Voor een ongetrouwde vrouw rond 1900 lag één beroep voor de hand: dienstbode. De opleidingsmogelijkheden voor vrouwen waren beperkt en het huishouden was zo arbeidsintensief dat vrijwel ieder gezin dat het zich kon veroorloven een dienstmeid in huis nam. Vraag genoeg dus.
Vaak begon een meisje al op haar dertiende. Ze trok in bij het gezin waarvoor ze werkte, sliep op een klein zolderkamertje en bracht haar dagen door met schrobben, soppen en sjouwen. De vrouw des huizes hield scherp toezicht – soms controlerend, soms ronduit hardvochtig. Maar tegen het einde van de negentiende eeuw pikten dienstbodes dat niet langer vanzelfsprekend. De spanningen tussen mevrouw en dienstje groeiden uit tot wat bekend werd als de dienstbodekwestie.
Helft van werkende vrouwen was dienstbode
Omstreeks 1900 was het nog een heel gewoon gezicht. Een dienstmeisje dat de stoep schrobt, uitgedost in haar herkenbare witte schort en hoofdkapje. Volgens socioloog Hilde Bras van de Rijksuniversiteit Groningen werkte omstreeks 1900 bijna de helft van de vrouwelijke beroepsbevolking in de sector huiselijke diensten.
Hoewel er door de eeuwen heen altijd al een afstand was tussen de huishoudelijke hulp en het gezin, werd deze volgens cultureel antropoloog Caroline Hanken in de negentiende en twintigste eeuw nog groter. De bazin werkte niet langer mee in het huishouden, maar controleerde op strenge wijze het werk van hun ‘dienstje’.
Een opstel uit 1897, deels gepubliceerd in De Noord Brabander van dat jaar, vatte de dienstbodekwestie als volgt samen: ‘Vrouwen en dienstboden staan in menig huis tegenover elkaar, als op voet van gewapenden vrede (…). Daar moge een zekere afstand tusschen beide zijn, een klove mag tusschen hen niet bestaan.’
De schrijver van het opstel spoorde huisvrouwen aan om ‘een zedelijke invloed’ uit te oefenen op hun dienstboden en hen niet slechts te zien als ‘werktuigen of werkkrachten’, maar als onderdeel van het gezin.
Het dienstbodencongres van 1898
Maar de mevrouwen, zoals huisbazinnen werden genoemd, waren het lang niet altijd eens met de kritiek. Op 21 augustus 1898 werd het allereerste dienstbodencongres gehouden om de prangende dienstbodekwestie te bespreken.
De dienstmeid Dientje Auwerda kreeg drie kwartier de tijd om een groep mevrouwen toe te spreken over de erbarmelijke omstandigheden waar dienstjes mee te maken kregen: gebrekkige slaapplaatsen, muffe keukens, slechte voeding en een laag loon.
Wil je niets missen van onze verhalen? Volg National Geographic op Google Discover en zie onze verhalen vaker terug in je Google-feed!
Maar al snel na haar toespraak ontstond er een discussie tussen de feminist Maria Rutgers-Hoitsema, die het opnam voor de dienstbodes, en de feministen Wilhemina Drucker en Elise Haighton. Zij noemden de opmerkingen over de moeilijke werkomstandigheden overdreven. Het werk is toch al gemakkelijker sinds de komst van water- en gasleidingen? En krijgen inwonende dienstmeiden niet al genoeg betaald als ze eten en onderdak krijgen?
Meer compassie voor de dienstbode
De Zeeuwse dienstmeid Neeltje Lokerse kreeg begin 1900 nationale bekendheid vanwege haar strijd om meer rechten en compassie voor dienstmeiden. De Opregte Haarlemsche Courant publiceerde in 1900 woorden uit haar brochure. Daarin doet ze een oproep aan alle vrouwen met een dienstje in huis.
‘U dames, hebt een goede opvoeding gehad, hebt kinderen die u gaarne gelukkig ziet, en niet wilt dat hun het leven zuur gemaakt wordt; ook die kinderen, die u in uwe huizen opneemt, hebben ouders die hen liefhebben, en die hen geen opvoeding kunnen geven, omdat zij ze te vroeg aan u moesten afstaan. Kon het zijn, vervangt dan zoveel mogelijk de plaats der ouders die hen liefhebben.’
Affaire met de dienstmeid
Affaires tussen de dienstbode en de heer des huizes kwamen ook voor, al kun je je afvragen wie daar de initiator van was. Raakte een dienstbode eenmaal zwanger, dan zag haar toekomst er bleek uit: getrouwde en zwangere vrouwen raakten hun positie kwijt. In het ergste geval belandden ze na de geboorte van hun kind in de prostitutie.
Het is daarom aannemelijk dat veel van de handtastelijkheden ongewenst waren. Dat blijkt bijvoorbeeld ook uit de memoires van Maria van der Ent (1900-1991), die begin twintigste eeuw een inwonende dienstmeid in Rotterdam was.
De Zeeuwse Lokerse sprong ook voor zulke vrouwen op de bres. In 1900 was ze zelf zwanger geraakt van haar werkgever Sebastiaan Burghout, die haar iedere vorm van financiële compensatie weigerde. Ze haalde alle kranten toen ze in 1902 met een geladen revolver zijn werkplek op het Binnenhof was binnengevallen. Ze loste een schot, maar miste, waarschijnlijk expres. Wat ze wilde, was publiciteit en aandacht voor het lot van ‘gevallen meisjes’.
Leestip: De geschiedenis van de huishoudschool: hoe meisjes werden opgeleid tot huisvrouw
De rechtbank sprak Lokerse vrij wegens gebrek aan bewijs dat ze Brughuis daadwerkelijk wilde doden. In 1909 nam het parlement voor het eerst een wet aan die vaderschapsonderzoek toestond, en zo de weg vrijmaakte voor het afdwingen van alimentantie.
Het einde van het dienstmeidentijdperk
Rond de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw diende zich alweer een nieuw dienstbodeprobleem aan. Niet omdat de dienstmeisjes hun werk niet goed zouden doen, maar omdat er veel te weinig waren.
De komst van huishoudelijke apparaten en meer scholingsmogelijkheden maakten dat veel vrouwen een ander beroep kozen. Er was zo weinig aanbod, dat het inhuren van huishoudelijke hulp voor velen onbetaalbaar werd. Omstreeks de jaren zestig stierf het beroep definitief uit.
Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!







