In het binnenland van Suriname, een landschap van moerassen, mangroves en dichtbegroeid oerwoud, liggen de dorpen van de Marrons. Hun voorouders waren Afrikaanse slaafgemaakten die zichzelf wisten te bevrijden van plantages. Op de vlucht voor de koloniale autoriteiten trokken ze het regenwoud in, waar ze zich vestigden. Generaties later is deze Afrikaanse oorsprong nog steeds voelbaar aanwezig in de marroncultuur – in hun talen, hun geloof én hun gebruik van planten.

‘Surinaamse plantennamen zijn vaak overgenomen van de namen die in West- en Centraal-Afrika worden gebruikt,’ zegt onderzoeker Tinde van Andel. Als etnobotanicus houdt ze zich al tientallen jaren bezig met de relatie tussen planten en mensen. ‘Ik doe onderzoek naar traditioneel plantgebruik. Je hebt ook industrieel plantgebruik, zoals de landbouw in Nederland en België met allemaal machines. Ik kijk naar wat mensen zelf verbouwen in hun moestuintje, en naar hun gebruik van medicinale of rituele planten.’

Zakje zwarte rijst

Op een markt voor spirituele planten in Paramaribo vond ze iets wat een belangrijk puzzelstuk zou worden in haar onderzoek: een zakje zwarte rijst. Van Andel zag direct dat het een bijzondere variëteit was. De schil, die bij rijst meestal geel of wit is, was in dit geval donkerbruin. Bij het pellen openbaarden zich rode zaden.

Een collega van Wageningen University & Research hielp Van Andel door een genetische analyse van de rijst te maken. Daaruit bleek dat het ging om een Afrikaanse rijstsoort. De variëteit kwam exact overeen met die uit een specifiek gebied in West-Ivoorkust. Dat was een verrassing.

‘Onderzoekers vermoedden wel dat die rijst een keer naar het Amerikaanse continent was gereisd, maar ze gingen ervan uit dat hij daar weer was uitgestorven. Historici hadden geen bewijs dat de rijst nog buiten Afrika zou worden gekweekt.’

Namen van vrouwen

In de marroncultuur zijn het de vrouwen die gewassen verbouwen. Zij bewerken hun kostgronden, akkers die net buiten het dorp liggen. Met de Surinaamse promovendus Nicholaas Pinas en voorbeelden van de verschillende rijstkorrels, reisde Van Andel langs de veldjes. Zo leerde ze de lokale namen voor elke variëteit. Rijst met een lange rode staart is vernoemd naar een brulaap. Een korrel met twee zijvleugels kreeg de naam ‘vliegtuig’ of ‘langoor’. Maar de onderzoeker kwam ook een aantal variëteiten tegen met namen die van mensen leken te zijn, zoals Sapali en Millie.

‘Ik wilde weten wie dat waren,’ zegt Van Andel. ‘De landbouwers antwoordden dat het iemand van lang geleden was, een vrouw. Welke vrouw, vroeg ik dan, wie?’

Rijstkorrels in haren gevlecht

Een vrouw zou ontsnapt zijn uit een plantage en samen met andere ontsnapte Afrikanen zou ze naar de rivier Tapanahoni zijn gevlucht, vanwaar de groep het binnenland introk. Ze zou rijstkorrels hebben meegesmokkeld door ze in haar haren te vlechten. ‘Ze konden me zelfs vertellen in welk dorp haar nakomelingen wonen,’ zegt Van Andel.

‘Ik besefte dat die rijst is vernoemd naar iemand die echt heeft bestaan. Ineens hoor je driehonderd jaar oude informatie die nergens op papier staat. Eeuwenlang kweekten de Marrons, buiten het oog van de autoriteiten, het voedsel van hun voorouders. De rijst is een symbool geworden van het verzet tegen slavernij. Eigenlijk zit de hele geschiedenis van Suriname verstopt in het DNA van zo’n landbouwgewas.’

De volledige versie van dit verhaal lees je in de nieuwste editie van National Geographic Magazine.