Dieren

Het enige Afrikaanse park waar de olifantenpopulatie groeit

De olifanten van het Nationale Park van Zakouma in Tsjaad zouden inmiddels uitgestorven moeten zijn. Maar in plaats daarvan neemt hun populatie toe.Thursday, November 9, 2017

Door Rachel Nuwer
Een hartverwarmende aanblik keert terug in Zakouma: pasgeboren kalfjes. Door het opvoeren van de beschermingsmaatregelen heeft het park sinds 2012 geen enkele olifant meer door stroperij verloren. Zonder de stress van rondtrekkende stropers beginnen de olifanten zich weer voort te planten en zijn er ruim veertig kalfjes geboren.

De bezoekers doorkruisen het Nationale Park van Zakouma al bijna een week, genietend van de aanblik van wilde dieren waarvoor ze duizenden kilometers hebben gereisd: ontzagwekkende buffels, torenhoge giraffes, opvallende hartenbeesten, en daarnaast ooievaars, adelaars, pelikanen en alle mogelijke zangvogels. Zelfs een luipaard sluipt rond in de avondschemering. Maar geen olifanten.

Maar nu, met nog maar een kleine dag voor ze naar huis vlogen, hadden ze het geluk eindelijk aan hun zijde: uit de radiosignalen van olifanten die met zendertjes waren uitgerust, bleek dat er een kudde van bijna vijfhonderd dieren – mogelijk de grootste in heel Afrika – in de buurt was. Een spoor van pootafdrukken zo groot als strandballen, verse hopen mest en afgebroken jonge bomen bevestigden het vermoeden, evenals getrompetter en het diepe gebrom dat te horen was van de overzijde van een rivier waarin het wemelde van de krokodillen. Dat gaf niets – de bezoekers deden hun schoenen uit en waadden door het water.

Rian Labuschagne, de manager van het park, voerde de groep kalm door het dichte struikgewas en het hoge gras. Plotseling stopte hij, stak een hand op en wees: olifanten, ongeveer vijftig exemplaren. Met hun behendige slurven deden de volwassen dieren zich tegoed aan de bebladerde uiteinden van takken, alsof het broccoli was. Babyolifantjes huppelden her en der rond.

Plotseling stapte een grote olifantenstier met wapperende oren en hoog opgerichte kop uit het struikgewas, op nog geen tien meter afstand van de groep. Zijn enorme slagtanden glansden in de namiddagzon. Sommige leden van de safarigroep weken instinctief terug, anderen richtten nieuwsgierig hun camera’s op het dier. “Maak geen enkel geluid,” fluisterde Labuschagne. De confrontatie van een minuut leek een eeuwigheid te duren.  Toen besloot de stier dat de indringers geen gevaar betekenden, draaide hij zich om en keerde terug naar zijn familie.

“Ik heb al veel olifanten gezien, maar dat was een van de meest ongelooflijke wandelervaringen die ik ooit heb gehad,” zei Josh Iremonger, een commerciële safarigids uit Botswana, later. “Ik heb nog steeds kippenvel op m’n armen.”

Dat Iremonger en de anderen zo’n ontmoeting in deze afgelegen uithoek van Centraal-Afrika konden meemaken, leek amper vijf jaar geleden nog volstrekt onmogelijk. Want er werd gevreesd dat er vandaag de dag geen olifant in Zakouma meer over zou zijn.

Stropers hebben enorm huisgehouden onder de olifantenpopulaties van Afrika, vooral om aan de grote vraag naar ivoor uit China en andere Aziatische landen te voldoen. Tussen 2007 en 2014 waren ze verantwoordelijk voor een afname van dertig procent in het aantal savanneolifanten. In Zakouma begon de slachting eerder dan op de meeste andere plekken en waren de verliezen verwoestender dan elders. In 2002 leefden in het park nog ruim 4000 olifanten, in 2010 was dat aantal gekelderd tot amper 400 – een achteruitgang van negentig procent. Experts voorspelden dat de resterende olifanten van Zakouma binnen twee tot drie jaar verdwenen zouden zijn als de situatie niet zou verbeteren.

“Het herstel van Zakouma is ongekend. De olifantenpopulatie stond echt op het punt van uitsterven, en African Parks heeft de dieren gered.”

door Chris Thouless

Maar de situatie verbeterde – en hoe.

De regering van Tsjaad zocht wanhopig naar een oplossing en riep in 2010 de hulp in van African Parks, een non-profitorganisatie uit Zuid-Afrika die gespecialiseerd is in het rehabiliteren van natuurgebieden die onvoldoende zijn beschermd. Met een combinatie van expertise, wat geluk en veel vallen en opstaan hebben Rian en Lorna Labuschagne, het Zuid-Afrikaanse echtpaar dat het beheer van het park op zich nam, het park van de ondergang gered. Onder hun leiding is de stroperij drastisch afgenomen en groeit de olifantenpopulatie weer, voor het eerst in jaren.

“Het herstel van Zakouma is ongekend,” zegt Chris Thouless, strategisch adviseur bij Save the Elephants, een non-profitorganisatie in Kenia. “De olifantenpopulatie stond echt op het punt van uitsterven, en African Parks heeft de dieren gered.”

Een onzeker begin

Het echtpaar Labuschagne “woonde in het paradijs” – een kampeerplek op een strand in Tanzania – toen de telefoon ging. Er was een positie beschikbaar in Tsjaad, en omdat ze dertig jaar ervaring hadden met het werken in wildreservaten, van Malawi tot Kenia, leken zij de perfecte kandidaten. Het stel was klaar voor een nieuwe uitdaging, maar toen ze Zakouma de eerste keer bezochten, waren ze geschokt. “Ik vond het helemaal niks,” zei Rian. “Het was zo vlak.”

Gezien de nietsontziende stroperij en de politieke onrust in de regio – Tsjaad werd van 2004 tot 2009 geplaagd door burgeroorlog en een grensconflict met Soedan – vermoedden ze dat er in het land weinig tot niets aan natuurbescherming werd gedaan.

De olifantenpopulatie van Zakouma telt nu vijfhonderd dieren en is voor zover bekend de grootste kudde in Afrika.

Maar African Parks wist het echtpaar te overtuigen om de baan te accepteren, vooral door erop te wijzen dat ze in Zakouma – in tegenstelling tot de meeste wildreservaten in Afrika, waar specialisten in natuurbescherming fungeren als adviseurs van regeringsfunctionarissen die de uiteindelijke beslissingen nemen – volledige zeggenschap over het beheer van het park zouden krijgen. Dat betekende ook dat ze verantwoordelijk zouden zijn voor de resultaten, positief of negatief, van dit wildpark met een oppervlakte van vierduizend vierkante kilometer.

Het echtpaar Labuschagne merkte al snel dat de vorige opzichters van Zakouma de stroperij hadden gebagatelliseerd, zelfs toen het park van alle kanten werd belaagd. “Het werd als beschamend gezien om vijftig dode olifanten aan te treffen, dus ontkenden ze het gewoon,” zegt Rian Labuschagne. “Ze probeerden het onder het tapijt te vegen.”

Jarenlang waren zwaarbewapende Janjaweed-bandieten, vooral uit Soedan, te paard naar Zakouma en het omringende gebied getrokken, waar ze hun kampen opsloegen en gedurende twee tot drie weken alle olifanten afslachtten die ze konden vinden. Als ze klaar waren, riepen ze de hulp van kamelendrijvers in om de ‘bloedslagtanden’ van de pas gedode olifanten in karavanen over de grens met Soedan te vervoeren.

Het ruwe ivoor werd naar Khartoem gebracht, waar zo’n 150 ivoorsnijders er snuisterijen uit kerfden: sieraden, figuurtjes, eetstokjes en andere prullaria. Natuurbeschermer Esmond Bradley Martin, die in 2005 de Soedanese markten inspecteerde, ontdekte dat Chinese klanten 75 procent van het te koop aangeboden ivoor opkochten. Volgens onbevestigde berichten werd het ivoor ook via Libië, Soedan en Egypte naar Azië gesmokkeld.

Een boerendorp buiten Ndjamena, in de buurt van Zakouma. Tsjadische burgers kunnen gratis in het nationale park kamperen, zodat ze de wilde dieren zelf kunnen ervaren.

Toen de Labuschagnes in januari 2011 arriveerden, ontdeden ze het park allereerst van de ‘rotte appels’, onder wie uiteindelijk ook het hoofd van de stroperijbestrijding. Ook investeerden ze tijd en geld in het versterken van het netwerk van opzichters in het park. De opzichters van Zakouma hadden geen communicatiemiddelen en weinig mogelijkheden om zich te verplaatsen, dus werden ze uitgerust met GPS-ontvangers, radio’s en paarden. Het echtpaar Labuschagne schonk ook radio’s aan voormannen van plaatselijke gemeenschappen in het hele park, moedigde hen aan om verdachte activiteiten te melden en beloofde een betere veiligheid in het gebied.

Maar het belangrijkste was misschien wel het feit dat het echtpaar het hele jaar door in het hoofdkwartier bleef wonen. Voorheen lieten de opzichters van Zakouma het park gedurende vijf maanden in het regenseizoen onbeheerd achter, waardoor stropers ongehinderd grote aantallen olifanten konden afslachten. Wanneer het ophield met regenen, keerde het personeel terug en telde de verliezen.

In april 2006 bezocht natuurbeschermer J. Michael Fay het park en telde negenhonderd olifanten minder dan in 2005. En toen hij dat jaar in het midden van het regenseizoen terugkeerde, ontdekte hij even buiten het park de afgeslachte en rottende kadavers van honderd olifanten. De stropers ter plekke beschoten zijn vliegtuigje.

“De alarmbellen gingen rinkelen toen Mike Fay hier was en berichtte dat er vooral in het regenseizoen op ongekend grote schaal werd gestroopt,” zegt Labuschagne. “Het argument was dat het zó nat was dat niemand iets kon doen, maar iedereen negeerde het feit dat de stropers in die maanden gewoon hun gang konden gaan.”

De slachting in heban

Tot de veranderingen behoorde ook het opnieuw opleiden van de circa zestig opzichters van Zakouma. Hoewel ze met wapens waren uitgerust, hadden ze in de omgang met stropers weinig finesse en discipline. Ze bestookten het gebied liever met een regen van kogels – “hoe meer herrie, hoe beter,” zegt Labuschagne. “De tactiek bestond uit  erop los schieten en daarna pas kijken of ze iets hadden geraakt.”

Dankzij verscherpte beschermingsmaatregelen onder een nieuw managementteam kon de rampzalige teloorgang van de olifanten in Zakouma worden gestopt.

Om deze Rambo’s om te scholen tot Jason Bournes, riep hij in 2012 de hulp in van Patrick Duboscq, een gepensioneerde Franse politieman. Duboscq begon bij het begin – met paintballgeweren – en stapte vervolgens geleidelijk over op pistolen, precisiegeweren en het vuren in gevechtssituaties. “Ik trainde die gasten alsof het om een Frans SWAT-team ging,” zegt hij. Een deel van zijn taak bestond uit motivatiewerk: hij bouwde het zelfvertrouwen van de manschappen op en overtuigde hen ervan dat de Soedanese stropers geen bovennatuurlijke krachten bezaten, zoals in dit gebied werd geloofd, en dat ze wel degelijk waren te verslaan.

De doorgevoerde veranderingen hadden vrijwel meteen resultaat: in 2011 verloor Zakouma maar zeven olifanten. Regeringsfunctionarissen die aanvankelijk tegen hulp van buitenaf waren geweest, veranderden hun houding en begonnen het echtpaar te steunen. “Ik was eerst niet enthousiast over dit African Parks-idee, vooral omdat ze in hun model de verantwoordelijkheid voor het beheer van het park van de regering overnamen,” zegt Dolmia Malachie van het Tsjadische ministerie van Milieu. “Maar toen Rian hier kwam, heeft hij geweldig werk verricht. Ik ken geen andere parkopzichter zoiets voor elkaar heeft gekregen.”

In 2012 besloot het echtpaar Labuschagne om hun anti-stroperijbeleid uit te breiden naar de gebieden rondom het park. Dankzij de zendertjes waarmee ze het jaar ervoor tien olifanten hadden uitgerust, wisten ze dat de kudde zich aan het begin van het regenseizoen opsplitste, waarbij sommige dieren naar een gebied trokken dat ruim honderd kilometer ten noorden van Zakouma lag: Heban. Dus legden ze daar een vliegveldje aan en stuurden teams van opzichters naar het gebied die elkaar telkens aflosten en er gedurende het seizoen hun kamp opsloegen.

In augustus van dat jaar hoorden opzichters schoten en ontdekten dat vier olifanten van de tweehonderd dieren in de kudde waren gedood. Ze konden de daders niet vinden, maar een verkenningsvliegtuigje lokaliseerde het kamp van de stropers.

De opzichters namen ruim duizend stuks munitie, wapens, telefoons, zonnepanelen, paardenmedicijnen, voedsel en andere voorwerpen in beslag. Ook troffen ze een verlofbrief aan van een commandant uit het Soedanese leger, wat erop wees dat de stroperij werd georganiseerd en gesteund door hoge militairen (Interpol en het Enough Project, een non-profitorganisatie uit Washington DC die genocide bestrijdt, bevestigden deze connecties later). Nu de uitvalsbasis van de stropers was vernietigd, nam iedereen aan dat de dreiging was geëlimineerd.

Maar de stropers waren niet vertrokken. Drie weken later, toen de opzichters van Zakouma voor het ochtendgebed uit hun tenten kwamen, namen de stropers wraak. Ze hadden het kamp beslopen terwijl de opzichters sliepen en schoten vijf van hen dood. Een zesde vluchtte de jungle in maar werd nooit meer teruggevonden. Alleen de kok, die ook werd neergeschoten, overleefde de aanval. Hij liep en zwom ruim twintig kilometer naar het dichtstbijzijnde dorp voor hulp. De stropers namen de paarden, wapens en munitie van de opzichters mee en keerden terug naar Soedan.

“Mijn vader hield van dit wildreservaat en wilde het behouden. Hij wilde niet dat mensen hiernaartoe kwamen en alles afslachtten. Ik werk nu hier, zoals mijn vader het had gewild, en ik hoop dat mijn zonen en dochters hier op een dag ook zullen werken.”

door Issa Idriss

Herboren park

Met de moorden in Heban was het moreel in het park op een absoluut dieptepunt beland. Maar het echtpaar Labuschagne was vastbesloten om niet op te geven. “We hebben van dit en alle andere incidenten geleerd – en het systeem veel en veel sterker gemaakt,” zegt Rian. “Bij elke stap terug hebben we er tien vooruit gezet.”

Met financiële steun van African Parks en andere donoren zetten ze vervolgens alles op alles. Ze legden bases rond het park aan, kochten een tweede vliegtuigje en vormden een snelle-reactiegroep met de beste opzichters, de Mamba’s, vernoemd naar de dodelijke Afrikaanse slang.

Issa Idriss, wiens vader in Heban werd vermoord, maakt nu deel uit van het Mamba-team en is trots op het werk dat ze doen. “Mijn vader hield van dit wildreservaat en wilde het behouden. Hij wilde niet dat mensen hiernaartoe kwamen en alles afslachtten,” zegt hij. “Ik werk nu hier, zoals mijn vader het had gewild, en ik hoop dat mijn zonen en dochters hier op een dag ook zullen werken.”

Heban was een keerpunt, niet alleen voor degenen die het park verdedigen maar ook voor de olifanten. Direct na de schietpartij trokken alle tweehonderd dieren terug naar het relatief veilige Zakouma, en sindsdien heeft geen enkele olifant zich meer buiten de grenzen van het park gewaagd, zelfs niet in het regenseizoen. Daarmee hebben de olifanten aan hun eigen herstel bijgedragen en de taak om ze te beschermen veel eenvoudiger gemaakt.

Na maanden zonder verdere incidenten vond het echtpaar Labuschagne dat het tijd werd om Zakouma voor anderen open te stellen. Ze hielpen bij het introduceren van luxe kampeervakanties – de eerste keer dat toerisme in die vorm in Tsjaad werd toegelaten. Dit jaar verwachten ze dat de onderneming zo’n 250.000 dollar zal toevoegen aan het jaarbudget van het park (twee miljoen dollar per jaar). “Zakouma is waarschijnlijk een van de minst verkende wildervaringen in Afrika,” zegt Annemiek Hoogenboom, een recente bezoekster uit Nederland. “Wandelen naast een kudde olifanten was uniek – een volstrekt andere ervaring dan de dieren bekijken vanuit een terreinwagen.”

Maar plaatselijke toeristen zijn net zo belangrijk voor het natuurbehoud als koopkrachtige buitenlanders. Tsjadische bezoekers kunnen gratis in een van de kampen van Zakouma logeren, en in het droge seizoen worden elke dag veertig bezoekers uit de regio met bussen aangevoerd – vorig jaar meer dan vijfduizend mensen. “Ze hebben altijd vlakbij het park gewoond, maar nooit een giraffe of olifant of paardantilope gezien,” zegt Lorna Labuschagne. “We vertellen hen over ons werk en onze ervaringen hier, en we proberen zo de kiem van milieubewustzijn te leggen.”

Opmerkelijk genoeg is er in Zakouma nu ruim een jaar lang geen enkel incident met stropers voorgevallen, en voor het eerst in jaren groeit de olifantenpopulatie weer. Van 2010 tot 2013 werden er vrijwel geen kalfjes geboren; de doodsbange dieren waren waarschijnlijk te gestrest om zich voort te planten. Maar in 2014 en 2015 werden circa vijftig babyolifantjes geboren, gevolgd door nog eens zeventig in 2016.

De totale populatie telt inmiddels ruim vijfhonderd dieren en zal waarschijnlijk verder groeien als de bescherming adequaat blijft – niet alleen in Zakouma maar ook daarbuiten. Er wordt nu nagedacht over de vorming van een nieuw nationaal park in Siniaka-Minia, een wildreservaat van ruim vierduizend vierkante kilometer dat gedurende het regenseizoen altijd als foerageergebied heeft gediend voor de olifanten die uit Zakouma wegtrokken. Als het gebied tot nationaal park wordt gepromoveerd, zal dat formele bescherming en patrouilles op de grond met zich meebrengen. “Het is nu een wildreservaat, maar alleen op papier,” zegt Lorna Labuschagne.

Over een maand zal het echtpaar Labuschagne uit Tsjaad vertrekken en terugkeren naar Tanzania. “Ik denk dat het voor ons beiden nu tijd is om plaats te maken voor iemand met zijn eigen ideeën en sterke punten,” zegt Rian. Hij vertrouwt erop dat Zakouma ook zonder hen zal blijven floreren.

“Als je de plaatselijke bevolking een aandeel in de toekomst van het park geeft en er geloof is in de waarde ervan, dan is dat het beste systeem van natuurbehoud dat je kunt opzetten,” zegt hij. “Zelfs als je weggaat en zelfs als er politieke onrust is, wat er ook gebeurt, dat managementteam zal het werk voortzetten.”

Lees meer