De kangoeroe is het nationale symbool van Australië. Misschien wel zijn kenmerkendste eigenschap is het vermogen om sprongen van gemiddeld twee meter te maken, waarmee hij snelheden van twintig tot maar liefst 65 kilometer per uur bereikt. In korte tijd kan het dier dus grote afstanden afleggen. Toch is dit niet altijd het geval geweest: sommige (uitgestorven) kangoeroes bewogen zich op vier poten voort, of liepen zelfs op twee poten – stapje voor stapje, net als mensen.
Waarom zijn kangoeroes nu zulke goede hoppers?
Kangoeroes van nu kunnen zo ver – en hoog – springen dankzij hun lange, gespierde achterpoten, waarmee het dier zichzelf lanceert. Daarbij houdt zijn zware, sterke staart hem in evenwicht. Hij springt altijd op zijn twee achterpoten tegelijk (‘hoppen’), wat hem uniek maakt onder de grote zoogdieren.
Bovendien slaat de kangoeroe door de beweging van de pees kinetische energie op: zo geeft zijn vorige sprong hem telkens energie voor de volgende. Bij lage snelheden levert dit minder op en is springen op twee achterpoten minder efficiënt. In dat geval steunt het dier op zijn voorpoten en staart en hopt hij in laag tempo op vier poten vooruit. Fun fact: achteruithoppen kunnen kangoeroes niet.
De wandelende voorouders van de kangoeroe
In een Brits-Zweedse studie die in mei 2023 werd gepubliceerd, werden fossielen van kangoeroes van de afgelopen 25 miljoen jaar onder de loep genomen. Daaruit concludeerden de onderzoekers dat veel kangoeroevoorouders zich op een andere manier voortbewogen dan de hedendaagse kangoeroesoorten, veelal niet-springend.
Uit eerder onderzoek, in 2014, kwam al naar voren dat er dertigduizend jaar geleden een kangoeroe door Australië ‘liep’, de ene voet voor de ander. Deze kwam uit de Sthenurinae-onderfamilie, was zo’n twee meter lang en woog ruim tweehonderd kilo – wat ook meteen verklaart waarom de onderzoekers betogen dat hij niet van de grond zou zijn gekomen. De meeste kangoeroes van nu wegen nog geen zeventig kilo: een rode reuzenkangoeroe, een van de bekendste kangoeroesoorten, weegt gemiddeld dertig tot 55 kilo.
Daarnaast waren de heupen en kniegewrichten van de oerkangoeroe groter, zijn enkelgewrichten stijver en ruggengraat minder flexibel. Ook had zijn staart nog geen ondersteunende functie bij de afzet. Analyse van de botten wijst uit dat het dier kleine stapjes deed, net als wij.
Van hupjes naar gevorderd verspringen
Er zijn sterke aanwijzingen dat Protemnodon, een geslacht van uitgestorven megawallaby’s, zich voortbewoog op vier poten. Deze kangoeroes hadden namelijk korte achterpoten en sterke armen. Al waren ze misschien in staat te huppen, is het met hun anatomie onwaarschijnlijk dat ze dit regelmatig deden. Zo zijn er nog veel meer voorbeelden van (uitgestorven) kangoeroes met diverse loopjes, waaronder klimmen – zoals de boomkangoeroe nu nog altijd doet.
Waarom springen tegenwoordig een veelvoorkomende eigenschap is bij kangoeroes is nog onduidelijk, maar het helpt ze in ieder geval grote afstanden te overbruggen op zoek naar water en voedsel op een groot en soms erg droog continent.







