De audiëntie bij Mor Polycarpus Augin Aydin duurt al een kleine twee uur als hij opstaat vanachter zijn schrijftafel en richting de deur van de ontvangstzaal loopt. Mijn tijd is om, denk ik. De aartsbisschop van de Syrisch-Orthodoxe Kerk van Antiochië in Nederland is een drukbezet man. Maar hij blijft staan bij een stoel waarop een roomwit pakketje ligt dat ik voor een kussen had aangezien.
Voorzichtig vouwt hij het pakketje open. Een voor een haalt hij er de handgemaakte kledingstukken uit die hij draagt in de mis en spreidt ze uit over de vergadertafel. Een hagelwitte kazuifel, versierd met pailletjes en rode, groene en gouden borduursels. Een zwartfluwelen kapje, met een groot gouden kruis erop en twaalf kleine, die Jezus en zijn apostelen symboliseren.
Dan pakt hij het belangrijkste onderdeel van de set, een goudgerande stola, en wurmt zijn bebaarde hoofd door de halsopening. Als een kerstloper valt de met blaadjes en bessen gedecoreerde witte stof over zijn zwarte priesterkleed. Met een tadaa!-blik kijkt hij me aan, en ik grijp mijn kans om een kiekje te maken met mijn telefoon. Het is voor het eerst in mijn leven dat ik een bisschop ontmoet, en Mor (‘monseigneur’) Polycarpus overtreft al mijn verwachtingen: hij is een en al wijsheid en charme, en een spraakwaterval bovendien.
Bij elk attribuut hoort een eigen aankleedgebedje, vertelt hij, van het onderkleed tot aan de bisschopsstaf. Bij het aantrekken van zo’n snoezig wit-gouden muiltje met roze lovertjes spreek je bijvoorbeeld deze strijdvaardige tekst uit: ‘zodat ik slangen en schorpioenen vertrap en héél de legermacht van de Vijand, tot in eeuwigheid’. Dat is voor het linkermuiltje, wel te verstaan; het rechterexemplaar heeft zijn eigen spreuk.
Een bisschoppelijk gewaad vol geschiedenis
Het lijkt voor een leek misschien allemaal poppenkast, maar het is tweeduizend jaar geschiedenis, steek voor steek vastgelegd in textiel. Een geschiedenis geboren in het Midden-Oosten, de kraamkamer van christendom, jodendom en islam, waar tot op de dag van vandaag oorlogen woeden en wordt gebeden om vrede en rechtvaardigheid. Het is geen toeval dat de bloedrode tailleband die de bisschop over zijn soutane draagt een militaire oorsprong heeft: ‘Die symboliseert de wil om te vechten tegen het kwaad.’
Eerder heeft Polycarpus, theoloog en gespecialiseerd in vroege kerkgeschiedenis, dan al uiteengezet hoe de religieuze kleding is geworteld in de gewaden en hoofdbedekking van de bewoners van de woestijngebieden waar de wereldgodsdiensten zijn ontstaan. ‘De hoofddoek die tegenwoordig een religieus symbool is, was voor vrouwen en mannen in zulke landen van oudsher een praktische bescherming tegen zon en zand. En kijk naar Egypte: in de koptische kerk is het habijt van de gewone mensen en de priesters nog altijd hetzelfde, alleen dragen die laatsten een kruis.’
Van woestijngewaad tot kerkelijk symbool
Maar dat is duizenden mijlen verwijderd van het Overijsselse dorp waar het bisschoppelijk klooster staat. Hier in Glane, tegen de Duitse grens, is Polycarpus in zijn gewaad een opvallende verschijning. ‘Maar bij ons in het dorp zijn ze wel aan me gewend hoor, ze kijken eerder op als ik van de fysio kom en iets anders aanheb.’
Zijn wieg stond in Turkije, waar hij opgroeide in een Syrisch-Aramees gezin, maar heimwee heeft hij niet. ‘Ik heb drie broers in Amerika, en een broer en een zus in Duitsland. Zwerven is het lot van ons volk.’ Hij heft een vinger ten hemel. ‘Ons echte vaderland, dat is boven.’
Als hij me ten slotte uitgeleide doet, worstel ik me onhandig in mijn regenjas; de mouw zit naar binnen getrokken en de stof is nog stroef van het lentebuitje op de heenweg. ‘Ik had natuurlijk eerst een aankleedgebedje moeten doen’, zeg ik. Zijn schaterlach galmt nog lang na wanneer ik door het opklarende landschap terugfiets naar het station van Enschede.
Een bisschop als muze
Bisschoppen fotograferen hoort voor Marte Visser bij het dagelijks werk. Al jarenlang werkt ze aan een wereldomspannende portretserie van mensen in religieuze kleding. En dat project, dat in 2028 zal uitmonden in een boek, is begonnen met Polycarpus, met wie ze al ruim tien jaar bevriend is. Hij vergezelde haar bij diverse fotosessies in verre oorden – lutheranen in Groenland, Grieks-orthodoxen in Turkije, kopten in Egypte – en poseerde voor een uniek groepsportret met een imam, een rabbijn en de scriba van de protestantse kerk. ‘Die vriendschap is ontstaan door onze gemeenschappelijke interesse in film en fotografie’, zegt ze. ‘En ik kan altijd erg met hem lachen.’
Fotografie is voor haar een manier om de wereld te ontdekken, vertelt ze. Marte komt uit een atheïstisch nest en was nooit zo bezig met God en religie. ‘Maar doordat ik me via bisschop Polycarpus in religieuze kleding ben gaan verdiepen, is er een wereld voor me opengegaan. En ik merk dat het ook een spirituele reis voor me is. Ik ben gaan geloven dat er iets is wat zo groot is dat wij het niet kunnen bevatten. Kijk naar het universum – wat is dat? Nou, dat kun je God noemen.’
De hoofddoek als bewuste keuze
In de werkruimte die ze huurt in een stijlvol Amsterdams grachtenpand portretteert ze op een voorjaarsdag twee jonge vrouwen die met een hoofddoek door het leven gaan. Suha Baba, afgestudeerd als bestuurskundige in Leiden, zit al even te wachten wanneer Medine Oguz binnenstormt.
De Utrechtse geschiedenisstudent was vanaf het Centraal Station een verkeerde hoek omgeslagen en in het ruigere deel van het stadshart beland, maar als ze van de consternatie is bekomen, kan ze er ook de grap wel van inzien. Allebei benadrukken ze, nog voor ik ernaar vraag, dat het hun eigen keus is om hun haar te bedekken. De hoofddoek is een uiting van hun toewijding aan God, zeggen ze, waardoor ze zich krachtig en zelfverzekerd voelen.
‘De hidjab doet niets af aan mijn capaciteiten’
Maar is het dragen van een sluier, in een land waar sommige mensen daar duidelijk aan moeten wennen, dan niet ook een hindernis? ‘Je moet de vraag anders stellen’, antwoordt Suha gedecideerd. ‘Is er begrip voor de hidjab, en zo niet, waarom dan niet? Dat komt vaak door onwetendheid over de betekenis erachter. De hidjab doet niets af aan mijn capaciteiten, zoals ook een bepaald kapsel niets zegt over wat iemand kan.’
Liever vertellen ze wat de hidjab voor henzelf betekent. ‘Het dragen van de hoofddoek is een vorm van aanbidding, je doet het uit liefde voor God’, zeggen Suha en Medine eensgezind. Het verandert je als mens, vertelt Suha. ‘Voordat ik ermee begon, was het ik, ik, ik. Maar als ik nu iemand zie die hulp nodig heeft, dan help ik veel eerder. Ik heb bewust een omslag gemaakt om een goed mens te willen zijn, en de hidjab is daarvan een symbool.’
Daarnaast biedt de hoofddoek bescherming, niet zozeer tegen zon en zand, maar tegen ongewenste aandacht. ‘Je wordt niet steeds aangekeken door mannen, en áls ze kijken, dan kijken ze in elk geval niet naar je lichaam’, zegt Medine. ‘Wanneer ik in de wijk waar ik opgroeide langs jongens liep die anderen lastigvielen, lieten ze mij met rust. De hoofddoek straalt een bepaalde waardigheid uit, waardoor ik respectvol word behandeld.’
Volgens de Koran ligt hier trouwens ook een taak voor de mannen, zegt ze: ‘Die moeten hun blik neerslaan als er een vrouw in de buurt is.’
Vrijheid onder de hoofddoek
Als puber vond Medine het soms moeilijk om anders te zijn dan haar leeftijdsgenoten, geeft ze toe. ‘Zij waren bezig met flirten, en ik deed daar niet aan mee. Maar ik leerde dat mijn waarde niet afhing van de aandacht die ik van anderen krijg, en dat ik juist rust en respect ontleende aan de manier waarop ik me presenteerde.’
Ook bij Suha speelde onzekerheid een rol. ‘Door de hidjab ben ik zekerder geworden van wie ik ben. Schoonheid is iets persoonlijks, en de constante druk om mezelf op dat punt met anderen te vergelijken, op straat en via sociale media, was heel uitputtend. Het was fijn om dat los te laten.’
Ze was wel nerveus, de eerste keren: ‘Ik dacht: wat als ik in de bus al een haatcomment krijg? Maar ik vertrouwde op God, ik heb het gewoon gedaan. Toen iemand me vroeg hoe ik die eerste dag had beleefd, zei ik: ik heb me nog nooit zo vrij gevoeld als vandaag.’
Van atheïstisch redacteur tot priester
Voor de draad ermee: zelf heb ik niets met God. Mijn ouders waren katholiek, mijn vader was misdienaar en mijn moeder speelde orgel in de kerk, maar in mijn wilde tienerjaren heb ik alle godsvrucht van me afgeschud.
Toch vind ik het een fascinerend mirakel als mensen wél geloven, zeker als ze daar na lang zielvorsen bewust voor hebben gekozen.
Zo iemand is Jim Schilder, jarenlang mijn collega bij een diepongelovig opinieblad, tot hij op zekere dag ontslag nam om priester te worden. Hij schopte het tot kapelaan van de Amsterdamse Nicolaaskerk – tegenwoordig een basiliek – en is inmiddels pater sacramentijn in Nijmegen.
Jim blijkt geen spat veranderd: zilvergrijze lokken boven lichtblauwe pretogen, en gestoken in donkere broek, lichtgrijs vest en een zachtblauw overhemd. Zo liep hij er op de redactie ook vaak bij, maar dan zonder het zilveren kruisje van zijn congregatie op zijn borst. Hij resideert met vier andere heren in een ruim bemeten nieuwbouwklooster, met veel blank hout, lichte plavuizen en aan de muur een portret van paus Leo, ’s werelds hoop in bange dagen.
Over zijn bekering als domineeszoon (‘gereformeerd vrijgemaakt’) tot het katholieke geloof is hij wel zo’n beetje uitverteld – google het internet er maar op na – maar over zijn bedrijfskleding praat hij me met liefde bij. Zo vertelt hij dat het onder priesters in de jaren zestig, na het Tweede Vaticaans Concilie, voor de kenners, uit de mode raakte om buiten ‘diensttijd’ herkenbaar over straat te gaan, maar dat de jonge garde die oude traditie juist weer in ere wil herstellen.
Wanneer kleding je functie zichtbaar maakt
Tijdens de vieringen in de kerk staat de noodzaak van het dragen van liturgische gewaden daarentegen voor alle generaties buiten kijf. ‘Het punt ervan is: je onttrekt je aan het gewone leven, je bent letterlijk bekleed met je functie. Je bent niet meer Jan of Piet of Jim, maar iemand die is aangesteld en gewijd om voor te gaan in de mis.’
Ook voor katholieke priesters is de stola het voornaamste kledingstuk: ‘Nood breekt wet, natuurlijk, maar in principe kun je zonder stola geen mis opdragen.’
Na gedane zaken gaat de werkkleding subiet uit. ‘Je gaat niet tv-kijken in een kazuifel.’ Buitenshuis draagt hij alleen een priesterboordje als dat een meerwaarde heeft. ‘Soms word ik gebeld voor een ziekenzalving in het Radboud-ziekenhuis, dan doe ik een boordje aan. Dat stellen de familie en de zieke wel op prijs, denk ik: ze willen een katholiek sacrament en dan is het goed om er ook katholiek uit te zien.’
Het witte boordje als herkenningsteken
In zijn Amsterdamse kapelaansjaren hoorden ook de Wallen tot zijn werkterrein. ‘Ging ik eens naar een zieke, met m’n boordje om, word ik aangesproken door een Brit: “Hey Father, what are you doing here?” Zeg ik: “What are yóú doing here?”’ De Brit herkende de priester aan het witte reepje stof, maar veel Nederlanders hebben geen idee meer waar dat voor staat, in Jims ervaring.
‘Ik stond eens op de bus te wachten, tegenover de Nicolaas nota bene. Staat daar een jongeman met een koptelefoon belangstellend naar mij te kijken. Dat duurde een poosje, en toen zei hij: “Mag ik wat zeggen? Het kartonnetje van de verpakking zit nog in uw overhemd.”’
Van baljurk tot kazuifel
Heb je zo’n priesterhemd al voor een paar tientjes, een kazuifel van goede kwaliteit kan honderden tot duizenden euro’s kosten. Priesters die op de kleintjes moeten letten, betrekken hun kleding dan ook vaak online uit Polen of tweedehands via Marktplaats.
Vroeger kwam er bijstand uit een hoek die je niet meteen zou verwachten. Vermogende vrouwen schonken de kerk hun kostbaarste japonnen, waarin volgens de achttiende-eeuwse mode genoeg stof ging voor een complete liturgische set, beschrijft kunsthistorica René Lugtigheid in haar proefschrift Van aardse stof tot hemels lof. Zij trof in oude kazuifels stikselsporen en coupenaden aan, dook in de materie en ontdekte dat de kledingstukken eerder als baljurken over de dansvloer moesten hebben gezwierd. Het altaar mocht dan het exclusieve domein zijn van mannen, ze stonden er te shinen in gebloemde gewaden die eerder damesboezems hadden omhuld.
Ook de Thora krijgt een garderobe
Met oude jurken wisten ook de joden wel raad, blijkt in de Snoge, het gebedshuis van de Portugees-Israëlietische Gemeente in Amsterdam. Het gebouw uit 1675 staat aan een drukke rotonde aan de rand van het centrum en verbergt achter de sobere buitenkant een van de mooiste interieurs van de stad. Koperen kroonluchters, hoge glas-in-loodramen waardoor gefilterd licht naar binnen valt, banken van glanzend tropisch hout en met zand bestrooide plavuizen. De kaarslichtconcerten die hier worden gehouden zijn beroemd.
Dit is de werkplek van Bar Vingerling, de jonge chazan, oftewel voorzanger. Hij komt aanlopen met een zwarte honkbalpet over zijn keppeltje – ‘voor mijn rust’, verklaart hij. Het antisemitisme is er de laatste jaren niet minder op geworden, en hij heeft niet altijd zin in discussie – of erger.
Het keppeltje dan maar af laten is geen optie: ‘Je draagt het uit nederigheid en ontzag voor God, voor de hemel. Je mag geen twee meter lopen zonder keppel; ik leg hem onder mijn hoofdkussen als ik slaap.’
De kleding van een chazan
De blonde Vingerling komt uit een protestants gezin in Zuidland, bij Rotterdam, en koos als tiener voor het jodendom, vertelt hij, waartoe hij na jarenlang hard studeren werd toegelaten. Dan demonstreert hij wat hij draagt als hij in functie is: een handgemaakte zwarte mantel met lange slippen en een wit geplooid befje, een breedgerande hoed, en daar overheen een witte doek met lange franjes. Die fungeren zoals de oogkleppen van een paard: ze schermen de drager af van de buitenwereld.
‘Die gebedsdoek is het enige echt joodse kledingstuk. Hij helpt tegen afleiding, zodat ik me volledig kan concentreren op het lezen van gebeden en het reciteren van de teksten uit de Thora.’
Om zijn stemtechniek te verbeteren, heeft hij les genomen bij een operazanger. ‘Maar al te mooi zingen is niet de bedoeling, het gaat vooral om de verstaanbaarheid.’ De teksten moeten namelijk ook te horen zijn op de bovenverdieping, waar de vrouwen zitten tijdens de dienst. ‘Wij zeggen altijd: als de vrouwen tevreden zijn met de chazan, dan doe je het goed.’
Afdankertjes
Maar net als hun rooms-katholieke zusters wisten de joodse vrouwen zich via een omweg te verzekeren van een ereplek, want het zijn hún afdankertjes die de show stelen in de Snoge. Het heiligste van het heiligste in het joodse geloof is de Thora, en als er niet uit de perkamenten rollen wordt voorgelezen, worden ze bewaard in schitterende mantels. En in enkele van de antieke exemplaren verraden de bloempatroontjes en coupenaden hun eerdere leven als damesjapon.
In een imposante kast tegen de wand van de Snoge staan de rollen in hun mantels van roze brokaat, lindegroene zijde en dieprood fluweel parmantig in het gelid; de zilveren handgrepen steken er als kroontjes bovenuit. ‘De Thora wordt gekleed met de waardigheid van een koning’, zegt Vingerling. Maar soms wel, bedenk ik, in een jurk van de koningin.
De eerste vrouw op de troon van Canterbury
In de anglicaanse kerk zwaait sinds kort, na 105 mannen, voor het eerst een vrouw de scepter, een echtgenote en moeder van twee kinderen nog wel. Bij haar inzegening in maart tot aartsbisschop van Canterbury zat de kathedraal bomvol; onder de tweeduizend gasten waren hoogwaardigheidsbekleders als prins William en prinses Catherine, toenmalig premier Keir Starmer, bisschoppen uit de hele wereld – én fotograaf Marte Visser.
Per e-mail wil Dame Sarah Mullally wel wat over haar kleding vertellen. De goudkleurige zijden mantel en mijter die ze op de grote dag droeg, schrijft ze, waren al eerder voor haar gemaakt, toen ze elf jaar geleden tot bisschop werd gewijd. Dat ze die nu opnieuw aankon, opnieuw in Canterbury, had voor haar ‘een mooie symmetrie’.
Ook de gesp van haar mantel was een ouwetje: die maakte deel uit van haar verpleegstersuniform. ‘Toen ik op mijn zestiende christen werd, was dat uit roeping: ik wilde Jezus volgen, en vanuit die roeping besloot ik verpleegster te worden. De gesp die ik toen van mijn vader kreeg, droeg ik bij mijn installatie: niet alleen als eerbetoon aan de verpleegkundigen, maar ook omdat ik dezelfde zorgzaamheid en compassie die mijn eerste roeping als verpleegster kenmerkten terugzie in mijn roeping als priester.’
Het gewicht van een roeping
Ook de ring die ze droeg, heeft een bijzondere lading, vertelt ze. ‘Die had aartsbisschop Michael Ramsey in 1966 gekregen van paus Paulus VI; hij is voor mij op maat gemaakt. Ik vond het een passend symbool voor de sterke oecumenische banden tussen de anglicanen en de rooms-katholieken, die ook tot uiting kwamen tijdens mijn bezoek aan het Vaticaan in april.’
Als ze in vol ornaat is, torst ze heel wat kilo’s, maar dat herinnert haar eraan dat je ‘het gewicht van de roeping’ alleen kunt dragen ‘dankzij de genade en kracht van God’.
Op gewone werkdagen, wanneer ze kantoor houdt in het Londense Lambeth Palace, aan de oever van de Theems, hoeft dat gelukkig niet. Wel draagt ze altijd de minimale tekenen van het priesterschap. ‘Toen ik voorafgaand aan mijn inzegening de 140 kilometer lange pelgrimstocht van Londen naar Canterbury maakte, had ik gewoon praktische wandelkleren aan, maar wel met mijn boordje en mijn borstkruis.’
Persfoto’s tonen een breedlachende Mullally, met blozende wangen in een knalrood windjack op een donkerblauw setje, een verschijning die zich in niets onderscheidt van andere vrouwen die je op die prachtige Engelse wandelpaden kunt tegenkomen, afgezien van dat halsboordje en het zilveren kruis op haar trui.
Waar gewaden worden geweven
Pjoeoeoew, zoeft de schietspoel in het weefgetouw, om met een schokje tot stilstand te komen. En weer pjoeoeoew, en weer, en weer. Marte en ik kijken toe hoe zuster Rebekka geduldig een priesterstola weeft, een grasgroene band met een motief van lichtgroene kruisen, die met elke pjoeoeoew een millimetertje breder wordt.
Een stola weven en in elkaar zetten duurt dagen, zegt ze, een kazuifel weken. Zuster Tamar werkt ze af in de naaikamer, waar een kazuifel in dezelfde groene tinten, met de zoom minutieus afgedraaid, op de werktafel ligt. In de toonzaal hangen de vruchten van hun arbeid aan een roede, gewaden en stola’s in alle kleuren van de regenboog.
De simpelste kazuifel kost zo’n 850 euro, aanzienlijk meer dan op Marktplaats, maar dan heb je er ook een waarin met elke sche ring en inslag de liefde voor God en zijn schepping is meegeweven. Bovendien komen ze uit een aards paradijs: Priorij Klaarland, waar de zusters trappistinnen wonen, ligt in Bocholt, tegen de Nederlandse grens in Belgisch Limburg, aan het eind van een lange laan met bomen die tot in de hemel reiken.
Duizend jaar oude kloosterkleding
Ook de kleding die de zusters zelf dragen, komt uit eigen werkplaats: elegante witte habijten, met daarop een zwarte scapulier (overgooier), en daar weer overheen een leren riem zonder gesp, maar met een ingenieus knoopsysteem. Als je het zwarte sluiertje wegdenkt, had het de jongste creatie van een Japanse couturier op een Parijse catwalk kunnen zijn, maar de trappistinnenkledij gaat zo’n duizend jaar terug.
In de Middeleeuwen droegen kloosterlingen zwarte habijten, vertelt zuster Rebekka, de priorin van het klooster. ‘Maar wol zwart verven was kostbaar, en in de elfde eeuw ontstonden er hervormingsbewegingen die vonden dat de kerk en rijkdom niet samengingen en opriepen tot een leven in armoede. Zodoende werden de habijten van onze orde voortaan wit of grijs.’
Met uitzondering van de scapulier dus. Maar ook die heeft een functie voor zuster Rebekka: ‘Zwart geeft wat stevigheid. Engelen zijn in het wit gekleed, maar ik ben geen engel. Er moet ook ruimte zijn voor het negatieve in mij.’
Alleen tijdens de zeven keer per dag dat er gezamenlijk wordt gebeden gaat over de zwart-witte set nog een kovel: een wijd gewaad dat wel helemaal wit is. Zuster Rebekka: ‘Dan bekleed je je met Christus. Als ik de kovel aan- of uitdoe, dan kus ik die altijd even, uit liefde voor Christus.’
Als naaien een vorm van gebed wordt
De priorin is een Nederlandse, van protestantse huize. Voordat ze koos voor het kloosterbestaan, werkte ze in Utrecht als arts op een consultatiebureau. In 2002 trad ze in, een half jaar later was ze zover dat ze de kleding van de gemeenschap ging dragen. ‘Ik ontdekte dat ik in het klooster intenser leefde dan erbuiten. En de kleding herinnert me aan wie ik ten diepste hoop te worden.’
De Vlaamse zuster Tamar vertelt dat het naaien niet alleen werk is, waarmee ze in hun onderhoud voorzien, maar ook een religieuze dimensie heeft. ‘Ik ben nu bezig met de zoom van een kazuifel, en dat is zo simpel dat ik er gewoon bij kan bidden. Maar als ik me echt moet concentreren, bijvoorbeeld als ik een ingewikkeld vaandel maak, dan is dat werk zélf het gebed.’
Wil je niets missen? Volg National Geographic op Google Discover en voeg National Geographic toe als voorkeursbron om onze verhalen vaker te zien in je Google-feed!
Dat mag serieus klinken, en dat is het ook, maar ‘de naaiende nonnen’ – zoals ik ze oneerbiedig in mijn agenda had genoteerd – hebben zichtbaar plezier in hun werk en elkaars gezelschap. En mits je gelovig bent, moet het hier een heerlijk leven zijn, zelfvoorzienend en ver van het woelen van de wereld.
Helemaal afgezonderd houden de zusters zich daar trouwens niet van: ze vangen op hun terrein een Oekraïens gezin op, hebben ieder een eigen smartphone en sommige zusters volgen de verrichtingen van de Rode Duivels op het WK voetbal.
Voordat we voor ons vertrek nog ‘een tas soep’ krijgen aangeboden, vertelt zuster Rebekka een anekdote over een vrouwenklooster dat uit noodzaak het habijt had afgelegd. ‘Het kostte te veel. Dus waren ze een spijkerbroek gaan dragen. En zo gekleed verscheen de priorin op een congres van haar congregatie in Rome. Een pater sprak haar ontzet aan op haar verschijning: “Maar zuster, u draagt een broek!” Waarop zij antwoordde: “Maar pater, u draagt een jurk.”’
Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!



















