Verdwenen insecten: zijn ze uitgevlogen?

In minder dan dertig jaar tijd is driekwart van de vliegende insecten uit onze natuurgebieden verdwenen. Wat zijn de gevolgen? En wat kunnen we ertegen doen?donderdag 3 oktober 2019

Door Gemma Venhuizen
Foto's Van Edwin Giesbers

Dit artikel verscheen in de oktober 2019 editie van National Geographic Magazine.

Vrijwel direct na de flits volgt de donder. En nóg een flits, zo helder dat de omgeving oplicht: het open grasland van de Kaaistoep, omzoomd met populieren. Dan wordt het weer donker en begint het te stortregenen in het Noord-Brabantse natuurgebied. Grote druppels, zelfs een paar hagelstenen. Het lijkt Paul van Wielink niet te deren. Uiterst kalm staat hij voor het grote witte laken dat fel wordt beschenen door twee lampen. ‘Even de kokerjuffers van het doek halen.’ 

In de open werkschuur zitten de overige leden van het telteam. Henk Spijkers, peuk tussen de lippen, en Guido Stooker, pen in de hand en een soortenlijst voor zijn neus. De vlindernamen klinken haast poëtisch. De groene eikenbladroller en de dennenspinner. Boven aan het formulier noteert Stooker de temperatuur: 24,2 °C.

Van Wielink loopt naar binnen, een vangpotje in zijn hand. Quasi streng kijkt hij me aan: ‘Zorg dat je vanavond niet alleen vlindernamen onthoudt, maar ook kevernamen. Iedereen wil altijd alleen de nachtvlinders leren kennen. Zonde. Kevers en wantsen en sluipwespen zijn net zo goed prachtig.’ In mijn hoofd repeteer ik de soorten die hij noemt. Een kever die het zwart soldaatje heet, en een veelvoorkomende sluipwesp met de wetenschappelijke naam Ophion luteus

In natuurgebied de Kaaistoep bij Tilburg verzamelen Paul van Wielink (rechts), Guido Stooker en Henk Spijkers (niet op de foto) elk jaar insecten die afkomen op een met lampen beschenen wit laken. Op basis van onder meer dit langlopende onderzoek en een tweede bij het Drentse Wijster concludeerden onderzoekers van de Radboud Universiteit Nijmegen dat het aantal nachtvlinders in ruim twintig jaar is gedaald met 54 procent en het aantal loopkevers met 72 procent.
Foto van Edwin Giesbers

Elke week zitten ze hier, Van Wielink en Spijkers, al 23 jaar, sinds het begin van de tellingen in 1996. De appelflappen staan op tafel, de koffie is warm, het bier staat koud. Vanavond is ook Hans de Kroon aanwezig, hoogleraar plantenecologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Al jaren doet hij onderzoek naar de insectenstand in Nederland en daarbuiten. Eind 2017 werd zijn werk wereldnieuws: samen met een Nederlands-Duits team van biologen, onder wie de Nijmeegse promovendus Caspar Hallmann, publiceerde hij een artikel in het wetenschappelijke tijdschrift PLOS ONE over langlopend onderzoek naar de achteruitgang van insecten in 63 beschermde natuurgebieden in Duitsland. In 27 jaar tijd bleek de vliegende insectenbiomassa (het gewicht van alle vliegende insecten samen) met ruim 75 procent te zijn afgenomen. De publicatie veroorzaakte een schokgolf in de media. De Britse krant The Guardian schreef over een ‘ecologisch armageddon’, The New York Times kopte met grote letters ‘The Insect Apocalypse Is Here’. Driekwart van de vliegende insecten weggevaagd in een tijdsbestek van enkele decennia: hoe kón dat?

Diezelfde vraag brengt mij vanavond naar de Kaaistoep. Want ook in Nederland en België gaan de insecten de laatste decennia sterk in aantal achteruit. Wat is daarvan de oorzaak? Wat zijn de gevolgen? En: kunnen we het tij nog keren?

De kleine glimworm (Lamprohiza slendidula) is een van de drie soorten vuurvliegjes in Nederland. De kevertjes zijn rond 1 juli enkele weken actief – elke dag na zonsondergang vliegen de lichtgevende mannetjes maximaal één uur lang rond. Kleine glimwormen komen nog plaatselijk voor in Zuid-Limburg en bij Nijmegen, zoals hier in natuurgebied Sint-Jansberg. In België worden ze nog gezien in de Voerstreek en in het Limburgs Maasland. (Dit beeld is gebouwd uit meerdere opnamen)
Foto van Edwin Giesbers

Uit het onderzoek in de Duitse natuurgebieden kwam niet meteen één duidelijke boosdoener naar voren, vertelt De Kroon, boven het onheilspellende geroffel van de regen uit. ‘Klimaatverandering of veranderingen in het landschap konden de achteruitgang op zichzelf niet verklaren,’ zegt hij. Wel waren de onderzochte natuurgebieden relatief klein én werden ze omringd door landbouwgebied – net als de Kaaistoep en veel andere natuurgebieden in Nederland. Juist landbouw zou een belangrijke rol kunnen spelen in de achteruitgang van soorten, meent De Kroon. 

Grootschalige landbouwpercelen zorgen bijvoorbeeld voor de afname van het aantal bloeiende planten, die voor insecten een belangrijke nectarbron vormen. Verder leiden landbouw- giffen tot insectensterfte. Vooral de neonicotinoïden – de beruchte insecticiden die sinds de jaren negentig in gebruik zijn, bijvoorbeeld in sommige mierenlokdozen – worden vaak als boosdoener genoemd, net als het bestrijdingsmiddel Roundup. 

‘Bij akkerplanten worden die neonicotinoïden vaak aangebracht als coating rond het zaad dat wordt ingezaaid,’ zegt De Kroon. ‘Eet een insect dan van een plant die uit zo’n zaadje groeit, dan sterft het dier of raakt het verzwakt, waardoor het minder nakomelingen kan krijgen.’ Hij zwijgt even, neemt een hap van zijn appelflap. ‘Kijk, of neonicotinoïden daadwerkelijk de hoofdoorzaak zijn, kunnen we nog niet met zekerheid zeggen. Maar we weten steeds meer over hun effecten en ze komen alleen nog maar steviger in de beklaagdenbank te zitten.’ 

Om dieper inzicht te krijgen in de oorzaken van insectensterfte zijn juist langlopende projecten zoals hier in Noord-Brabant erg belangrijk, benadrukt De Kroon. In 2018 analyseerde hij met Hallmann en anderen de gegevens van de Kaaistoep en die van natuurgebieden rond Wijster in Drenthe. Daaruit blijkt dat het aantal loopkevers in deze provincie sinds 1996 is afgenomen met 72 procent en dat het aantal nachtvlinders in de Kaaistoep sinds 1994 is gedaald met 54 procent. Die twee insectengroepen samen bevatten landelijk bijna 1400 soorten: pakweg zes procent van alle insectensoorten die in Nederland voorkomen.

Uit ander Nederlands en Vlaams onderzoek komen soortgelijke verontrustende cijfers naar voren. In België was het voorjaar van 2019 ‘desastreus’ voor nachtvlinders, berichtte de Vlaamse natuurorganisatie Natuurpunt. Elf jaar geleden begon Natuurpunt een nachtvlindermeetnet, maar dit jaar telden vrijwilligers – na een hoopvolle start in april – in veel nachten maar een kwart tot een derde van het gemiddelde aantal. De organisatie zelf spreekt van ‘een miserabel mislukt mottenjaar’. 

De Vlinderstichting becijferde dat tussen 1890 en 2017 het aantal dagvlinders in Nederland met minstens 84 procent achteruit is gegaan. En ook de libellen gaan de laatste tien jaar in aantal achteruit, terwijl het met die groep eerder juist bergopwaarts leek te gaan door de verbeterde waterkwaliteit. 

‘Waar we in de Duitse studie keken naar het gewicht van alle vliegende insecten samen, maken we bij de onderzoeken in Nederland onderscheid tussen diverse insectengroepen,’ zegt De Kroon. Naar lang niet alle groepen wordt uitgebreid en langlopend onderzoek gedaan; hoe groot de achteruitgang van het totale aantal insecten is, durft De Kroon daarom niet precies te zeggen. ‘Maar uit de gegevens die we hebben, blijkt dat de achteruitgang in heel veel groepen gaande is,’ zegt hij. 

‘Voor de nachtvlinders speelt lichtvervuiling wellicht ook een rol,’ vult Guido Stooker aan. ‘Dat kan de voortplanting verstoren.’ 

Henk Spijkers knikt. ‘Toen we hier begonnen, vingen we per nacht flink meer soorten, en grotere aantallen per soort. Afgelopen zaterdag hadden we zestig soorten nachtvlinders, dat vinden we tegenwoordig heel veel. Maar vroeger zaten we bijna elke week boven de honderd. Dan zag het laken zwart van de vlinders.’

Insecten met een lange en indrukwekkende geschiedenis. Al ruim vierhonderd miljoen jaar bevolken ze de aarde. Ze waren de eerste dieren die konden vliegen en hebben zich ontwikkeld tot een uitermate diverse diergroep, met bijna een miljoen bekende en vermoedelijk minstens zo veel onbekende soorten. Alle insecten hebben zes poten en een lijf dat uit drie delen bestaat. Insectum, het Latijnse woord voor insect, is afgeleid van insecare, ‘insnijden’: het lijkt of het insectenlijf in drieën is gesneden. Ook de functie van insecten zou je ruwweg in drieën kunnen delen, volgens De Kroon. ‘Ze dienen als voedsel voor andere soorten; ze houden de bodem gezond doordat ze onder meer helpen bij de afbraak van natuurlijk afval; en ze bestuiven ruim twee derde van alle plantensoorten.’

Buiten op de Kaaistoep is het inmiddels gestopt met regenen. Het wolkendek is opengebroken en bij maanlicht stapt Paul van Wielink weer naar buiten. Om zijn nek hangt een doorzichtige buis, met aan beide einden een flexibel slangetje. ‘Dit is voor de kleinere insecten,’ zegt hij. ‘Die kun je niet met een pincet pakken.’ En dus zuigt hij heel voorzichtig aan het ene uiteinde, terwijl hij het andere uiteinde op een minuscule sluipwesp plaatst. Eén keer zuigen en de wesp is binnen. ‘Met wantsen moet je dit nooit proberen. Die verspreiden een vreselijke stank. Die proef je de rest van de nacht nog in je mond.’ 

Het witte laken van ruim twee bij drie meter oogt als een schildersdoek met hier en daar een zwart stipje. De insecten komen af op het licht van vier lampen van elk vijfhonderd watt. ‘Met deze lampen en dit doek zijn we destijds begonnen, dus die moeten we blijven gebruiken, anders zijn de resultaten niet meer representatief,’ zegt Van Wielink. ‘Ook al zitten er inmiddels wat muizengaten in,’ lacht Stooker. Ik vertel dat de gaten me herinneren aan de ‘geef-de-vlieg-een-kans-mepper’ die ik op de basisschool ooit ontwierp: een vliegenmepper met een uitsparing erin. ‘Gelukkig zijn de gaten zo klein dat ze procentueel verwaarloosbaar zijn,’ zegt de Kroon. ‘Anders zou het een negatieve invloed hebben op de onderzoeksresultaten.’ 

Stooker vertelt dat dit jaar in Nederland een proef begint met camera’s die automatisch de insecten tellen op een speciaal daarvoor geplaatst doek – een techniek die werd ontwikkeld door onder meer Naturalis Biodiversity Center en het EIS Kenniscentrum Insecten, beide in Leiden. De beelden worden daarbij gekoppeld aan software die deze soorten kan herkennen zonder dat ze hoeven te worden gevangen. Stooker en zijn collega’s denken echter voorlopig niet aan stoppen met hun doek. ‘Wij kijken naar een veel groter oppervlak, dus dat levert sowieso al veel meer kennis over soorten op.’

Van Wielink stopt de insecten die hij verzamelt in een pot met ethylacetaat, een chemische verbinding van ethanol en azijnzuur. ‘Daardoor verdwijnt de zuurstof uit hun tracheeën, de organen waarmee ze ademen, en gaan ze dood. Zo kunnen we ze vervolgens makkelijk prepareren en op naam brengen.’ 

Even denk ik terug aan de mug die ik op mijn achtste per ongeluk doodwreef, waarna ik zo hard moest huilen dat ik mezelf voornam nooit, maar dan ook nóóit met opzet een insect te doden. ‘Zielig,’ zeg ik. Van Wielink lacht. ‘Ach joh, daar moet je niet te zwaar aan tillen. Hoeveel insecten hebben zich denk je te pletter gevlogen tegen je autoruit op weg hiernaartoe? Heel wat meer dan wij er om zeep helpen.’ Hij wijst op mijn bruine krullen. ‘En dan heb ik het nog niet eens over alle kleine vliegjes die daarin verstrikt raken...’ 

De jeep waarmee Rikjan Vemeulen en Alje Woldering komen aanrijden, doet het zand opstuiven. Waar de regen op de Kaaistoep met bakken uit de lucht viel, is het op het Drentse Dwingelderveld zonnig, stoffig en droog. Op de zijdeur van de auto is een grote goudrandloopkever afgebeeld: het logo van biologisch station Wijster. Dit is de andere langlopende studie waarover De Kroon sprak: al sinds 1959 doen vrijwilligers hier onafgebroken veldonderzoek naar de aanwezigheid van loopkevers. 

Woldering, die doordeweeks werkzaam is als ICT’er, loopt sinds twaalf jaar elke zondag, weer of geen weer, zijn twee rondjes: eerst langs de drie meetlocaties op het Dwingelderveld, dan langs de vijf op het nabijgelegen Mantingerveld. Op elke locatie leegt hij de vallen, waarna hij de keversoorten bezorgt bij bioloog en loopkeverspecialist Vermeulen, die ze vervolgens thuis ‘op naam brengt’. 

Van bovenaf zijn de potvallen te herkennen aan een vierkanten metalen deksel, dat beschermt tegen instromende regen. Eronder zit een gaasje, zodat muizen en reptielen er niet in kunnen vallen – een argeloos voorbijlopende kever past er daarentegen gemakkelijk door. Daar weer onder bevindt zich een hoekig blik. 

‘Dit zijn Canadese koekblikken, van net na de oorlog,’ vertelt Vermeulen. ‘De oprichters van het biologisch station gebruikten ze al, en je ziet dat ze nog altijd meegaan.’ 

Op elke meetlocatie zijn drie vallen aanwezig: een droge, een natte – waarbij de insecten via een trechter in het koekblik in een laagje van het conserveermiddel formaline terechtkomen – en nog een droge val. 

‘In die droge vallen kun je een vertekend beeld van de aanwezige soorten krijgen. Bepaalde keversoorten eten elkaar op of ze worden opgegeten door mieren,’ zegt Vermeulen. ‘Met de natte val loop je dat risico niet. Alles wat daarin valt, gaat direct morsdood.’ 

Woldering loopt voor me uit naar de eerste droge val, verscholen tussen een paar struikheidepollen. Hij leegt het koekblik in een gecodeerde plastic beker – elke code correspondeert met een specifieke val – en haalt dan een sportbidon tevoorschijn. Formaline, om de nog levende kevers in te verdrinken. ‘Die droge val zorgt hooguit voor uitstel van executie, maar uiteindelijk ondergaan alle gevangen kevers hetzelfde lot. Het voelt cru: kevers opzettelijk doodmaken om de insectensterfte te onderzoeken. Maar anders kunnen we ze niet op naam brengen.’ Veel insectensoorten zijn te onderscheiden op basis van de vorm van hun geslachtsdelen, en die is vaak alleen onder een microscoop goed te zien. 

In een lab van de Universiteit Leiden voeren bioloog Henrik Barmentlo (links) en ecotoxicoloog Martina Vijver experimenten uit met gifstoffen. Zo bestudeerden ze in proefslootjes in de buitenlucht de effecten van het landbouwgif thiacloprid. Ze ontdekten dat insecten die in de sloten langdurig te maken krijgen met geringe hoeveelheden thiacloprid, 2500 keer zo gevoelig zijn voor het gif dan die in het lab. Buiten, aldus Vijver, staan insecten bloot aan extreem weer, roofdieren en voedselgebrek, wat ze kwetsbaarder maakt voor gif.
Foto van Edwin Giesbers

Voor loopkevers is de grootste vijand habitatvernietiging, weet Vermeulen. ‘Niet alleen door landbouw, maar bijvoorbeeld ook door wegen die dwars door natuurgebieden worden aangelegd. Op die manier raken de populaties versnipperd. Een asfaltweg is voor sommige loopkeversoorten een onoverkomelijke barrière. En zo zijn er allerhande menselijke ingrepen die nadelig kunnen uitpakken: te sterke vernatting of juist verdroging, overbemesting...’ 

‘Vergrassing is ook nadelig,’ gaat hij verder. ‘Veel loopkeverlarven leven maandenlang in de bodem, en dan zijn ze afhankelijk van de hoeveelheid zonnestraling die de bodem kan bereiken.’ 

‘Hier in de omgeving leven ruim honderd verschillende loopkeversoorten, van de pakweg 450 die er in Nederland voorkomen,’ zegt Vermeulen. ‘Een groot deel daarvan is in de afgelopen decennia sterk in aantal gedaald.’ 

Woldering knikt: ‘Tussen begin jaren negentig en 2007 is het aantal loopkevers hier gehalveerd. Dat zijn enorme aantallen. En de achteruitgang gaat door.’ 

Eigenlijk is Woldering helemaal niet zo’n keverfan, bekent hij terwijl hij over een schrikdraadomheining stapt. ‘Ik ben een vogelaar en heb bij mijn wekelijkse ronde ook altijd mijn kijker mee. Soms dansen hier kraanvogels, met wat geluk zie ik een grauwe klauwier. Juist door vogels is mijn interesse voor insecten ontstaan. Want net als de loopkevers lijken ook de vogels hier de laatste jaren in aantal af te nemen.’ 

Vanaf het Dwingelderveld rijden we door naar het Mantingerveld, een voormalig landbouwgebied ten oosten van Wijster dat enkele jaren geleden is omgevormd tot heide. De gunstige gevolgen daarvan zijn terug te zien in de loopkeverstand. In de potvallen die we legen, komen we onder meer een prachtige goudrandloopkever tegen. Zijn schild schittert in de zon. 

‘Dat schild is hun bescherming,’ zegt Vermeulen. ‘Bij jonge kevers is het nog zacht, die vormen daardoor een makkelijke prooi voor vogels. Maar volwassen kevers zijn een soort tankjes die over de hei lopen.’ 

In weerwil van hun naam kunnen veel loopkevers wel vliegen, zegt hij. ‘Als ze voldoende rupsen en ander eiwitrijk voedsel kunnen vinden, ontwikkelen ze vliegspieren. Dan kunnen ze opvliegen en zich op de wind ergens heen laten voeren,’ aldus Vermeulen. ‘Maar als de omstandigheden niet goed zijn, dan kunnen ze niet vertrekken en zitten ze dus gevangen in een slecht gebied.’ 

We lunchen staand, bij de open achterklep van de jeep. Vermeulen heeft een thermosfles koffie meegenomen, Woldering een pak krakelingen. Zijn eerdere opmerking laat me niet los. Want wat zijn de gevolgen van de insectensterfte voor de rest van de natuur? Stevenen we inderdaad af op een ecologisch doemscenario? 

Tot 1986 leefden er bij Wijster korhoenders op het Dwingelderveld, vertelt Vermeulen. ‘Korhoenkuikens eten uitsluitend grote insecten, waaronder loopkevers. Dat de afname van de loopkeverstand tot het verdwijnen van de korhoenders heeft geleid, is nooit aangetoond, maar aannemelijk is het wel.’ 

Ik denk terug aan wat De Kroon vertelde op de Kaaistoep: dat er met het verdwijnen van insecten een ‘cascade-effect’ kan ontstaan. Vogels, reptielen, vleermuizen en andere insecteneters zullen minder voedsel tot hun beschikking hebben en daardoor ook in aantal achteruitgaan. Dat gaat weer ten koste van de populatie roofdieren die het op die insecteneters hebben voorzien. Niet alle soorten zullen daar even veel last van hebben: sommige passen hun dieet of hun leefomgeving relatief makkelijk aan. Maar bepaalde iconische vogelsoorten – denk aan de patrijs of de veldleeuwerik – komen serieus in de problemen als er te weinig insecten beschikbaar zijn. Naar schatting minstens zestig procent van de vogels is gedeeltelijk of helemaal afhankelijk van insecten als voedselbron. Ook de neonicotinoïden spelen een rol in het cascade-effect: zelfs als insecten er niet direct aan zouden doodgaan, dan kunnen de gifstoffen zich ophopen in het lijf van een insecteneter, die vervolgens wél het loodje legt. 

Na de lunch maken we ons rondje over het Mantingerveld af. Onderweg zien we een dode mestkever. Woldering blijft even staan. ‘Mestkevers zijn geen loopkevers, ze behoren tot een aparte groep. Maar ook zij spelen een cruciale rol bij het gezond houden van de ondergrond.’ 

Zonder bodeminsecten zou de afbraak van dode dieren en planten door schimmels en bacteriën grotendeels tot stilstand komen. Een duidelijk voorbeeld voltrok zich halverwege de vorige eeuw in Australië: de veestapel dijde zo snel uit dat het land bedolven raakte onder de koeienpoep. Uiteindelijk moesten er mestkevers worden geïmporteerd om het mestprobleem op te lossen. 

Weer een andere kevergroep, die van de aaskevers, is van cruciaal belang voor de afbraak van dood vlees: in twee weken kunnen ze een rottend karkas schoon eten. Ook loopkevers kunnen aaseters zijn, vertelt Vermeulen: sommige soorten hebben dode insecten op hun dieet staan. ‘Maar vaker zijn het actieve rovers, die andere insecten, wormen of zelfs slakken eten.’ Kevers hebben dus invloed op de bodem en op de voedselketen, en ook op de vegetatie: zo dragen sommige (vliegende) soorten bij aan de verspreiding van zaden, vruchten en stuifmeel. 

Op de bodem van de laatste potval zien we een parend loopkeverstelletje. ‘Sorry jongens,’ zegt Woldering, terwijl hij een scheut formaline uit de bidon knijpt. ‘Het spijt me van alle nooit geboren loopkevertjes.’ Hebben de loopkevers na al die jaren dan toch een plekje veroverd in zijn vogelaarshart? Hij glimlacht. ‘Een bescheiden plekje, ja.’ 

Daags na mijn bezoek aan de loopkevers zit ik in mijn Amsterdamse achtertuin: een postzegel van twee bij drie meter, waarvan ik de tegels onlangs heb vervangen door houtsnippers en gras. In de hoek hangt een insectenhotel – de holle bamboestengels zijn vooralsnog onbewoond – en naast het tuinhekje staat het appelboompje dat ik dit voorjaar heb geplant. Her en der schiet onkruid omhoog. 

‘Lekker laten woekeren,’ adviseert Koos Biesmeijer, wetenschappelijk directeur van Naturalis en hoogleraar natuurlijk kapitaal aan de Universiteit Leiden. ‘Dat doe ik in mijn eigen tuin ook, met succes: vanuit mijn hangmat kan ik de wilde bijen zien.’ 

In een verhaal over afnemende insectenaantallen kunnen bijen niet ontbreken. Zoals de pandabeer uitgroeide tot het symbool van bedreigde zoogdieren, zo heeft de honingbij zich ontwikkeld tot iconisch insect. Zo’n tienduizend imkers telt Nederland nu, overwegend enthousiaste stadsbewoners die bijen houden op hun dak, en hobbyisten met een korf in de tuin. 

Al die aandacht lijkt de honingbij goed te doen: steeds beter lukt het imkers om de gevreesde varroamijt onder controle te houden, en er vindt minder sterfte plaats dan een paar jaar geleden. Maar de honingbij is slechts één van de pakweg 360 bijensoorten in Nederland. En daarvan geldt ruim de helft officieel als bedreigd. De honingbij is een landbouwhuis- dier, net als bijvoorbeeld de kip, waarschuwen wetenschappers als Biesmeijer en De Kroon. Als het goed gaat met de kippen, betekent dat niet automatisch dat het goed gaat met de vogels. Hetzelfde gaat op voor de honingbijen en de wilde bijen, zegt Biesmeijer. 

‘Vooral landgebruik speelt die wilde bijen parten. We zijn in Nederland superefficiënt geworden in het benutten van ruimte. Er is geen wild land, er zijn minder heggen, randjes, hoekjes. En dan is er nog het te hoge stikstofgehalte, het te lage waterpeil... Gif speelt ook een rol, maar dat is niet het hele verhaal.’ 

Dat bijen zo veel aandacht krijgen, heeft voor een groot deel te maken met hun aandeel in de bestuiving van gewassen. Bijen en andere vliegende bestuivers hebben volgens Biesmeijer wereldwijd een economische waarde van 230 tot 570 miljard euro per jaar. 

‘Stel: je hebt een appelboomgaard. Als je om een deel van de bomen zakjes rond de bloesem bevestigt, zodat die niet meer kan worden bestoven, kun je zien wat het verschil in opbrengst is met bomen die wel worden bestoven. Dat kun je voor allerlei gewassen berekenen, en zo kun je de waarde van bestuivers uitdrukken in geld.’ 

Van tomaten tot aardbeien, van peren tot aubergines: een groot deel van ons voedsel wordt door vliegende insecten bestoven. Vallen die weg, dan zou de wereld er heel anders uitzien, zegt Biesmeijer. ‘Er worden bijvoorbeeld in China wel pogingen gedaan om bloesem met de hand te bestuiven, of met robotbijen, maar dat is veel minder effectief. De bloemen raken ook snel beschadigd. Het is heel moeilijk om een goede bij te zijn.’ 

Het in Nederland beschermde vliegend hert (Lucanus cervus) dankt zijn naam aan de enorme kaken van het mannetje. Zodra hij – doorgaans in de eerste warme dagen in juni – een wijfje op de boom heeft ontdekt, beschermt hij de plek tegen andere mannetjes. Soms komt het tot verwoede gevechten, zoals hier in natuurgebied Sint-Jansberg bij Milsbeek. De grote kaken worden ingezet om de rivaal uit de boom te werpen.
Foto van Edwin Giesbers

Op een woensdagavond wandel ik over de campus van de Wageningen Universiteit. Interesse genoeg, zo lijkt het: de collegezaal in het Forum-gebouw zit stampvol. De studente naast me tekent fantasie-insecten in haar notitieblok: libellen met een giraffennek, een mug met laarsjes aan. Voor me fluisteren twee oudere dames lacherig: ‘Na veertig jaar weer terug in de collegebanken!’ 

Hoogleraar entomologie Marcel Dicke loopt de zaal in. Al sinds 1997 organiseert hij eens in de twee jaar de lezingenreeks ‘Insects and Society’, die voor iedereen toegankelijk is. De beamer projecteert een illustratie van een stoere motorrijder. Zijn linkerhelft is gehuld in jarentachtigoutfit, inclusief tatoeage: ‘Wind in my hair, bugs on my teeth’. Een hoofd vol dode vliegjes. ‘1989’ staat ernaast. Zijn rechterhelft representeert 2019: weg zijn de dode vliegjes en de tattoo. ‘Where have the insects gone?’ staat er nu in grote letters boven. 

In tien lezingen schetsen wetenschappers het belang van insecten voor onze maatschappij. Een van hen is Guido de Croon van de TU Delft, die hier vanavond is om de DelFly te demonstreren: met twintig gram de lichtste zelfstandig vliegende drone ter wereld. De Croon en zijn collega’s lieten zich voor het ontwerp inspireren door libellen. ‘Een libelle die een vlieg in de lucht wil vangen, bepaalt aan de hand van de snelheid van de vlieg wat zijn eigen snelheid moet zijn. Dat doet hij op een hele simpele manier: door die vlieg steeds op dezelfde plek in zijn gezichtsveld te houden. Het is een voorbeeld van insectenintelligentie: met simpel gedrag kun je moeilijke taken oplossen, en daar is niet veel schijfruimte voor nodig.’ 

DelFly is een van de vele door insecten geïnspireerde robots. Zelfstandige minidrones zijn heel geschikt voor gebruik in nauwe, moeilijk bereikbare ruimten, zegt De Croon – bijvoorbeeld in reddingsoperaties. Met wifisignalen kunnen ze hun afstand ten opzichte van collega-drones bepalen, zodat een hele zwerm van robotinsecten tegelijkertijd kan opereren. De Croon: ‘Vergelijk het met mieren of honingbijen die met elkaar communiceren.’ 

Dat wil niet zeggen dat de drones ooit de plaats van insecten kunnen innemen, benadrukt hij met klem. Net zomin als Biesmeijer en andere kenners ziet hij de robotbij als effectief alternatief voor insectenbestuiving. 

‘Insecten spelen zo’n belangrijke rol in de natuur en voedselketen, dat we ze niet door robots moeten willen vervangen. Bovendien zitten ze zo ingenieus in elkaar dat we ze nog lang niet kunnen nabootsen. We kunnen ons hooguit laten inspireren door de natuur en de kunst een beetje afkijken.’ 

Insecten als inspiratiebron: dat is – naast hun rol in de voedselketen, in de afbraakcyclus en in de bestuiving – nog een vierde functie die ze vervullen. Dicke vertelt dat hij zelf kunstverzamelaar is geworden, van afbeeldingen van schilderijen waarop insecten zijn afgebeeld. 

‘Met studenten kijk ik bijvoorbeeld ook naar modeontwerpers die hun collectie een insectenthema meegeven, naar wetenschappers die mieren als voorbeeld gebruiken om fileproblemen op te lossen en naar forensisch onderzoekers die met behulp van insecten kunnen zien hoe lang iemand al dood is en of hij echt is overleden op de plaats waar hij is gevonden.

Zelf doet Dicke onder meer onderzoek naar insectenconsumptie door mensen en door vee. 

‘Krekels, sprinkhanen en meelwormen smaken ons het best. In veevoer wordt de zwarte soldatenvlieg vaak gebruikt. Europa’s grootste fabriek om insecten als ingrediënt voor veevoer te produceren staat in Bergen op Zoom: 1,5 hectare. En het zou nog veel uitgebreider kunnen.’ 

Dicke krijgt regelmatig opmerkingen: die insecten hebben het al zo moeilijk, en dan wil je ze nog opeten ook...

‘Maar de consumptie-insecten zijn niet de soorten die het moeilijk hebben,’ zegt hij. ‘Ze vormen een ontzettend goede eiwitbron, en er is zo veel minder landbouwgrond en CO2-uitstoot nodig voor de productie ervan. Om een kilo sprinkhanen te produceren, heb je tien keer zo weinig voer nodig als voor een kilo rundvlees, en het ruimtebeslag is dus ook veel beperkter.’ 

‘We staan wereldwijd voor een aantal grote uitdagingen,’ vervolgt hij. ‘Het behoud van biodiversiteit, het tegengaan van klimaatverandering, het voeden van de wereldbevolking. Die doelen zijn goed te verenigen, maar dan moeten we ook allemaal onze eigen verantwoordelijkheid nemen. Deels door open te staan voor veranderingen – zoals het eten van insecten – en deels door bijvoorbeeld niet naar het tuincentrum te rennen voor neonicotinoïden om de buxus te redden. Natuurlijk, we hebben als individu niet overal invloed op: gemeenten die de boel in een keer platmaaien, akkers die steeds groter worden door ruilverkaveling. Maar laten we zelf actie ondernemen waar dat kan. Met alleen een vingertje wijzen naar de landbouw redden we het niet.’ 

Niet lang na de lezing in Wageningen fiets ik langs een rij eikenbomen, waaraan stuk voor stuk een wapperend rood-wit lint is aangebracht. De hele zomer hebben de Nederlandse kranten vol alarmerende berichten gestaan over ‘plaaginsecten’, zoals de eikenprocessierups. Ik besluit het aan Dicke te vragen: zijn zulke soorten in opmars? 

‘De eikenprocessierups is inmiddels al dertig jaar in Nederland, maar de aantallen zijn dit jaar en vorig jaar inderdaad flink hoger dan voorgaande jaren,’ zegt hij. Mogelijk speelt de afname van natuurlijke vijanden – zoals vleermuizen, roofinsecten en vogels – een rol. ‘Daar waar er veel verschillende vijanden in Nederland zijn, zal de overlast minder zijn.’ 

Ook het klimaat kan de opmars van plaaginsecten beïnvloeden. ‘Door klimaatverandering verschuift het leefgebied van allerlei soorten naar het noorden. Daarmee krijgen we continu te maken met insecten die binnenkomen vanuit zuidelijke streken,’ zegt Dicke. 

Als voorbeeld noemt hij het mediterraan draaigatje, een mierensoort die grote nesten bouwt. ‘Als zulke soorten hier eerder arriveren dan hun natuurlijke vijanden, dan kúnnen ze uitgroeien tot een plaag. Maar na een strenge winter zal een soort bijvoorbeeld minder snel in aantal toenemen dan na een milde winter.’ 

Potentiële plaaginsecten hoeven dus niet per se te veranderen in een echte plaag. Tegelijk moeten we ervoor zorgen dat we zélf niet uitgroeien tot een plaag, vindt Dicke. 

‘Weet je welke vraag me het meest gesteld wordt? Wat het nut van de mug is. Ten eerste vergeten die mensen dat muggenlarven als voedselbron dienen voor veel vissen, en dat volwassen muggen vaak worden gegeten door vogels en vleermuizen. Maar los daarvan: waarom zou een mug nut moeten hebben? Dat is nogal een egocentrische vraag. Wij mensen zijn maar een van de twee miljoen diersoorten op aarde, maar we maken het de rest vrijwel onmogelijk om te leven. De natuur redt zich wel zonder ons: als wij zijn verdwenen, ontwikkelt die biodiversiteit zich gewoon verder. Maar redden wij het wel zonder de natuur?’ 

Na mijn bezoek aan de Kaaistoep krijg ik een e-mail van Paul van Wielink met zijn logboek- aantekeningen van die avond: ‘Overdag zon en bewolking, wind draait over O naar N en W, zwoel, 28 °C. Licht aan 21.30 (twee lampen, het was al tamelijk donker vanwege dreigend onweer), zwoel, bewolkt, maar snel begint het te stortregenen en onweren.’ 

Verder noteert hij dat alles secuur is geteld en verzameld: onder meer ‘nul haften, nul mieren,’ maar wel ‘vijf roofvliegen!’ In het uitroepteken klinkt zijn insectenliefde door. 

Gemma Venhuizen is fysisch geograaf en wetenschapsjournalist. In haar kinderboek Rotbeesten bezingt ze de lof van insecten en andere ‘kriebelbeesten’. Natuurfotograaf Edwin Giesbers heeft een voorkeur voor ‘het kleine en vaak onopgemerkte’. Van hem verscheen eerder onder meer de National Geographic-uitgave Handboek natuurfotografie Nederland & België.

Wat staat er allemaal op het spel wanneer dieren uitsterven? Lees alles over 'dossier uitsterving' in de oktober 2019 editie van National Geographic magazine.

Lees verder

Insectensmokkel is big business

De vraag naar exotische huisdieren en verzamelobjecten drijft een levendige handel in kevers, spinnen en andere beestjes aan.

Waarom insectenpopulaties kelderen - en waarom dat zorgwekkend is

Uit nieuw onderzoek blijkt dat veertig procent van de insectensoorten in aantal achteruit zijn gegaan, een bevinding die de internationale wetenschappelijke gemeenschap heeft geschokt.
Lees meer