Zweden

Zonnen aan de Zweedse kust

Niks sombere luchten. Aan de Zweedse Rivièra schijnt de zon volop. donderdag, 9 november

Door Stephanie Pearson
Foto's Van Christian Åslund

‘Er gaat niks boven een oester die je zelf hebt geopend,’ verzekert Hanna Thorén Karlsson. Ze gooit haar dikke blonde vlecht over haar schouder en pakt een exemplaar van een bed van zeewier. Met een trefzekere beweging, waarmee een ongeoefende liefhebber zeker zijn hand had opengehaald, opent ze de oester. ‘Regel één,’ voegt ze eraan toe: ‘Draag een goede handschoen.’

‘Waarom zijn oesters lustopwekkend?’ vraagt de enige andere gast op deze oesterexcursie, een kookfanaat uit Colorado.

‘Ik eet ze de hele tijd, dus ik zou het echt niet weten,’ zegt Karlsson als ze de vrouw met een lach de geopende schelp voorhoudt. Ze ontwijkt de vraag – het zal de typisch Zweedse terughoudendheid wel zijn. ‘Je moet er goed op kauwen, dan proef je de mineralen.’

Ik ben aan de kust in Bohuslän, waar we een boottocht maken tussen gladde granieten eilandjes met rode huisjes erop. De 180 kilometer lange kuststrook tussen Göteborg en de Noorse grens – ‘de beste kust’ – is een prachtige streek met dorpjes en 8000 eilanden. Veel Zweden brengen hier de zomer door, maar de laatste jaren trekt het gebied ook steeds meer buitenlandse bezoekers, van wie ik er een ben. In Zweden komt 90 procent van de oesters, 70 procent van de langoesten en bijna de helft van alle kreeften uit het heldere, koude zeewater bij Grebbestad.

Karlsson is niet de eerste Zweedse die ik ontmoet met een diepgewortelde band met de zee – een rechtstreekse link met de Vikingtijd. Wat ik hier ervaar, wijkt nogal af van het strenge Scandinavië zoals ik me dat voorstelde tijdens mijn jeugd. Ik kom uit Minnesota en we woonden op een paar uur rijden van de plek waar mijn betovergrootouders ooit hun boerderij stichtten. In 1883 emigreerden ze vanuit Tvååker, ten zuiden van Göteborg, naar het dorp Tower, waar veel werk was voor houthakkers en mijnwerkers. Oma Flossie nam me regelmatig mee naar bijeenkomsten van de Zweedse Culturele Club in de kelder van de Lutherse kerk. Oudere dames met wit haar dronken er koffie en aten lutefisk (ingemaakte kabeljauw). Op de naamdag van Sint Lucia, het Lichtfeest, zetten ze een kroon van brandende kaarsjes op mijn blonde koppie. Ik mag van geluk spreken dat dat nooit tot ongelukken heeft geleid.

Dat naïeve beeld van Scandinavië kantelde in de zomer waarin ik 15 werd. Mijn nichtje, een tiener uit Zweden, kwam over en trok – op ‘ons’ drukke strand in Minnesota – haar bikinitopje uit. Dit kon volgens mij maar één ding betekenen: de inwoners van mijn moederland zijn vrije geesten, nauw verbonden met de natuur. Nu, jaren later langs de Zweedse kust, lijkt dit beeld te kloppen.

Ik bof maar met Karlsson als oestergids, en met haar vader Per, die vroeger eens kampioen oesters openen was. (Hij opende er twintig in drie minuten en vijf seconden.) De Karlssons hebben me mee op zee genomen aan boord van de Tuffa, hun gerestaureerde houten schip van de bekende Zweedse botenbouwer Gösta Johansson. Karlsson geeft me het mes en ik wrik een lichtgroene oester open. Het vlees is rauw, een soort Zweedse sushi.

Terug bij het botenhuis van de Karlssons zijn we welkom in hun ruime eetkamer, die uitziet over de baai. ‘Kun je nog meer zeevruchten aan?’ vraagt Hanna lachend, terwijl ze een volle schaal op tafel plaatst. Per schenkt Sloveense sauvignon blanc en we heffen het glas op de lome zomerdagen die voor ons liggen.

Mijn reis begon in göteborg, de tweede grootste stad van Zweden, waar ik een Volvo huurde en de E6 in noordelijke richting op draaide. Hoewel ik ook heel graag een kijkje had willen nemen bij de haven en in het 17de-eeuwse centrum van de stad, bleek de snelweg een ware Scandinavische Autobahn. Voor ik het wist, was ik de buitenwijk met de plaatselijke Ikea al voorbij en bevond ik me op het platteland. Strakke rode boerderijen rezen op tussen felgroene weilanden, die al heel vlug overgingen in rotspartijen en dennenbossen. Het plan was om onderweg twee keer te overnachten op mijn route naar het zo’n 150 kilometer verderop gelegen Strömstad. In deze plaats, op circa 25 kilometer van de Noorse grens, zou ik een veerboot nemen naar het zuidelijke Kostereiland en de Kosterhavet, het eerste Zweedse mariene nationale park.

Maar voor het zover was, liet ik me enkele keren verleiden tot een omweg. Nog voor de oesterexcursie kon ik de verlokking van de zilte zeelucht niet weerstaan.

‘Zeekajakken was vroeger iets voor vogelaars, voor oude mannen met baarden,’ vertelt de dertiger Torbjörn Söderholm. Hij is een van de oprichters van Nautopp Seakayaking, een bedrijf dat je aan de westkust niet gauw zou verwachten – je zit hier tenslotte maar duizend kilometer onder de poolcirkel. ‘Maar je kunt de kustlijn vanuit een kajak juist perfect verkennen.’

Ik ontmoet Söderholm in het Strandflickorna Hotel, een gerenoveerde herberg uit 1904. Na een heerlijke nacht in de suite onder de hanenbalken ontbijt ik met vers brood, rijkelijk besmeerd met vossenbessenjam. Vroeger kwamen oververmoeide verpleegsters uit Stockholm in dit hotel op krachten. Het ligt in het dorp Lysekil, op het puntje van een schiereiland tussen de 15 kilometer lange Gullmarfjord en een besloten baai van het Skagerrak.

Söderholm brengt me, met zijn Deense vrouw Kathrine Olufsen, naar een aan de oever gelegen camping. Vandaar kanoën we naar Stora Kornö, een eilandje enkele kilometers ten noordwesten van Lysekil. Dit gebied is al honderden jaren bewoond, maar toch voelt het – peddelend langs de vele eilandjes van graniet in water dat, heel verrassend, bijna net zo warm is als de Middellandse Zee – of we mijlenver van de bewoonde wereld af zijn. Een stel zeehonden steekt tussen onze kano’s de kop boven water, alsof ze nog een beetje log zijn na een lange winterslaap.

Söderholm vertelt over de lokale visserij die vette en magere jaren kende, al naar gelang de grillige haringtrek. Tijdens de langste bloeiperiode, tussen 1780 en 1808, werd zo veel haring gevangen dat de straatlantaarns van Londen en Parijs zouden branden op hun olie. Rond 1900 waren er nauwelijks nog grote scholen haring en dat is een van de redenen dat sommige Zweden, onder wie mijn overgrootouders, besloten hun heil te zoeken in Amerika. Haring, gepekeld in azijnzuur, water, suiker, piment, rode ui, wortel en zout, ontbreekt nog altijd bij geen enkel Zweeds smörgåsbord.

We kanoën een paar uur over kabbelende golven en hebben het over jantelagen, de wet van Jante. Söderholm legt hem als volgt uit: een Zweed waant zich nooit beter dan een ander. ‘Wij lachen er meestal om, maar eigenlijk klopt het. Zweden praten niet makkelijk over zichzelf, je moet de dingen echt uit ze peuteren.’ Een trekje, denk ik bij mezelf, dat in mijn familie nog altijd zichtbaar is.

Op een afgelegen kiezelstrand aan de zuidwestkant van Stora Kornö gaan we aan land. Het eiland ziet er onbewoond uit, maar na een korte wandeling bereiken we een 17de-eeuws dorpje van zo’n vijftig perfect gerestaureerde huisjes met voortuinen vol narcissen. De meeste zijn al generaties lang in dezelfde familie. Ik waan me in een gezellig prentenboek en benijd de Zweden die hier nooit zijn weggegaan. Söderholm vertelt me dat zo’n huisje nu zomaar negen ton kost, in euro’s.

‘In september komt iedereen kreeft eten,’ legt hij uit. ‘Daar zijn ze hier dol op. Kreeft wordt ook wel het zwarte goud genoemd.’

We lopen terug naar het strand, waar Olufsen een picknickkleed uitvouwt en lunch klaarzet. Hij heeft metalen tubes bij zich met Zweedse lunchtoppers als räkost (kaas met stukjes garnaal) en kaviar (gezouten kuit van kabeljauw met aardappelpuree), waar mee we Polarbröd (ongerezen, ronde broodjes) besmeren. Mijn moeder beweert altijd dat eten buiten lekkerder smaakt – ik ben het helemaal met haar eens.

Het is nog een eind rijden naar Strömstad, waar ik een veerboot wil nemen naar de Kostereilanden. De weg voert door dichte bossen en langs windstille baaien. Het lijkt gekkenwerk om me te haasten, maar ik ben zo benieuwd naar het nieuwe park dat ik flink gas geef.

Jammer, in Strömstad aangekomen zie ik nog net de veerboot wegvaren. Ik strijk neer in een cafeetje aan de haven voor een kop zwarte koffie. Deze historische badplaats is geen vervelende plek om een boot te missen, zo blijkt. Een elegante blonde vrouw en nog langere blonde man wandelen langs de teakhouten boten. Ze genieten van het zachte lenteweer, dat over enige tijd zal overgaan in lange Zweedse zomerdagen. De laatste veerboot van de avond scheert over een spiegelgladde zee en zet me af op het zuidelijke Kostereiland. Ik heb een kamer in Hotel Koster, dat werd gebouwd in 1905 en op een heuvel vlak aan de haven ligt.

Om zes uur de volgende ochtend staat de zon al hoog aan de hemel. Ik heb afgesproken met Stefan Husar. Hij is opziener in nationaal park Kosterhavet, dat een paar jaar geleden werd opgericht ter gelegenheid van de 100ste ‘verjaardag’ van de eerste Europese nationale parken. Dat waren er negen, alle gelegen in Zweden. Kosterhavet vormt een eenheid met nationaal park Ytre Hvaler, dat bij Noorwegen hoort. De totale oppervlakte van het mariene natuurgebied is iets kleiner dan de provincie Utrecht, en er komen zo’n 6000 verschillende soorten zeedieren voor.

Omdat het te koud is om te duiken, leent Husar me een fiets voor een rondleiding over de eilanden. ‘Onder water zie je hier spectaculaire plaatjes,’ zegt hij, terwijl we langs een grasvlakte fietsen waar binnenkort wilde orchideeën in bloei zullen komen. Maar ik vind de vergezichten op het droge ook alleszins de moeite waard. Oudere bezoekers passeren ons in gemotoriseerde wagentjes die ze hier gebruiken in plaats van auto’s.

Bij de meest westelijk gelegen kerk van Zweden – een hoekig, roomwit bouwwerk met een windvaantje op de torenspits – zetten we onze fietsen neer. We staan aan de voet van de Valfjäll of ‘walvisberg’, het hoogste punt van het eiland. Vanaf de top van deze granieten rots zien we een uit rood baksteen opgetrokken vuurtoren op een rotsachtige landtong, omgeven door golven met witte koppen. Daarachter ligt Noorwegen. Husar voelt zich bezwaard, merk ik, dat hij me niet meer bijzondere plekken kan laten zien.

‘De Zweden voelen zich thuis in de natuur,’ zegt hij. Het klinkt bijna alsof hij zich wil verontschuldigen. ‘De meeste mensen komen hier om wat te zwemmen en zich te ontspannen. Ze genieten van het moment.’ Ik snap het helemaal. Het is al meer dan een eeuw geleden dat mijn voorouders Zweden verlieten, maar het vermogen van de natuur te genieten zit ingebakken in mijn dna. Van mij mag deze middag nog heel lang duren.

Voor de beste tips voor een reis naar de Zweedse kust, lees hier onze reiswijzer!

Lees meer