Zuid-Afrika

Noordkaap: Het geheim van Zuid-Afrika

De provincie Noordkaap is meestal geen eerste keus voor wie Zuid-Afrika bezoekt. En dat is spijtig, zo ontdekte Traveler na een reis door deze uitgestrekte, ruige en vriendelijke regio. donderdag, 9 november

Door Paul Römer
Foto's Van Raymond Rutting

Wat doen we? Verlaten we het natuurgebied of wagen we nog één poging? We staan bij de uitgang van het Kgalagadi Transfrontier Park, waar parkwachters de laatste waarnemingen noteren op een bord met plattegrond. De afgelopen twee dagen hebben we van alles gezien: secretarisvogels, een zadeljakhals, Afrikaanse dwergvalken, kameelperd (giraffes), witkruissperwers, gemsbokken, springbokken, een Afrikaanse wilde kat, blauwe gnoes en republikeinwevers rond hun reusachtige nesten. Maar geen leeuw, het pronkstuk van dit grensoverschrijdende park in het uiterste noorden van de provincie Noordkaap. En nu, als we op het punt staan onze weg te vervolgen, ontdekken we dat er tien kilometer terug drie exemplaren zijn gespot. Een mannetje en twee vrouwtjes. Gids en fotograaf kijken me vragend aan. Wat doen we?

Het Kgalagadi is de enige plek in Noordkaap waar Pantheraleo voorkomt, zeg ik tegen mezelf. Dit is onze laatste kans. Dus besluit ik dat we moeten omkeren. Spannend, en omdat de leeuwen in deze contreien doorgaans groter en gespierder zijn en soms zwarte manen hebben, ook wel bijzonder. We rijden weer terug. Het grijspad, Afrikaans voor onverharde weg, zigzagt over de grens tussen Botswana en Zuid-Afrika, en terwijl we door de auto worden geschud, besef ik tot mijn eigen verbazing dat ik nu al geen oog meer heb voor alle wilde dieren die ik eerder vandaag met veel bezieling aanwees. Het gaat me nu louter om de leeuwen.    

Na ongeveer acht kilometer minderen we vaart en hobbelen we stapvoets verder. Er is iets aan de hand, merken we, want de springbokjes, die eerder werkelijk overal rondhuppelden, zijn nergens meer te bekennen. In de verte zien we één jeep, en die staat stil – wat meestal duidt op een waarneming. We kijken links van ons, en ja, daar, op honderd meter, in de schaduw van een grote acacia, daar liggen ze! Drie beesten. Koning van het dierenrijk. Hun vacht is helaas nauwelijks te onderscheiden van de natuurlijke omgeving. Ze slapen wat, doen niets, richten af en toe hun kop op. Het is onbehaaglijk warm in de wagen, de afstand is te groot voor een onvergetelijke foto. Maar zodra ik de leeuwen met mijn verrekijker dichterbij breng en de donkere manen van het mannetje zie, weet ik dat het allemaal de moeite waard was.

‘Zuid-Afrika? O, dan ga je zeker de Big Five zien?’ Het was een vraag die me meermalen werd gesteld toen ik mijn nieuwste reisbestemming aankondigde. Niet echt. Fotograaf Raymond Rutting en ik zijn hier om de grootste en meteen dunstbevolkte provincie van Zuid-Afrika te leren kennen: Noordkaap, internationaal bekend als Northern Cape, is met ruim 370.000 vierkante kilometer bijna net zo groot als Noorwegen. Er wonen slechts zo’n 1,1 miljoen mensen, een vijftigste van ’s lands totale bevolking. Vanuit hier, is onze bedoeling, rijden we zuidwaarts richting kust, en uiteindelijk door naar Kaapstad, vanuit Europa de meest logische aanvlieg- en vertrekhaven voor een bezoek aan Noordkaap. Het oostelijk deel van deze immense provincie, waar ook hoofdstad en voormalig centrum van de Zuid-Afrikaanse diamantindustrie Kimberley ligt, slaan we over – voor een natuurreis langs beesten, bergen en bloemen, waarom Noordkaap bekendstaat, moeten we toch in het noorden en westen zijn.

Zeker, ook in het Kgalagadi behoort een wildsafari tot de mogelijkheden. Het natuurgebied, in oppervlakte iets kleiner dan Nederland, huisvest ook nog hyena’s, luipaarden, jachtluipaarden en bijna 200 vogelsoorten. Maar olifanten en neushoorns komen er niet voor. Typisch voor het park, dat zich in het zuidelijke deel van de Kalahariwoestijn bevindt, zijn de roodbruine duinen, bezaaid met beige-groene vegetatie, onder een diepblauwe lucht. Het is anders dan het veel bekendere Westkaap met zijn groene wijnvelden een goeddeels droog gebied – op zeker moment hadden de meeste dieren het bij gebrek aan water verlaten, er waren kunstmatige bronnen voor nodig om ze terug te lokken. ‘Kgalagadi’, een woord uit de kliktaal van de San, de oorspronkelijke inwoners (en door de blanke kolonisten verbasterd tot ‘Kalahari’ omdat ze het niet konden uitspreken), betekent dan ook ‘plek van de dorst’.

Toen ik een dag eerder vanuit !Xaus Lodge, op een afgelegen plek in het nationaal park, een wandeling door de woestijn maakte, ontdekte ik hoe vindingrijk de San omgingen met de flora en fauna in hun leefomgeving. Pieter, zelf een San, liep voor ons uit naar een zogenoemde witgatboom en plukte er een paar blaadjes af. ‘Je kunt deze eten,’ legde hij uit. ‘De wortels zijn te gebruiken om koffie te maken. Wel heel bitter. De gele besjes voegen we toe aan yoghurt. De boom biedt behalve voedsel ook bescherming tegen de hitte. Maar ja, de leeuwen liggen er ook graag onder...’

Elke struik, elke boom, elk diertje, leerde ik, speelt een rol bij de overleving in de woestijn. Pieter noemde daarbij soorten als geelslang, duiwelsklou en kameeldoring. Zelfs hier, ver van de bewoonde wereld, lieten mijn landgenoten eeuwen geleden hun sporen achter. Hoewel zeker 90 procent van de inwoners van Noordkaap het Afrikaans als hun eerste taal beschouwt, heeft het toch iets vreemds dat ik me zo ver weg van huis tegenover een San, die nota bene Pieter heet, in mijn eigen taal verstaanbaar kan maken.

De San – een politiek correcte naam voor Bosjesmannen, zoals ze door de Afrikaners nog worden genoemd – vestigden zich hier al 150.000 jaar geleden. In de loop der tijd, vooral in de laatste eeuwen, verloren ze grondgebied aan de kolonisten. Maar in 2002 heeft de inheemse bevolking een deel van het land teruggekregen van SAN Parks, de beheerder van Zuid-Afrika’s nationale parken. Een gebied van 50.000 hectare werd gelijkelijk verdeeld over de San en de Mier, een gemengd volk dat voortkomt uit Engelsen, Hollanders, slaven en San. Pieter en enkele andere stamleden werken onder meer voor de lodge waarvan de naam verwijst naar de hartvormige, 1,1 kilometer lange zoutpan waarover !Xaus uitkijkt.

In de avond installeerde Abraham de Klerk, een stoere Afrikaner en manager van de lodge, een geavanceerde telescoop bij het zwembad. Dit gebied, in het zuidwesten van het Kgalagadi, wordt mogelijk genomineerd als ‘Dark Sky Reserve’. !Xaus Lodge, alleen te bereiken na een tocht met een jeep over 91 duinhellingen, ligt schijnbaar op een van de donkerste plekken op aarde, vrijwel nergens ter wereld is de sterrenhemel helderder dan hier. ‘Je gaat nu iets zien dat je waarschijnlijk niet gauw nog een keer zult zien,’ waarschuwde hij. De Klerk draaide wat met de telescoop en gebaarde me te kijken. Ik wist niet wat ik zag. Tussen de schitterende, duidelijk herkenbare sterren ontdekte ik miljoenen exemplaren die ik elders nooit zou kunnen zien. De melkweg zelf was zichtbaar als een lichte vlek, een lange wolk, en op zeker moment wees De Klerk mij zelfs op een ánder melkwegstelsel. Hoe klein kan een mens zich voelen?

Samen met onze gids, de 57-jarige historicus Steve Lunderstedt uit Zimbabwe, laten we het nationaal park achter ons en rijden we uren en uren over een kaarsrechte weg, dwars door de zinderende woestijn. Als ik een tijdlang zelf achter het stuur zit en mijn passagiers zie wegdommelen, passeren we in stilte kilometers zonder enig bewijs van menselijke aanwezigheid – zo moet dit landschap er duizenden jaren geleden ook hebben uitgezien. Geen tegenliggers, geen auto’s in de achteruitkijkspiegel, geen gebouwen, geen borden, alleen die eindeloze weg door een verder onaangetast aride landschap. De warmte waait onze jeep binnen. ‘Ik kies voor Afrikaanse airconditioning,’ had Lunderstedt eerder aangekondigd.

Aan het einde van de middag komen we aan bij onze nieuwe bestemming. Bij de ingang had ik een bord gezien, met daarop ‘Welcome to Augrabies Falls National Park. Place of Great Noise.’ Door de geringe neerslag van de afgelopen maanden staat het waterpeil vrij laag, en toch buldert de beroemde waterval in de Oranjerivier met een kracht van jewelste onder ons langs. Ik versta de fotograaf bijna niet. Voor de Zuid-Afrikanen zelf is het park een ultieme getaway. Vlak bij de rivier staan enkele ruime huisjes, met voor elke deur een grill om je eigen vlees te barbecuën – de favoriete tijdsbesteding van Zuid-Afrikanen.

De volgende ochtend staan we om 5 uur op, om de zonsopkomst niet te missen. Terwijl Raymond zijn camera’s opstelt, loop ik over de keurig aangelegde en goed onderhouden boardwalk langs de afgrond. Enkele tientallen meters verderop zie ik twee bavianen elkaar het leven zuur maken. Als de eerste stralen zich laten zien, betreed ik een uitzichtpunt en ontmoet ik Claude, een Zwitserse Amerikaan die, vertelt hij, met zijn vrouw en drie kinderen maanden achtereen door het hele land trekt. Hij ziet mijn vragende blik. ‘Thuisonderwijs. Mijn vrouw is een fantastische lerares. En ze wordt natuurlijk geholpen door de omgeving. We denken dat onze kinderen veel opsteken van deze reis. Elke dag in Zuid-Afrika is er een om nooit te vergeten. Zijn het niet de mensen die je ontmoet, dan zijn het landschap en de dieren een bron van inspiratie. Kijk nou.’ En hij gebaart naar het bulderende water.

Op de rand van de rots, tussen ons en de afgrond in, zit een groepje rotsklipdassen, hier dassies genoemd. Ze komen een voor een te voorschijn, om de eerste warme zonnestralen op te vangen. Het licht is nu als honing: warm, goudkleurig, zoet... Als achter de koddige beestjes, in de nevel boven de waterval, dan ook nog eens een regenboog ontstaat, moet ik net als Claude glimlachen.

Met hoge verwachtingen koersen we vanuit Augrabies via Springbok richting het !Ai-!Ais/Richtersveld Transfrontier Park, een natuurgebied op de grens tussen Namibië en Zuid-Afrika dat sinds 2007 op Unesco’s werelderfgoedlijst voorkomt en dat in alle reisgidsen wordt genoemd als een van Noordkaaps toeristische hoogtepunten. Voordat we aankomen bij Sendelingsdrift, een kampeerterrein met enkele huisjes en onze overnachtingsplaats, stuiteren we ruim een uur over een grijspad, door een barre en dorre woestenij. Het moet gezegd: dit is, hoofdzakelijk door toedoen van mijninstallaties die grote bergen afval en vlammen uitspugen, een van de lelijkste stukjes op aarde die ik ken. Overal langs de Atlantische kust, zo ongeveer tussen Port Nolloth en Alexanderbaai, drukt de diamantindustrie nadrukkelijk zijn stempel op het landschap, en nee, dat is niet fraai. Het is zelfs naargeestig. De antracietkleurige afzetting neemt nog dagelijks toe en vormt na verloop van tijd hoge, platte, doodse bergen. Ze ontnemen soms het zicht op de oorspronkelijke, grillige rotsen. Ik denk: dit is toch wereld-erfgoed? Gelukkig gaat de zon onder, en de stenen kolossen om ons heen kleuren langzaam dieprood – alsof ik in een paar minuten tijd naar een wonderlijk en sfeervol Marslandschap ben getele-porteerd.

Ons huisje, zo blijkt even later, kijkt uit over een stroom. Aan de overkant, op nog geen twintig meter van ons vandaan, ligt !Ai-!Ais, het Namibische deel van het nationaal park. Dit kalme water is ook weer de Oranjerivier – Gariep in de taal van de San en hier de natuurlijke grens tussen Namibië en Zuid-Afrika. Bij het informatiecentrum vraag ik naar het aantal bezoekers en naar hun voornaamste reden hier te komen. ‘Het is altijd heel druk: per jaar ontvangen we zo’n 5000 toeristen,’ vertelt de parkwachter achter de receptie trots. ‘Ze komen naar dit geologische wonderland voor de rust en de natuur. Ga zelf maar kijken!’

Dat was natuurlijk ook de bedoeling.

Dat hier zo weinig mensen komen, verbaast me niets. Het ligt extreem afgelegen, toegang wordt alleen verleend aan (dure) jeeps met vierwielaandrijving, wilde dieren worden er nauwelijks waargenomen. Wanneer we de slagboom bij de ingang tot het park passeren en ik vanuit onze wagen om me heen kijk, denk ik: dit belooft weinig goeds. Kale, grijs-bruine rotsen, hier en daar een bloem of kokerboom... Een kaal niemandsland dat me nauwelijks kan bekoren. Tót een slingerweg ons na een halfuurtje voorbij enkele bergen loodst en we een botanisch paradijs binnenrijden. Dat is niet overdreven. Wat een onverwachte rijkdom aan bloemen en planten, kleuren en geuren, bergen en bomen, zover het oog reikt – zo immens, zo uitgestrekt, zo mooi! Wederom kan ik een glimlach moeilijk onderdrukken.

In Richtersveld komen ruim 4800 soorten vetplanten voor, waarvan 40 procent alleen hier, in dit park. Na elke bocht zie ik weer nieuwe soorten, zoals de endemische halfmens, die van een afstandje inderdaad wat wegheeft van een mens. Op slag ben ik het lange reizen dat hieraan voorafging vergeten. En nu begrijp ik ook waarom de San hier duizenden jaren geleden hebben geleefd. Onder het op het oog droge rotslandschap gaat een uiterst vruchtbare bodem schuil. Archeologen halen hun hart op bij vondsten die duiden op kleine gemeenschappen die leefden van de jacht op klipspringers en zeldzame bergzebra’s.

Springbok. Het wilde Richtersveld ligt uren achter ons, we zijn weer terug in de beschaafde wereld. Alhoewel, in dit stadje – in het restaurant dat bij ons hotel hoort, een eigenaardige combinatie van historisch museum, winkeltje en eetgelegenheid – word ik geconfronteerd met een vleugje Zuid-Afrika dat de samenleving zo lang in een dwangbuis hield. De serveersters van Springbok Lodge zijn allemaal zwart en gaan gekleed in een ouderwets blauw-wit uniformpje dat doet denken aan dat van een toiletjuffrouw. Zodra we aan een tafeltje gaan zitten, worden ze door eigenaar Jopie Kotze – een oude Afrikaner die al sinds 1954 deze lodge bestiert – via een microfoon gesommeerd ons te bedienen.

Hoe anders is de sfeer in restaurant Plaaskombuis om de hoek, waar we de volgende dag onze lunch genieten. De zwarte serveerster Wendy Cloete neemt onze bestelling op met een oprechte lach, en ze maakt bij de bar grapjes met de blanke eigenaar Jannie Smit, van dezelfde generatie als Kotze. ‘Plaas’ is Afrikaans voor boerderij, en het staat vol prachtige plattelandsparafernalia uit vroeger tijden. Ik vraag de modern geklede Cloete naar het uitgaansleven in Springbok. ‘Ik ga eigenlijk nooit stappen met mijn vriend, die blank is,’ vertelt ze bijna fluisterend. ‘De blanken hebben hier hun eigen bars, ik ga meestal alleen met mijn vriendinnen uit. Zo is het nu eenmaal. Ik kan jullie dus niet meenemen, hoe graag ik het ook zou willen.’ Even later zet Smit ons spontaan een gebraden lamsnek voor, gevolgd door zogeheten koeksisters, heerlijk zoete en zachte koekjes. We kijken hem vragend aan, want die hadden we niet besteld. ‘Uit vriendschap,’ zegt hij.

Er heerst in dit land een raciale schizofrenie, bedenk ik me. Volgens iedereen die ik spreek is het land veel beter af dan tijdens de apartheid, maar de armoedegrens loopt langs etnische lijnen. Een stadje als Springbok laat een duidelijke tweedeling zien, met in en rond het centrum de woningen van blanken en eromheen, in de buitenwijken bij het enkele kilometers verderop gelegen industrieterrein, kleinere woningen voor de zwarte bevolking. Naar buiten toe afficheert het zichzelf als ‘Hartklop van Namakwaland’, en dat is de reden waarom we hier, tegen het einde van ons verblijf, twee nachten verblijven.

De befaamde bloemenvelden in deze streek worden ook wel ‘Garden of the Gods’ genoemd. Als Nederlander die het palet van de tulpenvelden gewend is, neem je zoiets natuurlijk met een korrel zout. Maar het is september, dus de lente is hier aangebroken. Langs de snelweg en op stukjes niemandsland bloeien talloze soorten. Het Namaqua National Park is veranderd in een tapijt van feloranje madeliefjes, tot aan de horizon. Om zo veel bloemen in hun natuurlijke omgeving te zien, wekt zeker indruk. Wat een weelde.

En ik ben niet de enige die wordt gegrepen door dit imposante schouwspel. Nogal onverwacht zie ik een zwart gezin tussen de bloemen door wandelen – de toeristen zijn hier doorgaans blank. Charles Makumba uit Okipe, die er een ochtend doorbrengt met zijn vrouw Funga en hun kinderen Tintswalo en Makaitaishe, vertelt dat ze de bloemen elke dag zien. ‘We rijden er vaak langs, ze komen in deze tijd van het jaar overal uit de grond, maar eigenlijk kijk ik er niet naar om. Nu ik ermiddenin sta, ontdek ik pas de schoonheid van deze bloemen.’

Makumba’s woorden lijken betrekking te hebben op de hele provincie Noordkaap, realiseer ik me later. De Westkaap, Kaapstad, Stellenbosch, Johannesburg, het Kruger: het zijn plekken in Zuid-Afrika die geen reiziger wil overslaan. Maar wie het geheim van Noordkaap heeft ontdekt, keert er terug. Zonder twijfel.