijvende symptomen aan dat trauma overhoudt. Maar “als het gaat om chronische stress, gaat het ons vaak minder goed af. We raken er helemaal van in de war.” Deze vormen van stress zijn zeer uiteenlopend; mensen die slechts een milde paniek voelen opkomen wanneer ze in een menigte te dicht in de buurt van anderen komen, worden niet aan dezelfde permanente stress blootgesteld als mensen die een dierbare zijn verloren of hun baan zijn kwijtgeraakt – of mensen die niet anders kunnen dan doorwerken in een kapsalon of restaurant omdat ze het geld nodig hebben.

Toch vertonen de meeste mensen een eigenschap die Bonanno “regulerende flexibiliteit” noemt. Daarmee kunnen ze de context van hun eigen zorgen herkennen, strategieën ontwerpen om hun problemen aan te pakken en hun eigen reacties daarop in de gaten houden. “We zien dat de meerderheid van de mensen vrij goed is in al deze drie dingen, maar ook dat sommige mensen aanzienlijke tekortkomingen in een of meer van deze drie vaardigheden vertonen.”

Neurowetenschapper Barrett denkt dat ook als we ons de COVID-19-pandemie na tientallen jaren nog levendig zullen herinneren, de angsten die ermee gepaard gingen allang zijn verdwenen. Je had misschien nooit eerder nagedacht over drukke plekken, maar “je hebt nu geleerd dat drukke plekken waar mensen geen mondkapjes dragen, gevaarlijke plekken zijn,” zegt zij. “Maar als het virus eenmaal onder controle is, zullen de hersenen zich daar opnieuw op instellen.”

Dit artikel werd oorspronkelijk in het Engels gepubliceerd op NationalGeographic.com

Lees meer